Plattelandswoningen

Op 1 januari 2013 is de ‘Wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positieve van agrarische bedrijfswoningen aan te passen’, beter bekend als de Wet plattelandswoningen in werking getreden.
In de Wabo is op 1 januari 2013 artikel 1.1a ingevoerd. Op grond van deze bepaling kan het gemeentebestuur bepalen dat een bedrijfswoning behorend tot een landbouwinrichting, ondanks de agrarische bestemming, door een derde (een burger) mag worden bewoond. Hierbij staan het gemeentebestuur drie wegen ter beschikking: het bestemmingsplan, de beheersverordening of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening wordt afgeweken. Indien het gemeentebestuur de woning als ‘plattelandswoning’ heeft gekwalificeerd, wordt de woning van rechtswege beschouwd als onderdeel uitmakend van de inrichting, hetgeen erop neerkomt dat de woning niet wordt beschermd tegen milieuemissies van (uitsluitend) die inrichting. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is een pendant van opgenomen (artikel 1.3c Activiteitenbesluit milieubeheer) voor niet-vergunningplichtige inrichtingen.

De jurisprudentie bepaalt uiteindelijk de precieze ruimte hiervoor.

Relevante wetgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: artikelen 1.1a en 2.14 lid 7

Activiteitenbesluit milieubeheer: artikel 1.3c

Relevant commentaar

Handboek Ruimtelijke Ordening & Bouw

Permanente bewoning van recreatiewoningen

Werken met de Wabo en omgevingsvergunning 2015

Geluid en ruimte

Milieu en ruimte in het buitengebied