Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Beantwoording Kamervragen over beweiden en bemesten

Hieronder beantwoord ik de vragen van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het Advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek over beweiden en bemesten (Kamerstuk 35 334, nr. 39).

Minister Schouten 18 February 2020

Kamerstuk: kamervraag

Kamerstuk: kamervraag

1

Hoe groot acht u de kans dat beweiden en bemesten als activiteit wel moeten worden meegewogen bij de afgifte van een natuurvergunning, zoals de heer Vollenbroek van Mobilisation for the Environment beweert?

Antwoord

In het tussentijds advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek “Bemesten en beweiden in 2020” van 19 december 2019, is aangegeven dat – gezien het gunstige effect van het weiden van vee voor de stikstofdepositie ten opzichte van het houden van de dieren op stal – voor het weiden van vee geen vergunningplicht aan de orde is. Voor bemesten is volgens het Adviescollege, behoudens in specifieke uitzonderingssituaties, in beginsel geen vergunningplicht aan de orde. Het advies sluit aan bij de inzet van het kabinet om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken. Deze inzet van het kabinet wordt gedeeld door de provincies. Wel zullen de uitzonderingen in beeld worden gebracht, waar door specifieke bedrijfssituaties het grondgebruik structureel is veranderd.

2

Welke stappen gaat u ondernemen naar aanleiding van het advies 'Bemesten en beweiden in 2020'?

Antwoord

De stappen die het kabinet onderneemt naar aanleiding van het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’, staan beschreven in de brief aan uw Kamer d.d. 7 februari jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 44). De hoofdlijn van het advies is dat voor beweiden en voor bemesten in beginsel geen vergunningsplicht nodig is. De inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken. Voor een goede bedrijfsvoering zijn beweiden en bemesten noodzakelijk. Ik zal mij met provincies inzetten om de situatie van de laatste jaren waarin geen vergunningsplicht van toepassing was voor deze activiteiten, voort te zetten. Wel zullen de uitzonderingen in beeld worden gebracht waar het grondgebruik structureel is veranderd door specifieke bedrijfssituaties.

In de brief van 7 februari heeft het kabinet maatregelen genomen om tot een structurele reductie van stikstofemissies te komen, waarvan het vergroten van weidegang en het emissiearmer uitrijden van mest het meest passend zijn.

Het Adviescollege heeft aangegeven dat zij eind mei met een advies komen voor de aanpak op de lange termijn. Daarin zullen de mitigerende maatregelen worden voorgesteld om te komen tot een structurele reductie van stikstofemissies in alle sectoren. De reeds genomen maatregelen dragen al bij aan deze emissiereductie.

3

Hoe worden melkveehouders beloond voor weidegang door de overheid?

Antwoord

Door het vorige kabinet is voor de periode 2017-2021 een bedrag van in totaal

€ 1 miljoen beschikbaar gesteld voor stimulerende maatregelen om weidegang te bevorderen samen met of in aanvulling op de maatregelen vanuit de sector. In dit kader wordt onder andere een bijdrage geleverd aan het project ‘Nieuwe Weiders’ (begeleiding van ondernemers die met weidegang starten) en het project ‘Wei en Maatschappij’ (scholing van jonge en toekomstige melkveehouders). Daarnaast kunnen ondernemers gebruik maken van een specifieke fiscale mogelijkheden indien zij een stal (ver)bouwen gericht op melkvee met weidegang, die voldoet aan de eisen van de Maatlat Duurzame Veehouderij ten aanzien van weidegang.

4

Hoe worden vleesveehouders beloond voor weidegang door de overheid?

Antwoord

Vleesveehouders kunnen gebruik maken van de fiscale mogelijkheden in het kader van de Maatlat Duurzame Veehouderij bij ver- of nieuwbouw van een stal.

5

Heeft het Adviescollege Stikstofproblematiek de bestaande (recente) jurisprudentie op het gebied van beweiden en bemesten onderzocht om tot dit advies te komen? Zo ja, wat was de conclusie daarover? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Het Adviescollege heeft de jurisprudentie onderzocht. Ik verwijs u naar hoofdstuk 3 van het tussentijdse advies dat de hoofdlijnen van de jurisprudentie weergeeft en naar paragraaf 4.1 dat de vertrekpunten voor het advies weergeeft. Dit heeft mede geleid tot het advies om beweiden en bemesten in beginsel niet vergunningplichtig te laten zijn.

6

Kunt u bevestigen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het vonnis van 29 mei 2019 uitsprak dat beweiden niet categoraal uitgezonderd kan worden van de vergunningplicht? Zo nee, hoe luidde de uitspraak dan?

Antwoord

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604) geoordeeld dat de vrijstellingsregeling die voorzag in het categoraal uitzonderen van projecten van de vergunningplicht onverbindend is, om 2 redenen. De eerste reden is dat de exploitatie van een melkveehouderij en het weiden van vee onlosmakelijk met elkaar samenhangen en daarom één project vormen. Het is onmogelijk is om één project op te knippen in een vergunningvrij en vergunningplichtig deel. De tweede reden is dat een categorale uitzondering van de vergunningplicht alleen mogelijk is als op grond van objectieve omstandigheden met zekerheid kan worden uitgesloten dat die projecten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een of meer Natura 2000-gebieden. Volgens de Raad van State is die afweging, gelet op de in de procedure gewisselde gegevens, niet eenvoudig te maken en kan de uitkomst per bedrijfs(onderdeel) verschillen, wat in de weg staat van een categorale uitzondering.

Wat betreft de vergunningplicht zelf – los van de vraag of een categorale uitzondering mogelijk is, – overweegt de Raad van State dat het niet betrekken van de depositie die wordt veroorzaakt door beweiden in de vergunning slechts aanvaardbaar is als het weiden van vee in dit concrete geval niet onder artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn valt. Daarvoor moet worden beoordeeld of de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename van depositie ten opzichte van de referentiesituatie die van toepassing was voor de vergunning.

7

Kunt u bevestigen dat de Rechtbank Noord-Nederland op 19 december 2019 uit heeft gesproken dat een uitzondering op de vergunningplicht niet mogelijk is op grond van het vonnis van de Raad van State? Zo nee, hoe luidde de uitspraak dan?

Antwoord

De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 af dat vergunningen voor melkrundveehouderijen met een stalsysteem dat beweiden impliceert, aanpassing behoeven en dat voor de activiteit weiden van vee alsnog een vergunning is vereist. Aangezien het een uitspraak is die zonder zitting is gewezen, na een vereenvoudigde behandeling van de beroepszaak, is daartegen verzet mogelijk.

De provincies en het Rijk hebben gezamenlijk besloten om in verzet te gaan. Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben inmiddels verzet aangetekend tegen de uitspraak, met het oog op het alsnog inbrengen van een door de rechtbank mee te wegen inhoudelijke zienswijze. In die zienswijze worden ook de bevindingen van het Adviescollege betrokken.

8

Adviseert het Adviescollege Stikstofproblematiek dat beweiden altijd vergunningvrij kan? Zo nee, hoe luidt het advies dan?

Antwoord

Over beweiden concludeert het Adviescollege dat deze activiteit een positief effect heeft, zowel in de stal als in de wei. Voor beweiden geldt volgens het Adviescollege in alle gevallen dat de feitelijke situatie gunstiger is dan de vergunde situatie (die alleen uitgaat van 5% reductie van stalemissies) terwijl de feitelijke reductie (van emissies uit stalmest en weidemest samen) groter is dan dit percentage. Voor beweiden geldt volgens het Adviescollege om die reden dat aannemelijk is dat geen sprake is van een hogere depositie dan waar in de stalvergunning al rekening mee is gehouden. De depositie van stal en bemesten gezamenlijk neemt af als beweiding plaatsvindt (in vergelijking met de situatie waarbij koeien op stal staan en de mest wordt uitgereden). Deze conclusie geldt – aldus het Adviescollege – zonder uitzondering, dus ook voor beweiding dichtbij Natura 2000-gebieden.

De conclusie van het Adviescollege betekent dat steeds wordt voldaan aan het criterium dat de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename van depositie ten opzichte van de referentiesituatie die van toepassing was voor de vergunning.

9

Op welke punten verschilt het advies over beweiden van het Adviescollege Stikstofproblematiek van de uitspraken van de Raad van State en de Rechtbank Noord-Nederland en hoe verklaart u die verschillen?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs is u naar de beantwoording van vraag 8.

10

Kunt u bevestigen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het vonnis van 29 mei 2019 uitsprak dat bemesten niet categoraal uitgesteld kan worden van de vergunningplicht? Zo nee, hoe luidde de uitspraak dan?

Antwoord

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in de uitspraak van 29 mei 2019 geoordeeld dat het op of in de bodem brengen van meststoffen niet categoraal kan worden uitgezonderd van de vergunningplicht in de gevallen waarin deze activiteit is te duiden als een project dat – afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Een uitzondering hierop is aanvaardbaar in twee gevallen, namelijk:

  • als het bemesten van gronden in Nederland rechtmatig plaatsvond voordat de Habitatrichtlijn van toepassing werd en dat nog steeds plaatsvindt als één-en- hetzelfde project kan worden geduid; of

  • als op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het bemesten van gronden in Nederland significante gevolgen kan hebben voor stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.

De Afdeling was – kort gezegd – van oordeel dat niet voor alle gevallen en alle gebieden is verzekerd dat aan één van deze voorwaarden is voldaan en oordeelde dat de categorale vrijstelling van de vergunningplicht voor bemesten onverbindend is.

11

Op welke punten verschilt het advies van het Adviescollege Stikstofproblematiek over bemesten van de uitspraken van de Raad van State en de Rechtbank Noord- Nederland (19 december 2019) en hoe verklaart u die verschillen?

Antwoord

Voor bemesten sluit het Adviescollege aan bij de tweede in de uitspraak van

29 mei genoemde uitzonderingsgrond voor een vergunningplicht, als weergegeven in het voorgaande antwoord. Het Adviescollege is van oordeel dat op grond van objectieve gegevens significante gevolgen van bemesten doorgaans kunnen worden uitgesloten. Het Adviescollege wijst er in dit verband op dat de ammoniakemissie, ten opzichte van de referentiedatum, doorgaans is afgenomen. Deze reductie is volgens het Adviescollege gerealiseerd door het aanscherpen van toegestane hoeveelheden per gewas, strengere aanwendingsnormen en gewijzigde technieken (die leiden tot een lagere uitstoot). Het Adviescollege wijst er daarbij ook op dat een uitzondering op de generieke afname van ammoniakemissie bij het aanwenden van mest (bedrijfsspecifieke situaties) aan de orde kan zijn bij percelen waar het grondgebruik is aangepast van akkerland naar grasland, omdat voor grasland hogere mestaanwendingsnormen gelden dan voor akkerland. Mogelijk – aldus het Adviescollege – worden deze hogere mestaanwendingsnormen gecompenseerd door extra eisen aan emissie- reducerende maatregelen bij mestaanwending. Een tweede mogelijke uitzonderingssituatie is volgens het Adviescollege aan de orde als gronden eerst niet of nauwelijks, en nu volop bemest worden (bijv. als gronden in landbouw zijn gebracht en deze op ten opzichte van de referentiesituatie toen niet en nu wel bemest worden).

12

Wat is de status van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als het gaat om het vellen van een oordeel over beleid en wet- en regelgeving?

Antwoord

De Afdeling bestuursrechtspraak is op het vlak van de natuurwetgeving de hoogste bestuursrechter die in Nederland in het kader van bestuursrechtelijke procedures een oordeel velt over de rechtmatigheid van besluiten en – via exceptieve toetsing – over de rechtmatigheid van formele wetgeving in het licht van internationaal rechtelijke verplichtingen en de rechtmatigheid van lagere regelgeving.

13

Wat is de status van het Adviescollege Stikstofproblematiek als het gaat om het vellen van een oordeel over beleid en wet- en regelgeving?

Antwoord

Het Adviescollege is vanwege haar samenstelling en deskundigheid, gevraagd het kabinet te adviseren. Het kabinet maakt, mede op basis van de adviezen, een afweging en komt zo nodig met voorstellen over aanpassing van beleid, wet- en regelgeving. De kabinetsreactie op adviezen van het Adviescollege worden aan de Kamers gestuurd en kan door de Kamers worden betrokken bij de gedachtenwisselingen met het kabinet. Voorstellen voor formele wetgeving moeten te allen tijde door beide Kamers worden geaccordeerd.

14

Adviseert het Adviescollege Stikstofproblematiek om bemesten, wanneer het wel een significant effect kan hebben op een Natura 2000-gebied, wel vergunningplichtig te laten zijn?

Antwoord

Zoals aangegeven in antwoord op vraag 11, wijst het Adviescollege op een tweetal situaties waarin sprake kan zijn van een stikstofdepositie die hoger is dan in de referentiesituatie en waarbij significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Die situaties worden nu nader onderzocht. Indien mogelijke significante effecten niet uitgesloten kunnen worden, geldt de vergunningplicht, aldus het Adviescollege.

15

Klopt het dat, om daarachter te komen, alsnog alle bemestingsactiviteiten getoetst moeten worden op hun effecten op Natura 2000-gebieden?

Antwoord

Nee. Het Adviescollege adviseert om bedrijfsspecifieke situaties, waarbij sprake is van wijziging van grondgebruik (bij aanpassing van akkerland naar grasland, of als gronden in landbouw zijn gebracht, die ten opzichte van de referentiesituatie toen niet en nu wel bemest worden), in beeld te brengen. Dit zijn uitzonderingssituaties waarbij de ammoniakemissie bij het produceren en aanwenden van mest mogelijk hoger is in vergelijking met de situatie op de Europese referentiedatum. Het Adviescollege adviseert om bij deze bedrijfsspecifieke situaties waar sprake is van een structurele wijziging van grondgebruik te onderzoeken of dit gebruik leidt tot knelpunten in Natura 2000- gebieden.

16

Zijn er bij de expertsessie experts op het gebied van Europees natuurbeschermingsrecht aanwezig geweest, om de wettelijke kaders van de Habitatrichtlijn toe te kunnen lichten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Bij de expertsessie is een expert op het gebied van Europees natuurbeschermingsrecht aanwezig geweest. Met een andere juridische expert heeft het Adviescollege bilateraal overleg gevoerd. Daarnaast is één van de leden van het Adviescollege zelf juridisch expert.

17

Waarom is er geen expert uitgenodigd van een van de natuurorganisaties die de onwettigheid van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) succesvol heeft aangekaart, zoals Mobilisation for the Environment of Vereniging Leefmilieu?

Antwoord

De expertsessie van het Adviescollege Stikstofproblematiek was gericht op het opstellen van het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’. De deelnemers aan de sessie waren experts specifiek op het gebied van of gerelateerd aan beweiden en bemesten. Het Adviescollege is vrij om daar zelf keuzes in te maken.

18

Klopt het dat een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) door een bedrijf aangevraagd wordt voor één ‘inrichting’, wat bij een landbouwbedrijf betekent één vergunning voor alle stallen, weilanden en akkers van dezelfde boer? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Een vergunning moet worden aangevraagd voor alle activiteiten die tezamen een project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn vormen en daar onlosmakelijk onderdeel van uitmaken. De Afdeling bestuursrechtspraak merkt in de eerder aangehaalde uitspraak van 29 mei 2019 het weiden van vee aan als een activiteit die onlosmakelijk is verbonden met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van een melkveehouderij, en dus in de vergunningaanvraag moet worden betrokken. Volgens dezelfde uitspraak geldt dat echter niet voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. Die activiteit kan als een afzonderlijk project worden beschouwd.

19

Klopt het dat binnen de integrale vergunningplicht van één inrichting dus stalemissies vallen, alsmede de emissies van beweiden (op het weiland) en bemesten (op de akker)? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State moeten bij een melkveehouderij de emissies vanuit de stal en het weiden in samenhang worden beoordeeld. De emissies voor bemesten kunnen afzonderlijk worden beoordeeld.

20

Klopt het dat wanneer een veehouder mest afvoert naar een ander bedrijf, daar een aparte vergunning voor nodig is, omdat het niet bij dezelfde ‘inrichting’ hoort? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Zoals in het voorgaande is aangegeven, is niet het begrip ‘inrichting’ bepalend, maar de vraag of een bepaalde activiteit onlosmakelijk met een project is verbonden en of dit is aan te merken als project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Of dat zo is zal afhangen van de aard van het bedrijf. Over het afvoeren van mest heeft de Raad van State in de uitspraak van 29 mei 2019 geen oordeel geveld en ook het tussenadvies van het Adviescollege stikstofproblematiek zegt daar niets over.

21

Klopt het dat beweiden en bemesten daarmee al binnen de integrale vergunningplicht van de Wnb vallen en is dit het geval voor de huidige Wnb- vergunningen die landbouwers momenteel al hebben? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoorden op de vragen 6, 8, 10, 11, 18 en 19: het weiden van vee is onlosmakelijk verbonden met het oprichten, exploiteren of uitbreiden van een melkveehouderijbedrijf, het bemesten niet. Een vergunningplicht geldt niet als de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename ten opzichte van de depositie die uit de reeds vergunde stal kan plaatsvinden.

22

Klopt het dat wanneer beweiden en bemesten worden uitgezonderd van de vergunningplicht, de vergunning niet meer integraal voor de gehele inrichting geldt? Zo ja, mag dit op basis van de Habitatrichtlijn? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Verwezen wordt naar het antwoorden op de vragen 6, 8, 10, 11, 18 en 19. Niet het inrichtingsbegrip, maar het projectbegrip is hier relevant. Het weiden van vee is onlosmakelijk verbonden met het oprichten, exploiteren of uitbreiden van een melkveehouderijbedrijf en wordt tezamen daarmee als één project beschouwd, het bemesten niet. In de voorgaande antwoorden is tevens ingegaan op de uitzonderingen die met inachtneming van de Habitatrichtlijn gelden. Een vergunningplicht geldt niet als de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename ten opzichte van de depositie die uit de reeds vergunde stal kan plaatsvinden. En voor bemesten geldt geen vergunningplicht voor zover sprake is van een daling van de ammoniakemissie, ten opzichte van de toegestane emissie op de referentiedatum.

23

In het geval dat beweiden uitgezonderd wordt van de vergunningplicht, wordt voor de Wnb-vergunning dan uitgegaan van de stikstofemissies wanneer het vee jaarrond op stal wordt gehouden? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Als sprake is van beweiden, wordt er bij de beoordeling van de vergunningplicht van uitgegaan dat de dieren niet jaarrond op stal worden gehouden. Een vergunningplicht geldt niet als de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename ten opzichte van de depositie die uit de reeds vergunde stal kan plaatsvinden.

24

Wordt bij de huidige Wnb-vergunningen, die veehouders nu hebben, alleen uitgegaan van de stikstofemissies uit de stal (ook als boeren hun vee weiden), of van de combinatie van emissies uit de stal en van het weiden?

Antwoord

De stalemissies zijn vergund. In sommige stalsystemen is bij het bepalen van de stalemissies (volgens de Regeling Ammoniak en Veehouderij) al rekening gehouden met een reductie van de emissie doordat dieren niet jaarrond op stal staan (bijv. schapen). De afgelopen jaren kon voor koeien gebruik worden gemaakt van een reductie maatregel van 5% van de emissie indien er minimaal 720 uur per jaar beweid werd. Hierbij is uitgegaan van het minimaal aantal uren dat verplicht is om te voldoen aan het Weidemelk logo, overeenkomstig de afspraken die zijn vastgelegd in het Convenant Weidegang en waarop ook gecontroleerd wordt. Het werkelijk aantal uren dat wordt beweid ligt niet vast in de Wnb-vergunning. Indien de 5% reductie voor beweiden is opgenomen moet een minimum van 720 uur worden beweid en kan daar toezicht op worden gehouden.

25

Klopt het dat wanneer slechts uitgegaan wordt van de stalemissies, beweiden dan volgens de Habitatrichtlijn een ander project is, waar dus een passende beoordeling voor gemaakt moet worden? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Nee, beweiden is onlosmakelijk onderdeel van het oprichten, exploiteren of uitbreiden van een melkveehouderijbedrijf en dus geen zelfstandig project. Een passende beoordeling moet worden gemaakt voor het gehele project, als tenminste sprake is van een project dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000- gebied. Als al sprake is van een vergunning van een stal en als de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename ten opzichte van de depositie die uit de reeds vergunde stal kan plaatsvinden, behoeft geen aangepaste vergunning te worden verleend in verband met het beweiden.

26

Klopt het dat een toename in weide-uren de afgelopen jaren al werd gebruikt als compensatiemaatregel voor uitbreidingen van het aantal dieren? Zo ja, klopt het dan dat het aantal weide-uren wel vastgelegd werd in de Wnb-vergunning? Zo nee, hoe zat het dan?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 24.

27

Wie is het bevoegd gezag om die weide-uren te controleren en werd dat ook gedaan? Zo ja, hoe vaak per jaar werd een bedrijf gemiddeld gecontroleerd? Zo nee, hoe zat het dan?

Antwoord

Voor bedrijven die in aanmerking willen komen voor een reductie van de emissie, is een minimum aantal uren vastgelegd, zoals omschreven in het antwoord op vraag 24. Bevoegd gezag voor het toezicht op de naleving van de eisen van het Besluit emissie-arme huisvesting zijn over het algemeen de gemeenten, voor het toezicht op de naleving van de Natura 2000-vergunningplicht over het algemeen de provincies. De eis van minimaal 720 uren beweiding sluit aan bij vereisten vanuit de zuivelindustrie voor weidemelk. Ook vanuit de zuivelindustrie wordt gecontroleerd of er beweid wordt. Een boer die beweidt, geeft aan de zuivelindustrie door welke dagen en hoeveel er beweid is.

28

Klopt het dat bij industriële bedrijven ook de stikstofemissies van het transport van en naar het bedrijf meegenomen worden binnen de vergunningplicht? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Alle relevante stikstofbronnen dienen opgenomen te zijn in de vergunning, voor zover die onlosmakelijk verbonden zijn met en te herleiden tot de activiteiten binnen het project. Transport kan bij industriële bedrijven hier één van zijn.

29

Klopt het dat de emissies van transport niet meegeteld worden bij landbouwbedrijven? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Dit verschilt per provincie. Het is niet algemeen gangbaar om transport op te nemen in een agrarische vergunning. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de daarbij behorende transportbewegingen is dit al dan niet onderdeel van de vergunning. Provincies zijn bevoegd gezag voor het verlenen van deze vergunningen.

30

Wat is de reden voor het onderscheid tussen industriële en landbouwbedrijven?

Antwoord

Het onderscheid hangt direct samen met de beoordeling die door het bevoegd gezag wordt gemaakt ten aanzien van de activiteiten die onlosmakelijk met elkaar één project vormen. Deze kan per provincie verschillen, zoals geformuleerd in het antwoord op vraag 29.

31

Klopt het dat de bemestingsemissies sinds de referentiedatum van 2004 zijn afgenomen? Zo ja, is daar onderzoek naar gedaan en kunt u de resultaten daarvan delen?

Antwoord

Het klopt dat de bemestingsemissies ten opzichte van 2004 zijn afgenomen, zowel voor kunstmest als dierlijke mest. Dit blijkt uit cijfers van het RIVM/Emissieregistratie.nl. Waar in 2004 de ammoniakemissie uit het aanwenden van mest nog 50 kton NH3 betrof, was dit in 2017 40 kton NH3. Dit zijn de meest recente gegevens. Daarbij zijn de jaarlijkse waarden in de tussentijd nooit boven de 50 kton NH3 zijn geweest. Overigens is de referentiedatum niet voor alle Natura 2000-gebieden gelijk: die kan ook eerder of later zijn dan 2004. De Europese referentiedatum is voor Habitatrichtlijngebieden de datum waarop de Europese Commissie de gebieden heeft geplaatst op de communautaire lijst in de zin van art. 4 van de Habitatrichtlijn (7 december 2004), of later, als het gaat om een nieuw gebied dat later is geplaats op de communautaire lijst. Die referentiedatum is voor Vogelrichtlijngebieden op z’n vroegst 10 juni 1994 (de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn ook op Vogelrichtlijngebieden van toepassing werd), of later als het gebied later nationaal is aangewezen. Op dat moment was de ammoniakemissie nog hoger, te weten 115 kton NH3.

32

Klopt het dat voor een vrijstelling van de vergunningplicht (wat betreft bemesting) volgens de Habitatrichtlijn niet uitgegaan mag worden van gemiddelde emissiecijfers, maar dat per activiteit vast moet staan dat de emissie sinds 2004 afgenomen is? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Nee, beweiden is onlosmakelijk onderdeel van het oprichten, exploiteren of uitbreiden van een melkveehouderijbedrijf en dus geen zelfstandig project. Een passende beoordeling moet worden gemaakt voor het gehele project, als tenminste sprake is van een project dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als al sprake is van een vergunning van een stal en als de depositie die veroorzaakt kan worden door het houden van vee in de stallen én in de wei tezamen, niet leidt tot een toename ten opzichte van de depositie die uit de reeds vergunde stal kan plaatsvinden, behoeft geen aangepaste vergunning te worden verleend in verband met het beweiden.

33

Klopt het dat uit de jurisprudentie in uitspraak 201211640/1/R2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 13 november 2013 blijkt dat op het moment dat de bemestingsregel aangescherpt worden, er sprake is van een nieuwe referentiedatum en dat de referentiedatum van 2004 dan komt te vervallen? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Dat klopt. Er zal in die situatie bij de bepaling van de stikstofdepositie inderdaad moeten worden uitgegaan van de aangescherpte bemestingsnorm.

34

Klopt het dat het Adviescollege Stikstofproblematiek als uitgangspunt neemt dat wanneer de stikstofdepositie daalt, er op voorhand geen significante effecten op kunnen treden door een nieuwe activiteit?

Antwoord

Het Adviescollege stikstofproblematiek velt een oordeel over reeds bestaande activiteiten, waarvan individueel bezien de stikstofdepositie afneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Het Adviescollege doet geen algemene uitspraken over de toelaatbaarheid van nieuwe activiteiten in het licht van een dalende stikstofdepositie.

35

Klopt het dat dit in feite uitgaat van de standstillsituatie (zolang de depositie niet toeneemt is het goed)? Zo nee, wat is dan het uitgangspunt van het Adviescollege Stikstofproblematiek?

Antwoord

Nee, het uitgangspunt van het Adviescollege Stikstofproblematiek is dat reductie van emissies en van deposities en natuurherstel nodig zijn.

36

Klopt het dat er in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op is gewezen dat een standstill niet volstaat voor veel Natura 2000- gebieden, omdat stikstof zich ophoopt zolang de kritische depositiewaarde overschreden wordt en dat er dus een forse reductie nodig is? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Daar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen uitspraak over gedaan. In tegendeel, de Raad van State verwijst in haar uitspraak van 29 mei 2019 over het programma aanpak stikstof 2015-2021 (ECLI:NL;RVS:2019:1604) op de mogelijkheid van extern salderen overeenkomstig haar jurisprudentie van voor de invoering van het programma aanpak stikstof. Daarbij word uitgegaan van standstill ten opzichte van de bestaande legale situatie. Daarnaast volgt ook uit andere jurisprudentie van de Raad van State dat als geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, significante effecten kunnen worden uitgesloten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, r.o. 6.1.

Dat laat onverlet dat voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen een verdere daling van de stikstofdepositie noodzakelijk is. Het kabinet heeft daarvoor al maatregelen aangekondigd, vooruitlopend op de lange termijn aanpak waarover het Adviescollege stikstofproblematiek in mei van dit jaar advies uitbrengt.

37

Klopt het dat een significant effect van welke stikstofemissie dan ook, niet op voorhand uitgesloten kan worden zolang de kritische depositiewaardes van zo veel Natura 2000-gebieden overschreden worden? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Zoals aangegeven bij vraag 36 bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 29 mei jl. de mogelijkheid van extern salderen waarbij voor vergunningverlening wordt uitgegaan van standstill ten opzichte van de bestaande legale situatie. Daarnaast volgt ook uit andere jurisprudentie van de Raad van State dat als er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, significante effecten kunnen worden uitgesloten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, r.o. 6.1.

38

Klopt het dat er een concreet plan van maatregelen moet liggen waaruit met zekerheid blijkt dat gunstige staten van instandhouding bereikt zullen worden, voordat de vergunningplicht van een categorie activiteiten (zoals bemesten) kan komen te vervallen? Zo nee, hoe zit het dan?

Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 blijkt uit de jurisprudentie dat een categorale uitzondering van de vergunningplicht voor activiteiten waarvoor niet eerder toestemming is verleend op een voorwaarde mogelijk is. Op grond van objectieve omstandigheden moet met zekerheid worden uitgesloten dat die projecten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een of meer Natura 2000-gebieden. Als dat niet kan worden uitgesloten, dan geldt een vergunningplicht. Er kan dan alleen vergunning worden verleend als op basis van een passende beoordeling met zekerheid is vastgesteld dat het project de natuurlijke kenmerken van geen van de Natura 2000-gebieden aantast. Bij die passende beoordeling kunnen de positieve gevolgen van specifieke beschermingsmaatregelen worden betrokken die rechtstreeks of via een programma aan het project zijn verbonden. Verder is het inderdaad zo dat als eenmaal een gunstige staat voor een gebied is bereikt, aangenomen kan worden dat projecten minder snel een significant effect hebben en dus minder snel vergunningplichtig zijn.

Download hier alle vragen en antwoorden.

Artikel delen