Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Achtergebleven asbest na sanering: kabinet ziet geen aanleiding voor scherper toezicht, maar kwaliteit eindbeoordelingen blijft aandachtspunt

Een brand, een asbestsanering en vervolgens opnieuw aangetroffen asbesthoudende resten op hetzelfde terrein. De beantwoording van Kamervragen over een saneringsdossier in Bergen op Zoom biedt een inkijk in de verdeling van verantwoordelijkheden rond asbestincidenten en de wijze waarop het Rijk aankijkt tegen toezicht en handhaving. Voor gemeenten, omgevingsdiensten en adviseurs is vooral relevant dat het kabinet geen directe aanleiding ziet om het toezicht aan te scherpen, terwijl tegelijkertijd zorgen blijven bestaan over de kwaliteit van eindbeoordelingen na asbestsaneringen.

25 September 2026

Beleid

a close up of a grey surface

Aanleiding: asbestresten aangetroffen na brand en sanering

De Kamervragen zijn gesteld naar aanleiding van berichtgeving over een woning in Bergen op Zoom waar na een brand een asbestsanering was uitgevoerd. Volgens de berichtgeving zouden bijna twee jaar later nog steeds asbesthoudende resten aanwezig zijn op en rond het terrein.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat geeft geen zelfstandig oordeel over de concrete situatie. Volgens het kabinet ligt de beoordeling van de naleving van regelgeving en de noodzaak van eventuele vervolgstappen bij het bevoegde gezag, in dit geval de gemeente Bergen op Zoom en de Omgevingsdienst West-Brabant (OMWB).

Uit ambtelijk contact met de OMWB blijkt dat de saneringen en daaropvolgende vrijgaven volgens de omgevingsdienst conform de geldende voorschriften zijn uitgevoerd. De omgevingsdienst acht het mogelijk dat asbesthoudende restanten na afloop van de sanering door weersinvloeden later weer zichtbaar zijn geworden. Volgens de gemeente ging het daarbij om asbesthoudende schilfers op het eigen terrein en niet om een besmetting van omliggende percelen of openbare ruimte.

Verantwoordelijkheden blijven ongewijzigd

Een belangrijk onderdeel van de beantwoording betreft de verdeling van verantwoordelijkheden rond asbestincidenten.

De staatssecretaris wijst erop dat voor asbestverwijdering uit bouwwerken regels gelden uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor asbest dat vrijkomt na een brand of een ander incident gelden daarnaast specifieke regels uit het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

Het toezicht op de naleving van deze regels in de fysieke leefomgeving ligt bij het bevoegde gezag. In de praktijk zijn dat veelal gemeenten die de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving hebben belegd bij een omgevingsdienst. De beoordeling van concrete dossiers, inclusief de vraag of aanvullende maatregelen of handhaving noodzakelijk zijn, blijft nadrukkelijk een lokale verantwoordelijkheid.

Ook benadrukt het kabinet dat opdrachtgevers en uitvoerende partijen eigen wettelijke verantwoordelijkheden hebben. Het uitbesteden van werkzaamheden ontslaat een opdrachtgever niet automatisch van diens verantwoordelijkheden. De uitvoerende partij blijft verantwoordelijk voor een correcte en veilige uitvoering van de sanering.

Signalen over tekortschietende eindbeoordelingen

Hoewel de staatssecretaris geen aanleiding ziet om naar aanleiding van deze specifieke casus het toezicht aan te scherpen, bevat de Kamerbrief wel relevante informatie over bredere zorgen rond de kwaliteit van eindbeoordelingen na asbestsaneringen.

Het kabinet wijst op een signaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie uit 2025. Daarin werd geconcludeerd dat na goedgekeurde eindbeoordelingen nog regelmatig asbesthoudend materiaal aanwezig bleek te zijn. Volgens de Arbeidsinspectie zou naar schatting meer dan een derde van de eindinspectie-instellingen onvoldoende functioneren.

Daarnaast meldde de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant dat tussen mei 2024 en januari 2025 in bijna twintig gevallen asbesthoudend materiaal werd aangetroffen nadat een eindinspectie al goedkeuring had verleend. Tegelijkertijd merkt het kabinet op dat geen landelijke registratie bestaat waaruit kan worden afgeleid hoe vaak dergelijke situaties voorkomen of hoeveel locaties nog niet volledig zijn gesaneerd.

Deze constatering laat zien dat de landelijke overheid momenteel slechts beperkt zicht heeft op de omvang van het probleem. Voor uitvoeringsorganisaties betekent dit dat lokale signalen en toezichtgegevens voorlopig een belangrijke informatiebron blijven.

Beleidsvoornemens: onderzoek naar betere borging van kwaliteit

De Kamerbrief bevat geen aangekondigde aanscherping van het toezicht, maar wel een beleidsvoornemen om te onderzoeken hoe de kwaliteit van eindbeoordelingen beter kan worden geborgd.

De staatssecretaris verwijst naar een wetsvoorstel voor implementatie van een Europese wijzigingsrichtlijn. Dat wetsvoorstel biedt volgens het kabinet de mogelijkheid om de kring van normadressaten binnen het Arbeidsomstandighedenbesluit uit te breiden. Hierdoor zouden in de toekomst ook laboratoria die eindbeoordelingen uitvoeren rechtstreeks aan publiekrechtelijke voorschriften kunnen worden gebonden en onder publiek toezicht kunnen worden geplaatst.

Van belang is dat hierover nog geen besluit is genomen. Ook is nog niet vastgesteld welke vorm van toezicht het meest geschikt is en welke alternatieven haalbaar zijn. Het kabinet geeft aan deze opties pas na inwerkingtreding van de gewijzigde regelgeving verder te zullen onderzoeken.

Feitelijk verandert er op dit moment dus nog niets in het toezichtstelsel.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor professionals in het omgevingsrecht bevat de Kamerbrief enkele duidelijke lessen.

Ten eerste bevestigt het kabinet dat de verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving bij asbestincidenten primair bij gemeenten en omgevingsdiensten blijft liggen. Van een landelijke verschuiving van bevoegdheden is geen sprake.

Ten tweede laat de brief zien dat een afgegeven vrijgave of eindbeoordeling niet per definitie betekent dat discussies over achtergebleven asbest daarmee zijn beëindigd. Wanneer later opnieuw asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen, blijft beoordeling door het bevoegde gezag noodzakelijk.

Ten derde onderstrepen de genoemde signalen van de Arbeidsinspectie en omgevingsdiensten het belang van een kritische beoordeling van eindinspecties en vrijgaveverklaringen. De Kamerbrief suggereert niet dat het huidige stelsel tekortschiet, maar maakt wel duidelijk dat de kwaliteit van eindbeoordelingen landelijk onderwerp van aandacht is.

Voor adviseurs, projectontwikkelaars en eigenaren van locaties met asbestproblematiek is daarnaast relevant dat het kabinet expliciet wijst op de blijvende verantwoordelijkheid van opdrachtgevers, ook wanneer werkzaamheden worden uitbesteed aan gespecialiseerde bedrijven.

Openstaande vragen blijven onder meer hoe groot het landelijke aantal vergelijkbare gevallen daadwerkelijk is, welke rol laboratoria en eindinspectie-instellingen in de toekomst krijgen binnen het toezichtstelsel en of aanvullende wettelijke eisen zullen worden ingevoerd. Op deze punten geeft de Kamerbrief nog geen definitieve richting.

Slotbeschouwing

De beantwoording van de Kamervragen over de situatie in Bergen op Zoom leidt niet tot directe beleidswijzigingen of aangescherpt toezicht. Het kabinet houdt vast aan de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten, omgevingsdiensten, opdrachtgevers en uitvoerende partijen. Tegelijkertijd bevestigt de brief dat er landelijk zorgen bestaan over de kwaliteit van eindbeoordelingen na asbestsaneringen. Vooralsnog blijft het bij een verkenning van mogelijke aanpassingen in regelgeving en toezicht. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat zorgvuldig lokaal toezicht, dossieropbouw en beoordeling van vrijgaven voorlopig de belangrijkste instrumenten blijven om risico's van achtergebleven asbest te beheersen.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.