Minister Ollongren ( BZK) biedt de antwoorden op de schriftelijke Kamervragen van de commissie Binnenlandse Zaken over de brief van 23 april 2020 over regie en keuzes in het nationaal omgevingsbeleid (NOVI).

Hierbij zend ik u de antwoorden op de schriftelijke Kamervragen van de commissie Binnenlandse Zaken over de brief van 23 april 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 34682, nr. 48) over regie en keuzes in het nationaal omgevingsbeleid (NOVI). De beantwoording is mede namens de ministers van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de staatssecretarissen van IenW, VWS en Defensie (Def).
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
drs. K.H. Ollongren
Allereerst wil ik uw Kamer bedanken voor uw vragen gesteld over mijn brief van 23 april 2020 over regie en keuzes in het nationaal omgevingsbeleid. In deze beantwoording heb ik gekozen om de vragen per fractie te beantwoorden.
Meerdere fracties hebben dezelfde vragen. Daarom heb ik de vragen onderverdeeld in clusters en genummerd, zo kan ik naar gegeven antwoorden verwijzen.
1
De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom de brief zo lang op zich heeft laten wachten.
De brief is een aanvulling en aanscherping op de ontwerp NOVI. Deze zijn gemaakt op basis van onder andere het Algemeen Overleg over de NOVI en ook de zienswijzen (234 zienswijzen en ruim 1800 deelvragen) die zijn binnengekomen op de ontwerp NOVI. Een gedegen en serieuze verwerking daarvan wilde het kabinet niet lichtvaardig nemen. De onderwerpen en de uiteindelijke keuzes die in de brief beschreven staan zijn gewichtige keuzes die goede afstemming met andere overheden en de betrokken departementen vergde. Ook is reactie op de inhoud van de brief gevraagd aan experts uit het beleidsveld. Dit proces kostte tijd.
De leden van de VVD hadden verwacht dat de Uitvoeringsagenda bij de NOVI zou worden meegestuurd met de Kamerbrief. Ze vragen waarom dit niet is gebeurd, waarom de Kamer hier niet over is geïnformeerd en hoe het traject en een debat over de Uitvoeringsagenda nu vorm zal krijgen.
Het kabinet is van mening dat de Uitvoeringsagenda in samenhang met de NOVI bezien moet worden: de NOVI bevat de visie en de hoofdlijnen van de keuzen, de Uitvoeringagenda de wijze waarop het kabinet hier uitvoering aan wil geven.
Zonder de inhoud kan de wijze van uitvoering niet goed worden beoordeeld. Het kabinet zal de definitieve NOVI en de Uitvoeringagenda tegelijk aan uw Kamer aanbieden en daarna ga ik graag met u in debat over de stukken. Door uw Kamer gewenste aanpassingen kunnen dan nog worden doorgevoerd.
2
De leden van de VVD-fractie vragen om nadere concretisering van regie en keuzen zoals beschreven in de brief en geven aan in te stemmen met de wijze waarop het kabinet dat wil doen, namelijk het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat.
De oplopende druk op de fysieke leefomgeving vraagt om scherpe en fundamentele keuzes en meer regie vanuit het Rijk om richting te geven aan de fysieke inrichting van Nederland. In onze sturingsfilosofie betekent dat niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden, maar wel het actief geven van richting op grote opgaven en het regisseren van een goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. Dat leggen wij vast in de NOVI en in de
Uitvoeringsagenda. Het verheugt het kabinet dat de VVD-fractie de wijze ondersteunt waarop het kabinet regie wil nemen en richting wil geven.
Na vaststelling van de NOVI is het cruciaal dat de meer geïntegreerde werkwijze en samenwerking concrete uitvoering krijgt onder andere door dit vorm te geven in de Omgevingsagenda’s, NOVI-gebieden en in programma’s die zijn aangekondigd. Het uitgangspunt van de NOVI is dat we als overheden samen - met de samenleving - aan de lat staan voor de uitvoering van de NOVI.
De keuzen in de NOVI worden in Omgevingsagenda’s geconcretiseerd in een aanpak waar Rijk en regio elkaar nodig hebben in de uitvoering.
Waar het Rijk zelf aan zet is geven we uitvoering aan de NOVI door de inzet van algemene rijksregels, de inzet van bestaande financiële middelen, kennisontwikkeling en het maken van bestuurlijke afspraken over de uitvoering met andere overheden en partijen. Nadere uitwerkingen, inclusief de financiering daarvan, vinden plaats in het kader van relevante programma’s, die in de Uitvoeringsagenda zijn opgenomen.
In de Uitvoeringsagenda zullen wij aangeven met welk arrangement en met welke mix van instrumenten wij beleidskeuzen uitwerken en uitvoeren.
Ik begrijp dat de VVD fractie al sneller meer concrete keuzes had verwacht. Ik teken daarbij aan dat de vraagstukken groot en complex zijn en met de NOVI niet in één keer kunnen worden opgelost. Betrokkenheid van partijen, zorgvuldige uitwerking in de Omgevingsagenda’s en programma’s, dat alles is nodig om Nederland sterker te maken en als Rijksoverheid weer prominent met de ruimtelijke inrichting van ons land bezig te zijn.
3
De leden van de VVD hebben vragen over de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland.
De NOVI gaat voor de woningbouw uit van vraagvolgend beleid. Daar waar woningen nodig zijn, moeten deze in het gewenste tempo en met de noodzakelijke kwaliteiten gebouwd worden, bij voorkeur nabij bestaande OV- knooppunten. We zien een ontwikkeling in de verstedelijking die in de NOVI heeft geleid tot het benoemen van het Stedelijk Netwerk Nederland. Op de verdere ontwikkeling daarvan zal ook gestuurd worden door het mobiliteitsconcept, met name langs de lijnen van de Toekomstagenda OV. In de Omgevingsagenda’s en de (toekomstige) afspraken in het MIRT krijgt dit concreet invulling.
De VVD vraagt verder naar de Regionale Investeringsagenda’s (RIA’s), een privaat-publiek initiatief van de NOVI-alliantie onder aanvoering van de NEPROM1.
1 Naast de NEPROM nemen aan de NOVI-alliantie deel: de grote en middelgrote steden (G40), Rover, Staatsbosbeheer, VNO-NCW, NS, TU-Delft.
De RIA’s passen heel goed in onze wens om tot geïntegreerde gebiedsontwikkelingen te komen met een gecoördineerde inzet van publieke en private investeringen. De regionale investeringsagenda kan een goed instrument zijn om invulling te geven aan onderdelen van de Omgevingsagenda voor verstedelijking. In vijf regio’s2 wordt als pilot nu door betrokken partijen een regionale investeringsagenda opgesteld om dit instrument verder te ontwikkelen en te verfijnen. De RIA’s zullen in de Omgevingsagenda’s worden opgenomen, wanneer hun ontwikkeling is afgerond.
De VVD fractie vraagt verder naar het geheel van agenda’s en onderdelen van de NOVI, inclusief de verhouding met de RES’en.
Ik doe daarvoor een beroep op uw geduld. De Uitvoeringsagenda zal dit overzicht bevatten. Daar nu (deels) op ingaan werkt verwarrend, dus ik verwijs u naar het uitkomen van de Uitvoeringsagenda, gelijktijdig met de tekst van de NOVI zelf.
De leden van de VVD vragen ook naar de kwalitatieve sturing op de woonopgave, zowel voor het bestaande als voor uitbreiding.
Leefomgevingskwaliteit is een kernbegrip in de NOVI. Het gaat niet alleen om sturing op aantallen. Er moet gestuurd worden op de juiste samenstelling van de woningvoorraad en kwaliteit van de woonomgeving (veiligheid, leefbaarheid/ gezondheid en bereikbaarheid). Dat geldt zowel binnen het bestaand stedelijk gebied als bij een uitbreiding ervan. Verder verwijs ik naar de voorkeursvolgorde die in de NOVI-brief is opgenomen.
4
De leden van de VVD zijn content met de sturing van het Rijk op de (nieuwe) vestiging van distributiecentra. Ze vragen zich af welke plek deze afspraken krijgen bij concrete besluitvorming.
Het Rijk werkt met provincies en gemeenten aan een gecoördineerde strategie voor de vestiging van clusters van distributiecentra. Deze is als voorkeursaanpak toegelicht in de NOVI, maar wordt (vooralsnog) niet juridisch vastgelegd zoals de Ladder duurzame verstedelijking. Concentratie op bestaande terreinen en vervolgens op knooppunten langs (inter)nationale corridors kan voor de bedrijven zelf economisch verstandig zijn en spaart het landschap. De behoeftebepaling is het startpunt. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft het voortouw genomen om in samenwerking met provincies de uitgangspunten voor deze behoefteraming aan bedrijventerreinen te bepalen. Provincies en Rijk zullen vervolgens gezamenlijk de geschikte locaties benoemen en waar nodig hierover afspraken maken in de Omgevingsagenda’s. De Omgevingsagenda’s vormen de basis voor afspraken van Rijk en regio hoe deze opgave in samenhang met andere opgaven kan worden opgepakt. Als in de uitvoeringspraktijk behoefte
2 De regio’s Noord-Holland boven Noordzeekanaal, Breda-Tilburg, Arnhem-Nijmegen, Eindhoven , Haaglanden.
blijkt te ontstaan aan aanvullende afspraken of regels dan wordt tegen die tijd verkend hoe dit gestalte te geven.
De VVD-fractie vindt het stimuleren van zonnepanelen op daken een goede zaak. Maar vragen zich af waarom een verplichting wordt opgelegd aan eigenaren van loodsen en distributiecentra.
Gemeenten krijgen de bevoegdheid om het duurzaam gebruik van daken van gebouwen die niet al onder de landelijke energieprestatie-eisen vallen te verplichten, omdat bijvoorbeeld distributiecentra een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de tijdige transitie naar CO2-arme energiebronnen.
De genoemde voorgenomen wijziging in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is het resultaat van de uitwerking van de motie Dik Faber c.s. (Kamerstukken II, 2018-2019, 32 813, nr. 204). Deze motie vroeg naast het opstellen van een zonneladder ook om zo nodig aanpassen van regelingen die belemmerend werken. Daar wordt met de genoemde wijziging van het Bbl met lokale maatwerkmogelijkheden invulling aan gegeven. De vraag of de inzet van verplichtingen noodzakelijk en proportioneel is, moet vervolgens altijd lokaal beantwoord worden. Wanneer hier regels over worden opgenomen in het omgevingsplan wordt dit vooraf gegaan door participatie en inspraak van betrokken burgers en bedrijven.
5
De leden van de VVD-fractie vragen de minister hoe in de NOVI de ruimte voor kernenergie wordt geborgd.
Als uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie wordt het Programma Energiehoofdstructuur opgesteld voor de ruimtelijke planning van nationale hoofdstructuur voor energie. De klimaatneutrale energiescenario’s (incl. de ruimtelijke doorvertaling) zijn een belangrijke bouwsteen voor dit programma.
Het Besluit algemene regels Ruimtelijke Ordening (onder de Omgevingswet gaat dit op in het Besluit kwaliteit leefomgeving) bevat waarborgen voor ruimte voor elektriciteitsopwekking via kernenergiecentrales. Het Programma Energiehoofdstructuur zal dit beleid actualiseren en daarmee nagaan of er voldoende ruimte is voor eventuele kernenergiecentrales in de toekomst.
6
De VVD-fractie onderstreept dat vrijkomende bebouwing in sommige regio’s een grote opgave is. De fractie vraagt zich af hoe wordt bepaald of gebouwen een beeldbepalende erfgoedwaarde hebben, en hoe wordt gezorgd dat gebouwen wellicht niet gesloopt worden, maar wel een invulling krijgen die past bij het gebouw, de omgeving, het landschap en de economie in die betreffende regio. En vragen de minister te schetsen welke afspraken er zijn tussen de nationale, provinciale en lokale overheden ten aanzien van de aanpak van erfgoed.
De overheden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het behoud van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Dit gebeurt onder meer door het op basis van criteria aanwijzen van rijksmonumenten, provinciale monumenten en gemeentelijke monumenten, of beschermde stads- en dorpsgezichten. Voor (agrarische) gebouwen met een monumentenstatus en/of in een beschermd
stads- of dorpsgezicht bestaat een adequaat vergunningstelsel voor wijziging of sloop en daarnaast diverse financiële regelingen voor onder andere instandhouding en herbestemming. Verder kunnen gemeenten bepalen welke gebouwen binnen hun gemeentegrenzen beeldbepalende zijn en daar een vergunningstelsel aan koppelen, zodat ze niet zomaar kunnen worden gesloopt. Sommige provincies bieden ondersteuning aan gemeenten bij het maken van beleid op dit vlak.
Waar het gaat om het functiebehoud van historische boerderijen of om de herbestemming ervan spelen vele factoren een rol. Gemeenten kunnen op herbestemming sturen via het bestemmingsplan en straks, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, met het omgevingsplan. Waar het gaat om een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie kunnen zij regels stellen met het oog op het behoud of de herbestemming van historische boerderijen.
Ook gebeurt er veel op het gebied van draagvlakbevordering, kennis en advies, door onder meer de regionale welstands- en monumentenorganisaties, de provinciale steunpunten cultureel erfgoed, de landelijke stichting Agrarisch Erfgoed Nederland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
In de NOVI is aangegeven dat Rijk en regio’s samen uitwerken hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap. Dit wordt verbonden met het Nationaal Programma Landelijk gebied. Per gebied wordt bekeken of bebouwing en grond gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld natuur, agrarisch natuurbeheer, woningbouw, energie, provinciale ruimte-voor-ruimteregeling of grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven.
De aandacht voor bodemdaling in veenweidegebieden is naar de mening van de leden van de VVD-fractie een goede zaak. De leden vragen of de regie meer bij de provincies of bij het Rijk ligt, en of de minister kan aangeven hoe de aandacht voor deze gebieden en het fysieke ruimtebeslag vertaald worden in de NOVI.
In de NOVI wordt de ontwikkelrichting van de Veenweidegebieden globaal geschetst, met als vertrekpunt de afspraken die zijn gemaakt in het Klimaatakkoord. Hierin is een CO2-reductiedoel voor veenweidegebieden afgesproken van 1 megaton in 2030. De problematiek van CO2-uitstoor en bodemdaling in veenweidegebieden hangt in belangrijke mate af van de karakteristieken van de regionale bodem- en watersysteem. De mogelijkheden om op een kosteneffectieve manier met bodemdaling om te gaan, verschillen van gebied tot gebied.
Daarom worden de Regionale veenweidestrategieën onder regie van de provincies opgesteld in overleg met gebiedspartijen. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) coördineert dit. Deze strategieën zullen realistisch zicht moeten geven op de benodigde maatregelen en het draagvlak daarvoor in de gebieden. Wel is het uitgangspunt dat in samenwerking met de mensen die wonen en werken in de gebieden. Samen met provincies gaat het Rijk hierop sturen, waarbij per polder zal worden bekeken welke maatregelen wenselijk en mogelijk zijn.
7
De leden van de VVD-fractie vragen of het aangekondigde Programma Energie Hoofdstructuur ook een programma onder de NOVI is, en zo ja, kan de minister dit programma meenemen in het door de leden van de VVD-fractie gevraagde overzicht?
Het Programma Energiehoofdstructuur is een programma in de terminologie van de Omgevingswet en kan gezien worden als meer gedetailleerde uitwerking van de NOVI. Dit staat ook aangegeven in de Kamerbrief (en startnotitie) van 20 mei jl. over de afbakening van dit programma (Kamerstukken 2019/20, 31 239, nr. 317). Dit programma wordt opgenomen in de uitvoeringsagenda van de NOVI.
Met betrekking tot het planningsoverzicht verwijs ik u naar vraag 9.
8
De leden van de VVD-fractie vragen of hun constatering klopt dat een gebied het meeste kans heeft om NOVI-gebied te worden als er sprake is van agglomeratie voordelen. Ook vragen zij naar de kansen die bestaande economische clusters hebben om aangewezen te worden als NOVI-gebied. Zij noemen daar de regio’s Zuid Limburg Zuid-Oost-Brabant.
Allereerst wil ik graag in algemene zin toelichting geven op de selectie van NOVI- gebieden, omdat ook andere fractie daarover vragen hebben gesteld. Gelijktijdig met de vaststelling van de NOVI, zal het kabinet een aantal ‘voorlopige NOVI- gebieden’ aanwijzen. Deze gebieden zijn geselecteerd op basis van voorstellen vanuit de mede-overheden. Voor die gebieden zal vervolgens een plan van aanpak worden opgesteld dan wel een bestaand plan worden aangevuld en aangepast. Op basis van dat plan zal de definitieve aanwijzing uiterlijk volgend voorjaar, maar zo mogelijk al dit najaar, plaatsvinden. In de recent gehouden bestuurlijke overleggen leefomgeving is de selectie van de voorlopige NOVI- gebieden besproken met de verschillende landsdelen.
In NOVI-gebieden willen wij op basis van gezamenlijk bestuurlijk commitment om vraagstukken integraal aan te pakken, komen tot: stroomlijning van de Rijksinzet, verheldering / vereenvoudiging van de governance en aansturing, extra status, zichtbaarheid en aandacht, langjarig commitment Rijk (en regio), zo nodig extra ruimte in regels / kaders (en kennisdelen) en mogelijk gerichte inzet vanuit ‘Rijksinstellingen’ als PBL en Cra (College van Rijksadviseurs).
De afgelopen maanden is op basis van een zestal criteria en vier aandachtspunten gekeken naar de door de decentrale overheden aangeleverde voorstellen. Het gaat daarbij wat betreft criteria om:
integraliteit van de opgave en relatie tot de NOVI-transities
mate waarin de opgave essentieel is voor de (brede welvaart van) NL en de in de NOVI gedefinieerde nationale belangen (c.q. omvang, impact, ‘context’ van de opgave)
Noodzaak om verder te denken (en te doen) dan de bestaande kaders
Toegevoegde waarde aan lopende trajecten (van Rijk en regio)
Noodzaak van gezamenlijk optrekken Rijk-regio
Schakel naar (en eventueel zicht op) concrete uitvoering
Vervolgens is expliciet gekeken naar een viertal aandachtspunten: de geografische balans over ons land en de betrokkenheid van decentrale bestuurders, de inhoudelijke balans in relatie tot de opgaven in de NOVI, de betrokkenheid van verschillende bewindslieden en een check op het dubbelen met en mogelijk bemoeilijken van lopende trajecten. Rijk en regio hebben in een aantal gebieden immers al dermate veel in gang gezet dat de toegevoegde waarde van het zijn van NOVI-gebied daar zeer beperkt zou zijn, mogelijk zelfs averechts zou werken, zou dubbelen met die lopende inzet en de governance zou kunnen bemoeilijken.
In de bestuurlijke overleggen leefomgeving is ook stil gestaan bij de door regio’s voorgestelde gebieden die geen plek in bovenstaande selectie hebben gekregen. Concreet waren dit vooral de voorstellen voor Den Helder/Noordkop, Foodvalley Arnhem-Nijmegen, de Metropoolregio Utrecht, en de steden Den Haag en Eindhoven. Voor al deze gebieden geldt dat we er al initiatieven ontplooien.
Daarmee worden de gebieden goed en op een geïntegreerde wijze bediend. Voor Utrecht, en in mindere mate ook voor Eindhoven en Den Haag, geldt zelfs dat we al zoveel gezamenlijke initiatieven hebben en dermate veel inzet plegen, dat het toevoegen van de categorie NOVI-gebied daar eerder zou kunnen compliceren dan dat het zou kunnen bijdragen aan het halen van de doelstellingen. Zo werken we er aan bereikbaarheidsprogramma’s, regiodeals en woondeals, aan de erfgoeddeal, lopen er diverse MIRT-onderzoeken en –verkenningen en werken we er aan verstedelijkingsstrategieën. Dat maakt deze gebieden in zekere zin NOVI- gebieden ‘avant la lettre’. Dat geldt zeker voor de Metropoolregio Utrecht. Dat deze gebieden nu geen NOVI-gebied worden, wil dus niet zeggen dat de betrokkenheid vanuit het Rijk verslapt. We blijven ons hier met volle kracht inzetten.
Voor de daadwerkelijke ‘voorlopige NOVI-gebieden’ denkt het kabinet momenteel aan acht gebieden:
Transitie haven Rotterdam
Transitie haven Amsterdam / Noordzeekanaalgebied
Transitie De Peel
Transitie Groene Hart
Nationaal Programma Groningen
Klimaatbestendige verstedelijking Zwolle e.o.
Zuid-Limburg in grensoverschrijdende context
De Zeeuwse havens en de Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone in grensoverschrijdende context
Voor Zuid-Limburg gaat het hierbij primair om de transitie van Chemelot van lineaire (en fossiele) naar circulaire (en niet-fossiele) productie, grensoverschrijdende bereikbaarheid en fysieke opgaven die te maken hebben met bevolkingsdaling.
De VVD-fractie vraagt ten aanzien van Chemelot hoe de vorderingen zijn met de inpassing van tracés voor buisleidingen.
In de MIRT-brief van 19 juni jl. is aangegeven welke stappen worden gezet ten aanzien van de bereikbaarheid van het chemie-cluster Chemelot. Er wordt binnenkort een haalbaarheidsonderzoek gestart naar alternatieven voor vervoer van enkele gevaarlijke stoffen via een buisleidingentraject tussen de haven van Rotterdam en het chemische Cluster Chemelot. Er wordt een haalbaarheidsonderzoek gestart naar het vervoer van enkele gevaarlijke stoffen via een buisleidingentraject tussen de haven van Rotterdam en het chemische cluster Chemelot. Het haalbaarheidsonderzoek dient, als basis voor de investeringsbereidheid van stakeholders, ook in te gaan op de meerwaarde van een buisleidingtraject in de zin van de maatschappelijke kosten en baten en omgevingseffecten en de eventuele meekoppelkansen voor het transport van duurzame energie in verband met de benodigde verduurzaming van cluster Chemelot.
9
De VVD-fractie vraagt om een planningsoverzicht van de NOVI en de Uitvoeringsagenda, in relatie tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De fractie vraagt ook in te zetten om de vertraging van inwerkingtreding van de Omgevingswet minimaal te laten zijn en om het Koninklijk Besluit in het najaar voor te hangen.
In antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet kan ik bevestigen dat het de gezamenlijke inzet van Rijk, provincies en gemeenten is om de Omgevingswet per 1 januari 2022 in werking te laten treden. Dat is een termijn die recht doet aan een zorgvuldige invoering en een helder perspectief biedt voor overheden die al volop aan de slag zijn. Ik heb het parlement daarover op 20 mei jl. bericht (Kamerstukken II, 2019/20, 33 118, nr. 145). Verder kan ik bevestigen dat het ontwerp van het inwerkingtredings-KB bij beide Kamers zal worden voorgehangen. Het is mijn voornemen om dat dit najaar te doen, zodat er voor de uitvoeringspraktijk definitief duidelijkheid ontstaat over moment van invoering.
Een voorwaarde daarvoor is dat de Afdeling advisering van de Raad van State de adviezen over het invoeringsbesluit en de aanvullingsbesluiten heeft uitgebracht.
Ik ben voornemens de definitieve NOVI, inclusief de Uitvoeringsagenda zo kort mogelijk na het zomerreces aan uw Kamer te sturen. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de nationale omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De procedure die wordt gevolgd tot vaststelling van de NOVI is de procedure voor de vaststelling van een structuurvisie van het Rijk, conform de regels van de Wro en conform de motie Ronnes (Kamerstuk 34 682, nr. 36). Dit betekent dat na vaststelling van de definitieve NOVI en verzending aan de Staten-Generaal de nahangprocedure begint, waarbij de Kamers kunnen aangeven of zij nog met de minister in het openbaar willen beraadslagen over de visie (en wijzigingen kunnen voorstellen), voordat met de uitvoering begonnen kan worden. Ondanks dat de NOVI nog niet formeel is vastgesteld, verkennen we al wel de inrichting van belangrijke Nationale Programma’s zoals die voor de Energie Hoofdstructuur en het Landelijk Gebied (zie vraag 7).
Zoals ik hierboven al heb aangegeven ga ik graag met uw Kamer in gesprek, waarbij ik het u in overweging geef een inhoudelijk debat gelijktijdig over deze antwoorden op de vragen uit het Schriftelijk Overleg en over de definitieve NOVI, uitvoeringsagenda en de andere bijlagen te houden.
10
De leden van de CDA-fractie kunnen in hoofdlijnen instemmen met de gekozen lijn om provincies en rijk samen geschikte locaties te laten benoemen voor nieuwe distributiecentra en de benoemde inpassingsstrategie. Ze maken daarbij wel het voorbehoud dat dit niet moet leiden tot extra procedures.
Om de landschappelijke impact van de vestiging van clusters van distributiecentra te beperken acht het kabinet, ook gelet op het belang voor onze economie, meer sturing en regie nodig via de aangekondigde gecoördineerde strategie. Het ministerie van EZK heeft het voortouw genomen om samen met provincies en het logistieke bedrijfsleven de uitgangspunten voor de behoefteraming aan bedrijventerreinen te bepalen. Bij deze raming komen ook de mogelijke gevolgen van de coronacrisis aan de orde. In lijn met de bestaande afspraken zullen provincies en Rijk vervolgens gezamenlijk de geschikte locaties benoemen en waar nodig hierover afspraken maken in de Omgevingsagenda’s. Daarmee sluiten we aan op bestaande processen.
11
De leden van de CDA-fractie onderschrijven de wijze waarop het rijk regie wil nemen, maar vragen zich af of (economische) ontwikkeling van de leefomgeving samen kan gaan met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit.
Het verheugt het kabinet dat de CDA-fractie de wijze waarop het kabinet regie wil nemen en richting wil geven ondersteunt. Het kabinet is het met de leden eens dat ‘the proof of the pudding, is in the eating’. Vandaar dat het kabinet met de NOVI een uitgebreide Uitvoeringsagenda mee zal sturen, zodat uw Kamer kan zien hoe het kabinet regie wil nemen en zijn woorden waar wil maken. In de te maken keuzes zullen we elkaar, zowel publiek als privaat, scherp moeten houden om ambities voor een mooier en beter Nederland waar te maken. Op onderdelen zullen scherpe dilemma’s bloot komen te liggen. Het debat daarover ziet het Kabinet als waardevol. Dit debat is de afgelopen jaren onvoldoende intensief en lang niet altijd over alle samenhangende thema’s gevoerd.
12
De CDA fractie vraagt naar de prioriteit in de NOVI voor voldoende volkshuisvesting.
Daarop wil ik antwoorden dat ik absoluut een zeer hoge prioriteit toeken aan de volkshuisvesting. Ik voel mij daarin gesteund door het hele kabinet. In mijn brieven over het Versnellen van de aanpak van het woningtekort (Kamerstukken 2019/20, 32847, nr.612) en over Regie en keuzes in het nationaal omgevingsbeleid (Kamerstukken 2019/20, 34 682, nr. 48) heb ik de lijnen uitgezet voor een concrete aanpak voor het terugdringen van het woningtekort, zowel kwantitatief als kwalitatief en met aandacht voor de betaalbaarheid. De woningbouw is een grote opgave en een zeer belangrijk element voor de ontwikkeling tot sterke en gezonde steden. In de NOVI-brief is er om die reden ook een scherpe aanpak opgenomen. Dit wordt verwerkt in de definitieve NOVI. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie Ronnes (Kamerstukken II, 2018/19, 34 682, nr. 18).
In het debat over de Ontwerp NOVI in de Tweede Kamer in november 2019 en in aansluiting daarop in de Bestuurlijke Overleggen MIRT van november 2019 is door de toenmalige minister voor Milieu en Wonen aangegeven dat de ronde voorjaars-BO’s MIRT meer in het teken komt te staan van de uitvoering van de NOVI onder een nieuwe naam: de Bestuurlijke overleggen leefomgeving. Deze zijn gehouden in juni 2020 en over de uitkomsten is uw Kamer op 25 juni geïnformeerd. Aanleiding voor deze verbreding van het Bestuurlijk Overleg is dat de transitieopgaven zoals genoemd in de NOVI om een bredere afweging en aanpak vragen, waaronder de (versnelling van de) woningbouw. Belangrijk onderdeel van de agenda van deze Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving vormt de uitwerking van de regionale verstedelijkingsstrategieën. In deze strategieën wordt door regio en Rijk samen in lijn met de nationale verstedelijkingsstrategie uit de NOVI een gezamenlijke strategie opgesteld voor realisatie van voldoende woningen, werklocaties en voorzieningen in het juiste tempo, dit in relatie tot bereikbaarheid en andere opgaven zoals de kwaliteit van het landschap, energietransitie en klimaatadaptatie. De grenzen van de financiële mogelijkheden, ook van het Rijk, zijn daarbij bepalend voor de keuzes die momenteel kunnen worden gemaakt.
De CDA fractie vraagt naar het sturingsconcept, specifiek voor de woningbouwopgave.
In algemene zin heb ik daar onder 2 al op geantwoord. Ik ben het met de CDA- fractie eens dat de huidige staat van de woningbouw met nadruk vraagt om een sterke regisserende rol van de Rijksoverheid. Ik pak die rol ook, binnen de verdeling van verantwoordelijkheden zoals we die hebben. Maar ook binnen die verdeling kan het Rijk veel actiever zijn dan de afgelopen jaren, met name rond het rondkrijgen van de benodigde locaties.
14
De leden van de D’66-fractie betreuren dat de brief geen compleet beeld geeft van de geplande uitvoering van de NOVI en vragen of de uitvoeringsagenda eerder dan de definitieve NOVI met de Kamer gedeeld kan worden. Daarnaast menen de leden van de D’66-fractie de integrale visie in de brief ontbreekt hoe gewaarborgd wordt dat de NOVI een duidelijke integrale visie uitstraalt waar vanuit keuzes gemaakt worden.
Het kabinet onderschrijft dat de brief niet het complete beeld geeft van NOVI noch van de geplande uitvoering. De brief moet gelezen worden als een aanvulling op en aanscherping van de Ontwerp NOVI. De brief zal verwerkt worden in de definitieve NOVI en de Uitvoeringsagenda.
Het kabinet is van mening dat de Uitvoeringsagenda in combinatie met de NOVI bezien moet worden: de NOVI bevat de visie en de hoofdlijnen van de keuzen, de Uitvoeringagenda de wijze waarop het kabinet uitvoering wil geven aan die keuzen. Het kabinet zal de NOVI en de Uitvoeringagenda tegelijk aan uw Kamer aanbieden. Zie ook het antwoord onder 1.
15
De D66-fractie stellen vragen naar de selectiecriteria voor de NOVI-gebieden. Zij zien dat alle drie mainports van Nederland ingrijpende transities te wachten staat, maar dat Eindhoven geen NOVI-gebied lijkt te worden en de andere mainports wel. Zij vragen daarop toelichting.
Bij vraag 8 van de VVD-fractie over NOVI-gebieden heb ik toelichting gegeven op de selectie van NOVI-gebieden. En daarbij ook het goede voorbeeld van Eindhoven benoemd. Voor Eindhoven is de Nationale Brainport Actieagenda opgezet waarmee Rijk en regio actief werken aan het verder benutten en vergroten van de kracht van de regio Eindhoven. Dat onderstreept het belang van deze regio voor Nederland, met in beperkte mate ook ruimtelijk-fysieke maatregelen.
16
De leden van de D’66-fractie vragen hoe het thuiswerken de kantoorbehoefte beïnvloedt en of deze en andere veranderde ruimtevraag meegenomen wordt in de NOVI?
In welke mate het thuiswerken de kantoorbehoefte zal beïnvloeden is op dit moment nog niet kwantitatief onderzocht, dan wel te onderzoeken. Dit geldt niet alleen voor het thuiswerken maar is zeker ook van toepassing op vele andere ruimtelijk relevante thema’s. Welke structurele effecten er zullen zijn is nog volstrekt onzeker. Ik ga daarover dan ook niet speculeren. Ik zie vooralsnog geen reden het gewenste beeld voor Nederland op de langere termijn aan te passen.
Ook de planbureaus adviseren in hun recent verschenen briefadvies ‘Aandachtspunten voor een herstelbeleid’ nog niet uit te gaan vastomlijnde toekomstbeelden als een anderhalvemetereconomie. Het adaptieve karakter van de sturingsfilosofie van de NOVI biedt voldoende ruimte om op een later moment met wat meer zekerheid te bepalen of de ruimtevraag aanpassing behoeft.
Daarnaast vragen zij meer in het algemeen hoe ontwikkelingen naar aanleiding van de corona-crisis impact hebben op de NOVI.
Samenleving en economie zijn diep geraakt door de coronapandemie. De ruimte voor de individuele burger om zich vrij te bewegen is aanzienlijk ingeperkt. Thuis werken en leven, internetwinkelen en het ommetje in de buurt hebben voor velen tijdelijk de plaats ingenomen van het werk met collega’s op kantoor, het bezoek aan familie en vrienden, het uitje naar een museum of pretpark of een bezoek aan winkel en horecagelegenheden in de stedelijke centra. De kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving, het huis, de voorzieningen in de buurt en de parken en stedelijk groen bleken van groot belang voor het welbevinden van de mens.
Aangezien het overgrote deel van de Nederlandse bevolking woont en werkt in steden en stedelijke regio’s is die kwaliteit cruciaal. De coronapandemie heeft het belang van die ambitie in de NOVI onderstreept.
Nu de crisis langzaam plaats maakt voor een voorzichtig herstel werkt het kabinet aan ondersteuning van het economisch en maatschappelijk herstel. Een dergelijk herstelbeleid ‘vraagt om investeringen in brede zin, in veilig samenleven, in economisch en sociaal aanpassingsvermogen, in duurzaamheid en in onderling vertrouwen schrijven CPB, SCP, PBL en RIVM in het boven aangehaalde briefadvies.
De planbureaus adviseren onder andere ‘het brede welvaart als integrerend kader” te hanteren en ‘korte termijn kwesties aan lange termijn veranderingen’ te verbinden. De NOVI bevat de lange termijnambities met betrekking tot de leefomgeving, een sturingsfilosofie om vanuit de korte termijn aan lange termijndoelen te werken (adaptieve planning) vanuit een breed welvaartsbegrip (het in de NOVI opgenomen ‘rad van de leefomgeving’). De ambities uit NOVI zijn mede richtinggevend in het op te stellen economisch herstelbeleid direct te werken aan de lange termijn doelen met betrekking tot energietransitie, verstedelijking en verduurzaming van de economie.
Het is te vroeg om te concluderen welke lange termijnambities met het omgevingsbeleid van het kabinet aanpassing behoeven. De lange termijnprioriteiten, energietransitie en klimaatadaptatie, duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied veranderen niet onder invloed van de coronapandemie.
Bij vraag 27 en 50 ga ik hier ook op in.
De leden vragen naar aanleiding van de vertraging van de invoering van de NOVI of er noodzaak is om bepaalde wet- of regelgeving gekoppeld aan de Omgevingswet versneld of onafhankelijk van de Omgevingswet in te voeren.
Gelijk met het ontwikkelen en bouwen van het nieuwe stelsel van de Omgevingswet wordt door alle departementen al gewerkt aan nieuwe regelgeving voor onderwerpen die vallen binnen de scope van de Omgevingswet. Met deze nieuwe regelgeving wordt soms de bestaande regelgeving nog gewijzigd voorafgaand aan de komst van het nieuwe stelsel. De totstandkoming van deze regelgeving, kan dus gewoon doorgaan. Vervolgens zal het stelsel daarop worden afgestemd zodat straks het hele pakket aan regelgeving goed op elkaar aansluit. De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zal gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treden.
17
De leden van de D66 fractie memoreren de motie van Eijs en zij vragen de minister toe te lichten hoe deze aangenomen motie verwerkt wordt in de NOVI.
Het is de inzet geweest de motie te verwerken in de brief (Kamerstuk 34 682, nr. 41). Doel van de aangekondigde gecoördineerde strategie is dat het kabinet samen met de provincies concentratie van logistieke clusters eerst op bestaande terreinen wil realiseren. Nadat de behoefteraming aan bedrijventerreinen is vastgesteld, kan nagegaan worden of er nog ruimte beschikbaar is voor nieuwbouw op bestaande bedrijventerreinen of op knooppunten langs (inter)nationale corridors. Alleen indien aantoonbaar nodig is vestiging buiten bestaande clusters denkbaar.
In de NOVI wordt deze voorkeursaanpak opgenomen. Naast deze aanpak voor het concentreren van logistieke functies is de Ladder Duurzame verstedelijking van toepassing. Vanuit de Ladder dient altijd eerst gekeken te worden naar vestiging op bestaande terreinen. De XXL-vastgoed ontwikkeling vindt echter vrijwel altijd in het buitengebied plaats vanwege de omvang. De aanpak voor het concentreren van logistieke functies is in die zin een aanvulling op de ladder duurzame verstedelijking.
18
De leden van de D66-fractie vragen om toe te lichten hoe de impact van klimaatverandering, ook naast zeespiegelstijging, wordt meegenomen in de visie
van de Novi in het algemeen en ook specifiek voor het Waddengebied. Specifiek voor het Waddengebied vraagt om toe te lichten hoe ecologie meeweegt in de balans tussen veiligheid, economie en ecologie. Ook vraagt de D66-fractie naar een toekomstvisie voor het Waddengebied die leidend is voor het werk van de Beheerautoriteit Waddenzee.
Vorig jaar ontving uw Kamer de ontwerp-NOVI. Hierin zijn vier prioriteiten opgenomen waarvan de eerste is ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. Daarnaast is klimaatadaptatie een belangrijk doorsnijdend thema in de NOVI. Klimaatadaptatie is geen losstaande opgave maar moet een onderdeel zijn van alle ontwikkelingen die plaatsvinden en komt daarom ook terug in alle andere prioriteiten.
Tevens wordt klimaatadaptatie meegenomen in de gebiedsgerichte aanpak van de NOVI. Vanwege de eigen kenmerken van verschillende delen van ons land en bij het maken van afwegingen tussen belangen dienen de kenmerken en identiteit van een gebied centraal te staan.
In de ontwerp-Agenda voor het Waddengebied 2050 is de klimaatverandering onderdeel van de thematische opgave ‘Natuur van Wereldklasse’, maar ook een eigenstandige thematische opgave die in samenhang met andere opgaven in het Waddengebied zal worden aangepakt. Op de voorgrond staat de dreiging dat de Waddenzee bij te snelle of grote zeespiegelstijging niet kan meegroeien en verdrinkt. Maar ook een grotere kans op wateroverlast door veranderende neerslagpatronen, overstromingsrisico’s vanuit zee en de boezem, een versterkte zoutindringing, langere perioden van droogte en temperatuurstijging zullen impact hebben op het gebied. Door klimaatverandering zullen effecten optreden op de dynamiek van droogvallende en onder water lopende wadplaten in de Waddenzee, het open landschap, het ecosysteem en de landbouw.
De insteek is de veerkracht van het gebied te vergroten met als doel de kwetsbaarheid van mens, flora en fauna in het Waddengebied voor veranderingen in het klimaat te verkleinen. De houdbaarheid van de huidige waterveiligheidsstrategie op de lange termijn en een nadere verkenning van het zandige systeem van de Waddenzee met het oog op zeespiegelstijging maken onderdeel uit van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging van mijn collegaminister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Deltacommissaris.
De hoofddoelstelling voor de Waddenzee, “een duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap” blijft onverminderd van kracht in het rijksbeleid en wordt opgenomen in de NOVI en bovengenoemde Agenda. Bij alle ingrepen en handelingen is duurzame bescherming van de natuur en een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van de Waddenzee het uitgangspunt. Medegebruik is mogelijk als de natuur niet wordt aangetast en het medegebruik duurzaam is. Zo is militair medegebruik op de Vliehors een noodzakelijk veiligheidsbelang, en wordt bij dit gebruik zoveel mogelijk rekening gehouden met de natuur.
Daarnaast worden opgaven zoveel mogelijk aan elkaar gekoppeld middels integrale gebiedsontwikkeling.
De Agenda moet gezien worden als een beleidskader dat zelfbindend is voor de organisaties die de Agenda via een instemmingsverklaring onderschrijven. Die ‘zelfbinding’ bestaat uit het zorgen voor de doorwerking naar relevante beleidsvisies, uitvoeringsprogramma’s en /of beheer. Tegelijk vertaalt de Agenda nieuwe ontwikkelingen en opgaven door naar uitvoeringsstrategieën. De Agenda bevat daarom een doorkijk naar het uitvoeringsprogramma 2021-2026. Dit uitvoeringsprogramma biedt de betrokken partijen de mogelijkheid om op basis van de strategieën gezamenlijk vervolgstappen te maken richting implementatie in nieuw beleid en uitvoering van maatregelen en beheer. De Agenda vormt een belangrijk vertrekpunt voor de Beheerautoriteit Waddenzee.
Het streven is om de ontwerp-Agenda voor het Waddengebied 2050 deze zomer aan te bieden aan de Tweede Kamer. De ontwerp-Agenda wordt daarna ter consulatie voorgelegd, inclusief een internetconsultatie. De ondertekening van de definitieve Agenda is voorzien in november dit jaar.
De D66-fractie vaagt of erbij bouwen eerst wordt gekeken naar inpassing in stedelijke gebieden en daarna pas naar landelijke gebieden, en er ook wordt gekeken naar meervoudig ruimtegebruik.
Daarop wil ik de inzet steeds is om met tempo én kwaliteit te bouwen. Binnenstedelijk bouwen heeft de voorkeur vanuit een oogpunt van duurzaamheid en economie. Maar in regio’s met een hoge woningbehoefte en een grote ruimtedruk zijn er binnenstedelijk vaak niet voldoende mogelijkheden om in de behoefte te voorzien. Daarom worden naast de binnenstedelijke locaties tegelijk ook de buitenstedelijke mogelijkheden in kaart gebracht. In de NOVI staan drie afwegingsprincipes centraal, waarvan de eerste is dat combinaties van functies voor enkelvoudige functies gaan. Waar mogelijk heeft meervoudig ruimtegebruik altijd de voorkeur. Dit is onderdeel van de verstedelijkingsstrategie.
De D66-fractie vraagt of er genoeg ruimte is voor de rivieren, zodat natuurlijke klimaatbuffers kunnen ontstaan.
In het kader van het Programma Integraal Riviermanagement (IRM) wordt met de belanghebbende partijen gewerkt aan een samenhangende aanpak van verschillende maatschappelijke opgaven in het rivierengebied, waaronder natuur- en milieuopgaven. Momenteel wordt gewerkt aan een programma voor de riviertrajecten waarin meer ruimte voor de rivier een belangrijk uitgangspunt is.
Hierbij wordt betrokken de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW), die maatregelen treft voor een veerkrachtige ecologie en robuuste natuur in onder meer de grote rivieren. De programma’s worden opgenomen in de uitvoeringsagenda NOVI.
19
De leden van de D66 fractie vragen de minister hoe de ruimtelijke gevolgen van het klimaatbeleid in de NOVI worden opgenomen.
De in het Klimaatakkoord genoemde doelstellingen voor de energietransitie in 2030 en die van het kabinet voor 2050 (een CO2-vrije energievoorziening) vragen veel (schaarse) ruimte. De NOVI noemt drie afwegingsprincipes om richting te geven aan het afwegingsproces tussen verschillende belangen in de leefomgeving; 1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal en 3) afwentelen wordt voorkomen. Deze principes werken door in de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI en daarvoor genoemde programma’s.
Op basis van de afwegingsprincipes worden in de prioriteit klimaatadaptatie en energietransitie verschillende beleidskeuzes gemaakt voor het klimaatbeleid.
Zo wordt in de beleidskeuze voor de Noordzee gezocht naar zoveel mogelijk ruimte voor duurzame energieproductie met windparken (dit vanwege de schaarse ruimte op land). Daarbij wordt balans nagestreefd met andere belangen en opgaven voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. Dit wordt verder uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027, waar de afwegingsprincipes ook in worden toegepast.
Een tweede voorbeeld is het Programma Energiehoofdstructuur De ambitie van het programma is om tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor de nationale energiehoofdstructuur, op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context en waarbij een goede leefomgevingskwaliteit randvoorwaarde is. De energiescenario’s en de ruimtelijke impact waar in de brief aan wordt gerefereerd, worden bij de ontwikkeling van dit programma benut (zie ook Kamerstuk 31239, nr. 317 over het Programma Energiehoofdstructuur). In het programma worden de afwegingsprincipes van de NOVI toegepast en wordt tevens gebruik worden gemaakt van een beoordelingskader met verschillende criteria zodat er goed onderbouwde en integrale keuzes worden gemaakt.
Ten slotte zijn de afwegingsprincipes ook herkenbaar in de richtingen die in de ontwerp-NOVI aan de RES’en worden meegegeven: voorkeur voor grootschalige clustering van de productie van duurzame energie, een voorkeursvolgorde voor zon-PV en uitspraken over energiebesparing, warmtenetten en andere gebruik van gasleidingen.
Het afwegingsprincipe ‘combinaties van functies gaan voor enkelvoudige oplossingen’ geldt overigens omgekeerd ook voor andere beleidskeuzes dan voor energie. Dus bijvoorbeeld in de keuzes voor verstedelijking worden combinatiemogelijkheden met ook duurzame energie gezocht.
20
De fractie van D66 stelt een vraag over afstemming van de gebiedsagenda’s en de Omgevingsagenda’s en aansluiting op de NOVI.
Voor de vijf landsdelen zullen de huidige gebiedsagenda’s worden vervangen door de Omgevingsagenda’s, over de volle breedte van de NOVI. Het is een directe uitwerking van de NOVI en aansluiting moet daarmee geborgd zijn.
Het ministerie van IenW stelt voor de grote wateren nog integrale gebiedsagenda’s op. Ook deze sluiten aan op de NOVI en de omgevingsagenda’s waar deze aan raken.
Raakvlakken of grensoverschrijdende opgaven tussen deze wateren en land kunnen onderdeel uitmaken van de Omgevingsagenda. De Gebiedsagenda’s Grote Wateren zijn gelijkwaardig aan de Omgevingsagenda’s. Onderlinge afstemming tussen beide is essentieel.
21
De leden van de D66-fractie vragen hoe de NOVI de verduurzaming van het mobiliteitssysteem gaat stimuleren.
Keuzes in de NOVI over de verduurzaming van het mobiliteitssysteem beslaan verschillende aspecten. Als eerste kiest de regering ervoor, door met de ruimtelijke ontwikkeling nabijheid te creëren en zoveel mogelijk nabij OV- knooppunten te ontwikkelen, om lopen, fietsen en het OV aantrekkelijk te maken. Tevens zal de NOVI aangeven om, daar waar bij nieuwe ontwikkellocaties nog geen ontsluiting is, nieuwe mobiliteitsconcepten integraal mee te nemen bij de planvorming en realisatie. Hiermee voorkomen we zoveel mogelijk dat er ‘nieuwe’ autokilometers gemaakt moeten worden, met bijbehorende effecten op luchtkwaliteit, uitstoot, geluid, drukte op de weg en het bijbehorende ruimtebeslag.
Het vervoer met de auto zal ook in de toekomst een groot aandeel in het aantal verplaatsingen en kilometers hebben. Daarom wordt mede in het kader van het Klimaatakkoord de inzet gericht op elektrificatie en slim en efficiënt gebruik van het mobiliteitssysteem. Waar dit niet mogelijk is, wordt ingezet op duurzame, geavanceerde biobrandstoffen. De transitieopgave naar een volledig duurzame mobiliteit vraagt om een slim, dekkend en betrouwbaar laadnetwerk en energiesysteem. Voor de uitrol van een landsdekkend laadinfrastructuurnetwerk werkt het Rijk samen met marktpartijen, provincies en gemeenten in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur.3
22
De leden van D66 vragen toe te lichten hoe de te ontwikkelen woonlocaties geselecteerd gaan worden en hoe gewaarborgd wordt dat met name de moeilijkere binnenstedelijke gebieden ook ontwikkeld worden.
3 https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/energie-en-milieu- innovaties/elektrisch-rijden/beleid/nationale-agenda-laadinfrastructuur-nal
In de brief is bij de voorkeursvolgorde voor verstedelijking expliciet aangegeven dat deze in regio’s zodanig moet worden uitgewerkt dat het niet ten koste gaat van moeilijkere binnenstedelijke transformaties. Zodat niet te gemakkelijk gekozen wordt voor buiten stedelijke uitleglocaties. Overigens zal, op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking, een keuze voor ontwikkeling van buiten stedelijke locaties altijd expliciet gemotiveerd moeten worden. In de regionale verstedelijkingsstrategieën waarbij het Rijk partij is, worden locatiekeuzes gezamenlijk gemaakt door regio en Rijk. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de resultaten van het Nationaal Programma voor het landelijk gebied.
23
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat het kabinet onderzoek doet naar de mogelijkheden voor het creëren van robuuste natuurnetwerken, verbindingen en kwetsbare bufferzones rond kwetsbare natuurgebieden. En vragen zich af of nu reeds gestuurd kan worden op het creëren van netwerken en bufferzones.
In het Programma Natuur werken Rijk en provincies nader uit hoe de extra middelen voor natuurherstel en -ontwikkeling het beste kunnen besteed, gelet op een optimaal VHR-doelbereik. Daarbij zal ook naar verbindingen en bufferzones worden gekeken. Vervolgens worden afspraken gemaakt over de uitvoering, overigens in aanvulling op het huidige beleid op grond van het Natuurpact (2013), dat al volop in uitvoering is. Waar het mogelijk is om snel tot uitvoering over te gaan, zal dat zeker gebeuren. Hiervoor kunnen natuur- en waterbeheerders ook gebruik maken van de incidenteel beschikbaar gestelde € 125 miljoen voor investeringen op de korte termijn (zie de stikstofbrief van februari 2020).
Deze leden vragen tevens de minister toe te lichten wat concreet wordt bedoeld met “ruimte geven voor de functie landbouw” in “daarvoor goed geschikte gebieden”. En of de minister voornemens is om de verdere ontwikkeling van de landbouwfunctie actief te sturen richting extensieve en natuur inclusieve landbouw.
Voor grote delen van ons land geldt dat de omstandigheden om land- en tuinbouw te bedrijven buitengewoon gunstig zijn. Waarbij niet alle gronden even goed geschikt zijn voor alle typen landbouw. Differentiatie daarin kan zowel voor de landbouw als voor het natuurlijk evenwicht goed zijn. De productie van voedsel en andere agrarische producten blijft voor de toekomst een belangrijke functie van het platteland, tezamen met de (andere) maatschappelijke diensten die de landbouw levert. Zoals in de visie van LNV “Landbouw, natuur en voedsel: “waardevol en verbonden” en het Realisatieplan daarover is vastgesteld, vraagt een toekomstbestendige invulling van de landbouwfunctie fundamentele keuzen, zodat de druk op de leefomgeving afneemt.
In het kader van het nationale programma voor het landelijk gebied wordt in nauwe samenspraak met decentrale overheden en betrokken partijen een strategie op hoofdlijnen geschetst, die richting geeft aan toekomstbestendige ontwikkeling van functies in het landelijk gebied, waaronder natuur en landbouw.
De leden van de D66 fractie zijn van mening dat om landschap als richtinggevend criterium in te kunnen zetten, de vrijblijvendheid hiervan af moet. En vragen of de minister bereid is om aanvullend op deze insteek een meer sturend instrumentarium van de Omgevingswet in te zetten, zoals opname van een instructieregel in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving? Zo ja, is de minister bereid om specifieke landschapselementen op te nemen?
Provincies werken, waar dat nog niet is gebeurd, samen uit wat de unieke landschappelijke kwaliteiten en onderliggende waarden in gebieden zijn, en leggen deze vast in beleid en regelgeving. Indien de ontwikkelingen in de leefomgeving daartoe aanleiding geven” kan aanvullend het meer sturend instrumentarium uit de Omgevingswet (zoals instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), projectbesluiten en instructiebesluiten) worden ingezet Vanuit het programma ONS Landschap wordt in kaart gebracht wat de structuurdragers van het Nederlandse landschap zijn. Dit betreft landschaps- en erfgoedwaarden die het karakter bepalen. Deze kunnen vervolgens worden gebruikt ten bate van de ontwikkeling van kwaliteitskaders, die door verschillende overheden ontwikkeld en toegepast kunnen worden.
Daarnaast wordt gewerkt aan een landsdekkende Monitor Landschap, waarvan de proefversie onlangs is opgeleverd. Met deze twee kennisproducten ondersteunen we andere overheden om in lijn met het bovenstaande hierop te acteren en specifieke landschapselementen daarmee te beschermen.
24
De leden van D66 vragen naar de invulling van de RIA’s en de plek die vormen zelfbouw en collectieve bouw hierin kunnen krijgen.
In antwoord hierop wil ik aangeven dat de RIA’s een initiatief zijn van de NOVI- alliantie als ondersteuning van de NOVI. Op dit moment wordt in verschillende regio’s gewerkt aan deze RIA’s. Een regionale investeringsagenda kan ervoor zorgen dat de diverse bijdragen van stakeholders (overheden en marktpartijen) bij elkaar gebracht worden en gebundeld op specifieke regionale opgaven ingezet worden. Het kan daarmee een goed instrument zijn om voor deelgebieden een maatschappelijk breed verankerde invulling te geven aan de Omgevingsagenda.
Onderdelen van een gebiedsontwikkeling die op basis van een RIA tot stand komt, kunnen worden ingevuld d.m.v. CPO of andere vormen van zelf- en collectieve bouw. Ook buiten de RIA’s en de NOVI zet ik in op het bevorderen van de mogelijkheden voor woningbouwinitiatieven van onderaf. Daarvoor verwijs ik verder naar mijn antwoord op de vraag 40.
25
De D66-fractie vraagt of in het trekken van lessen, de mogelijkheid voor een dubbele doelstelling zoals waterveiligheid en ruimtelijke kwaliteit of waterveiligheid en natuur, ook wordt meegenomen. En of dit mogelijk van invloed is op de ontwikkeling van het volgende Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Met betrekking tot de mogelijkheid van een dubbele doelstelling wil het kabinet in algemene zin antwoorden dat hij omgevingsinclusief beleid wil gaan voeren. De uitdaging is om niet te kiezen tussen ambities maar deze in samenhang en balans te realiseren. Zie ook de antwoorden op vraag 11 en 41.
Verder kan ik antwoorden dat naar aanleiding van de motie De Groot voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) een analyse is gedaan van de lessen uit de evaluatie en deelevaluaties van Ruimte voor de Rivier (RvR).4 Op 6 november 2019 heb ik u bericht dat, ondanks de wezenlijk andere context, uit deze analyse is gebleken dat diverse lessen uit RvR al zijn toegepast bij de opzet en uitvoering van het HWBP. Voorbeelden zijn de gebiedsgerichte aanpak van projecten en inzet en ontwikkeling van expertise.5 Het HWBP is een voortrollend programma waarbij het mogelijk is in overleg met andere overheden tijdig alle belangen mee te wegen. Het doel van het HWBP is in 2050 alle primaire keringen te laten voldoen aan de normering. Ruimtelijke inpassing wordt binnen het HWBP betaald en is een verantwoordelijkheid van de waterbeheerder.6 Andere aanvullende wensen vanuit de omgeving dienen door andere partijen gefinancierd te worden. In de praktijk worden HWBP-projecten steeds vaker integraal opgepakt door de verantwoordelijke waterbeheerders en wordt intensieve samenwerking gezocht met gebiedspartners. Het is mogelijk om ruimtelijke kwaliteit en andere doelstellingen te combineren met de doelstelling waterveiligheid. Toekomstige projecten van het HWBP zullen worden uitgevoerd in de geest van de Omgevingswet. Dit betekent dat ruimtelijke kwaliteit, natuur en andere waarden als onderdeel van de fysieke leefomgeving, in samenhang en balans worden meegewogen bij de planvorming door de verantwoordelijke decentrale overheden.
De leden van de D66-fractie vragen hoe de minister in de praktijk wil inzetten op zuinig watergebruik en de afstemming van functietoedeling en de waterbeschikbaarheid, bijvoorbeeld via flexibilisering van onttrekkingsvergunningen en hergebruik van industrieel proceswater?
In de dialoog over waterbeschikbaarheid kijken waterbeheerders en watergebruikers zoals de landbouw en de industrie naar mogelijkheden om weerbaarder te worden tegen watertekort. Daarbij speelt de voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer een belangrijke rol. Daarbij werken de bevoegde gezagen vanuit hun eigen verantwoordelijkheden aan het bewust gebruiken van water.
Vanwege de regionale verschillen betreft de uitwerking en het maken van afspraken deels regionaal maatwerk. Afstemmen van landgebruik op de waterbeschikbaarheid, zuinig zijn met water en dus ook het kijken naar
4 Kamerstukken II 2018/19, 35 000 J, nr. 12
5 Kamerstukken II 2019/20, 27 625, nr. 487
6 Ruimtelijke inpassing is het inpassen van het dijkversterkingsproject in de omgeving. Wettelijke inpassingskosten maken onderdeel uit van de te subsidiëren kosten vanuit het HBWP. Als er voor wordt gekozen om bij het uitvoeren van een project ook andere doelstellingen dan waterveiligheid mee te nemen, dan zullen de extra kosten die deze koppeling met zich meebrengt uit andere middelen moeten worden gefinancierd.
onttrekkingsvergunningen en de mogelijkheden van hergebruik van effluent worden bij de uitwerking betrokken. De regionale partijen kunnen daar op basis van (inter)nationaal en regionaal beleid concrete afspraken over maken.
26
De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe de keuzes die in deze brief worden gemaakt zich dan precies verhouden tot tegenstrijdige keuzes uit de ontwerp-NOVI? Welke keuzes uit de ontwerp-NOVI veranderen nu daadwerkelijk door deze brief?
De brief moet gelezen worden als een aanvulling op en aanscherping van de ontwerp-NOVI. De brief zal opgenomen worden in de definitieve NOVI en de Uitvoeringsagenda. De brief bevat de inzet zoals het kabinet die in de definitieve NOVI wil opnemen.
Ik kan verder pas met de volledig definitieve NOVI antwoord geven op deze vraag. Deze stuur ik uw Kamer zo kort mogelijk na het zomerreces.
De leden van de fractie van Groen Links vragen ook hoe het maken van scherpe en fundamentele keuzes in de NOVI zich verhoudt tot het niet juridisch bindend zijn de NOVI.
Zowel de Wet op de Ruimtelijke Ordening als de Omgevingswet voorzien bewust niet in directe juridische doorwerking van een omgevingsvisie –zoals de NOVI- naar taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen. Waar juridisch bindende beleidsdoorwerking nodig is, gebeurt dat via de instrumenten zoals instructieregels of bijvoorbeeld via regels die direct bindend zijn voor burgers en bedrijven in algemene rijksregels. Een directe juridische doorwerking zou ten koste kunnen gaan van het beleidsmatige karakter van een omgevingsvisie en tot juridisering van het omgevingsbeleid kunnen leiden. Ervaring met eerdere wetgeving heeft geleerd dat juridische doorwerking van beleid, kan leiden tot langdurige discussies en stroperige planprocessen. Onder de vroegere Wet op de Ruimtelijke Ordening was er bijvoorbeeld een juridische doorwerking van de toen in die wet opgenomen planologische kernbeslissingen en streekplannen. Dit leidden tot juridisering en tot langere procedures, omdat er rechtsgevolgen voor anderen in het spel kunnen zijn.
Direct juridische binding van beleid via beleidsdocumenten kan dus contraproductief en verstarrend werken en kan daarmee het behalen van de doelstellingen belemmeren. Om die reden wordt het uitgangspunt van de huidige WRO een scheiding van beleid en juridische doorwerking ook onder de Omgevingswet voorgezet. Dat houdt in dat beleidsdocumenten zoals een omgevingsvisie uitsluitend het vaststellend bestuursorgaan binden. Daarnaast is het uiteraard onderdeel van goed bestuur dat bestuursorganen bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisie dit doen in afstemming met andere bestuursorganen en daarbij ook rekening houden met hun taken en bevoegdheden.
Keuzes die in de NOVI worden gemaakt, zullen vervolgens worden vertaald in de inzet van diverse, daar waar nodig ook juridische, instrumenten. Deze concrete doorvertaling van de beleidsprioriteiten van in de NOVI is uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda van de NOVI. Heel vaak zal het daarbij gaan om inzet van instrumenten zoals, investeringsbeslissingen, programma’s, Omgevingsagenda’s waarbij het Rijk samen met andere overheden keuzes maakt om de opgaven in de leefomgeving aan te pakken.
Waar juridisch bindende beleidsdoorwerking naar decentraal niveau nodig is gebeurt dat via de instrumenten voor juridische beleidsdoorwerking. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de instructieregels zoals die nu zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en onder de Omgevingswet om het BKL. Zie bijvoorbeeld de instructieregels voor de doorwerking van nationale ruimtelijke belangen rond de hoofdinfrastructuur, de hoofdwateren, militaire functies en erfgoederen van uitzonderlijke en universele waarde (werelderfgoederen). Ook kan nieuw beleid leiden tot aanpassing van de beoordelingsregels voor vergunningen (zie ook antwoord vraag 41) of aanpassing van algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Bbl.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen welke normen en doelen onderdeel zijn van de NOVI en hoe het Rijk ervoor gaat zorgen dat deze doelen gehaald gaan worden.
Juridisch bindende normen (regels) die door het Rijk worden gesteld worden opgenomen in de algemene maatregelen van bestuur onder de Omgevingswet: het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) bevatten normen die bindend zijn voor degene die een activiteit verricht in de leegomgeving. Bijvoorbeeld normen in het Bal voor emissies naar lucht, bodem en water voor bedrijven, gerelateerd aan de stand der techniek. Het Bkl bevat normen die gelden bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid. Bijvoorbeeld de normen voor de toegelaten bodemkwaliteit bij de vaststelling van een omgevingsplan. Deze regels richten zich niet tot burgers en bedrijven maar tot bestuursorganen. Ook de decentrale regels van waterschappen, gemeenten en provincies bevatten regels die van belang zijn voor het behalen van de doelstellingen van de NOVI, bijvoorbeeld regels van de provincie over het beschermen van grondwater, regels in het omgevingsplan over het toelaten van activiteiten op locaties. In de uitvoeringsagenda van de NOVI is aangegeven voor welke doelstellingen juridische instrumenten (deels) worden ingezet. De regels (en normen) in de AMvB’s onder de Omgevingswet leveren dus een bijdrage aan het behalen van de doelen van de NOVI, maar de uitvoering van de NOVI kan ook aanleiding zijn voor aanpassing van deze regelgeving (zie ook de beantwoording van voorgaande vraag). In de Omgevingswet is voorzien in het toedelen van de handhavingstaak in verband met het toezien op de naleving van bovengenoemde regels.
De NOVI zelf bevat geen regels voor handhaving.
27
De leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere concretisering van de aanscherping van de keuzen in de NOVI met betrekking tot gezondheidsbevordering en preventie.
Ik kan pas met de volledig definitieve NOVI-antwoord geven op deze vraag. Deze stuur ik uw Kamer zo kort mogelijk na het zomerreces.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen ook wat de anderhalve metersamenleving betekent voor de ruimtelijke inrichting van Nederland en met name voor de verplaatsingsmogelijkheden in stedelijke gebieden.
Zie het antwoord bij 16. In aanvulling daarop: de andere genoemde effecten op de openbare ruimte zie ik niet als NOVI-onderwerpen, maar eerder als lokale ingrepen voor de kortere termijn.
28
De leden van de fractie van GroenLinks zouden graag meer willen weten over de uitvoeringsagenda en de inzet van (financiële) instrumenten hierbij.
Het uitgangspunt is dat de overheden samen aan de lat staan voor de uitvoering van de NOVI. Daarbij zijn gemeenten, waterschappen en provincies primair verantwoordelijk voor de inrichting van de fysieke leefomgeving. Waar het rijk aan zet is wordt in de uitvoeringsagenda per prioriteit en per beleidskeuze aangegeven wat de belangrijkste instrumenten en processen zijn die uitvoering geven aan de NOVI.
Per beleidskeuze wordt beschreven wat de inzet is van algemene rijksregels, de inzet van bestaande financiële middelen, kennisontwikkeling en bestuurlijke afspraken over de uitvoering met andere overheden en partijen en welke nadere uitwerkingen, inclusief de financiering daarvan, plaats vinden in het kader van relevante Nationale Programma’s.
Per beleidsprioriteit wordt richting meegegeven aan het beleid van medeoverheden en maatschappelijke partijen voor het maken van decentrale keuzes. Verder worden de belangrijkste gebiedsprocessen en de belangrijkste financieringsbronnen benoemd.
Voor de gebiedsgerichte uitvoering van de NOVI stelt het rijk samen met medeoverheden, Omgevingsagenda’s op voor de vijf landsdelen en gebiedsagenda’s voor de grote wateren. Omgevingsagenda’s vormen de neerslag van een meerjarig partnerschap van de betrokken overheden met inbreng van maatschappelijke partijen. Het rijk en de deelnemende partijen zetten hun bevoegdheden, middelen en expertise zo in dat deze bijdragen aan de realisatie van de gedeelde opgaven. Bestaande investeringsmiddelen blijven belangrijk bij bekostiging van meer sectorale (bereikbaarheids)opgaven. Voor de uitvoering van de opgaven uit de NOVI zijn op dit moment geen extra middelen voorzien, anders
dan de extra inzet die het huidige kabinet al pleegt (bijvoorbeeld voor woningbouw en de stikstofaanpak).
29
De GroenLinks-fractie vraagt waarom luchtvaart en luchthavens geen onderdeel uitmaken van de NOVI. Ook vraagt de fractie hoe aan de advieswaarden voor luchtkwaliteit van de WHO in 2030 voldaan kan worden, als luchtvaart hier niet bij betrokken wordt.
De Luchtvaartnota betreft een thematische uitwerking van de NOVI voor luchtvaart, binnen de uitgangspunten en ambities van de NOVI en conform het instrumentarium van de Omgevingswet. In de Luchtvaartnota zijn vier publieke belangen centraal gesteld. Eén van de vier betreft een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. De Ontwerp-Luchtvaartnota is 15 mei jl. aan uw Kamer voorgelegd en vervolgens publiek gemaakt. Voor de juridische inbedding van de Luchtvaartnota wordt gebruik gemaakt van een instrument uit de Omgevingswet: het onverplichte programma. In het systeem van de Omgevingswet vindt beleidsuitwerking van (onderdelen) van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) mede plaats in (onverplichte)programma’s. Op grond van overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet wordt een (onverplicht) programma, dat is vastgesteld vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en dat voldoet aan de eisen van die wet, bij inwerkingtreding van de Omgevingswet met een programma als bedoeld in die wet gelijkgesteld.
Op 5 juni jl. heeft staatssecretaris Van Veldhoven uw Kamer een brief gestuurd (Kamerstuk 29 383, nr. 343) waarin zij ingaat op de stand van zaken van de uitwerking van de motie Schonis. In deze brief geeft zij onder meer aan hoe het WHO-advies uitwerking krijgt in het luchtvaartbeleid via de (Ontwerp-) Luchtvaartnota. Een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving is één van de vier publieke belangen die centraal zijn geplaatst in het toekomstige luchtvaartbeleid.
30
De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het traject van de doelstelling om in 2050 tot verwaarloosbare risico’s voor mens en milieu te komen, tot 2050 eruit komt te zien.
De ambitie om voor het nationaal belang ‘veiligheid en gezondheid in de leefomgeving’ in 2050 tot verwaarloosbare risico’s voor mens en milieu te komen, vereist naast visie en ambitie inderdaad een concrete aanpak en bijbehorend tijdspad.
De NOVI richt zich op de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid met betrekking tot de gehele fysieke leefomgeving en heeft daarom ook betrekking op gezondheid, milieu en duurzaamheid. In het aan de NOVI gerelateerde Nationaal Milieubeleidskader (in de ontwerp NOVI eerder Milieuvisie genoemd) benoemt het kabinet een aantal bouwstenen die nodig zijn om de ambities op het gebied van milieu nader vorm te geven en uit te werken in concrete acties.
Het Nationaal Milieubeleidskader, dat in samenhang met de NOVI wordt uitgebracht, biedt nadere uitgangspunten en basisprincipes die specifiek betrekking hebben op het milieubeleid. Dit beleidskader zal verder worden uitgewerkt en geconcretiseerd voor wat betreft het voorkómen en aanpakken van milieuproblemen en het daarbij behorende instrumentarium, in een Nationaal Milieuprogramma.
In dat programma komen uiteraard ook al eerder in gang gezette acties in onderlinge samenhang terug. Zo is in de brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat uit 2018 over de transitie van saneren en beheersen naar het voorkómen van milieurisico’s en gevaren (Kamerstukken II, 2017/18, 28 089 en 28 663, nr. 88) voor een aantal onderwerpen, zoals externe veiligheid, vervoer gevaarlijke stoffen, chemische stoffen en nanotechnologie, die aanpak geschetst. Hierbij zijn voor de korte termijn al acties benoemd en die lopen nu. Zo is de Kamer recentelijk geïnformeerd over zeer zorgwekkende stoffen (Kamerstukken II, 2019/20, 33 118, nr. 141), maar ook in de Kamerbrief van 29 mei jl. met betrekking tot het Schriftelijk Overleg Circulaire Economie. Andere al lopende acties vloeien voort uit het in januari gesloten Schone Lucht Akkoord.
Voorts is de ontwikkeling van het instrument Safe-by-Design in gang gezet die ook behulpzaam is bij het realiseren van de doelstelling voor 2050. De ontwikkeling en operationalisering hiervan en de reductie van risico’s van bijvoorbeeld emissies van chemische stoffen is niet alleen nationaal, maar ook internationaal (EU, OECD) gericht, omdat de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving ook afhankelijk is van activiteiten in het buitenland. In de Europese Green Deal is bijvoorbeeld een actieplan vastgesteld om verontreiniging van de lucht, het water en de bodem te voorkomen.
Na de gebruikelijke consultatiefase zal het Nationaal Milieubeleidskader aan uw Kamer worden voorgelegd, in samenhang met de NOVI.
31
De GroenLinks fractie vraagt zich af of waterveiligheid ook onder het begrip veiligheid valt en, indien dit het geval is, heeft het Rijk dan bijvoorbeeld de ambitie om overstromingsrisico’s verwaarloosbaar te maken.
De ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Duurzame stedelijke ontwikkeling vraagt om ruimte en maatregelen voor wonen en werken, voor bereikbaarheid, klimaatadaptatie, duurzame energie, waterveiligheid, meer natuur en een gezonde leefomgeving (veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem en een inrichting die verleidt tot gezond gedrag). Veiligheid kent derhalve meerdere dimensies. Waterveiligheid is hier een aspect van. Voor waterveiligheid zijn er duidelijke doelen in beleid en wet vastgelegd:
Iedereen in Nederland die achter een dijk woont, krijgt ten minste een beschermingsniveau van 1/100.000 per jaar. Dat wil zeggen dat de kans voor
een individu om te overlijden als gevolg een overstroming niet groter mag zijn dan 0,001% per jaar.
Daarnaast wordt extra bescherming geboden op plaatsen waar kans is op:
Grote groepen slachtoffers;
en/of grote economische schade;
en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang.
Als basis voor het bereiken van deze doelen geldt sinds 1 januari 2017 een nieuwe normering voor de primaire waterkeringen. In 2050 moeten al deze keringen aan de wettelijke normen voldoen.
De GroenLinks fractie vraagt of het Rijk normen stelt waar wel en niet gebouwd kan worden in het kader van waterveiligheid en klimaatadaptatie. Ook vraagt zij of waterschappen niet een nadrukkelijkere rol horen te hebben, bijvoorbeeld bij het beoordelen of een locatie geschikt is voor woningbouw, omdat zij risico- inschattingen kunnen maken. Tot slot vraagt de GroenLinks fractie of ik in overleg wil treden met IPO, VNG en UvW om te zorgen dat een integrale benadering vast onderdeel wordt van de planvorming.
Vanuit klimaatadaptatie worden geen algemene normen gesteld waar wel of niet mag worden gebouwd. Vanuit het belang van waterveiligheid gelden nu al wel beperkingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het bevat ook regels ten behoeve van de waterveiligheid, zoals een verbod op bouwen op primaire keringen buiten het kustfundament, in het IJsselmeer (enkele uitzonderingen daar gelaten) en bouwen in het kustfundament buiten het stedelijk gebied. Buitendijks gebied langs de rivieren behoort tot het rivierbed. Hier geldt voor bouwen een verbod behoudens vergunning. (Woning)bouw is niet bij voorbaat uitgesloten, maar aan voorwaarden verbonden waarbij waterveiligheidsbelang voorop staat. Het beoordelingskader hiervoor is opgenomen in de Beleidslijn grote rivieren (BGR).
Onder de Omgevingswet moeten Rijk, provincie en gemeenten bij de vaststelling van hun omgevingsvisie, en algemene regels alle betrokken belangen van de fysieke leefomgeving in samenhang bekijken. De integrale benadering van de diverse aspecten van de leefomgeving is dus verankerd in de Omgevingswet.
Waterveiligheid, het voorkomen van wateroverlast en waterrobuust bouwen zijn onderdeel van die samenhangende benadering. Onder de Omgevingswet worden de waterbelangen steviger verankerd aan de voorkant. Op grond van een instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de gevolgen voor het waterbelang worden betrokken bij het opstellen van omgevingsplannen en omgevingsverordeningen en bij het nemen van projectbesluiten.
De gevolgen voor het waterbelang worden dus vanaf de start van de planvorming betrokken en hebben dus nadrukkelijk een rol bij de afweging voor geschikte
locaties voor woningbouw. Bestuurlijk is afgesproken om deze weging van het waterbelang ook bij de omgevingsvisies – dus ook bij de NOVI - te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen die, vanwege waterveiligheid, beperkingen stellen aan bebouwingsmogelijkheden op locaties. De instructieregels over bouwen in het kustfundament zijn hier een voorbeeld van. In zoverre wordt door het Rijk op locaties gestuurd. De afweging of een locatie uit een oogpunt van waterveiligheid en klimaatadaptief bouwen geschikt is voor woningbouw wordt echter bij uitstek op decentraal niveau gemaakt, met – zoals hiervoor aan de orde kwam – de input van de waterbeheerder. Het nieuwe stelsel biedt ook goede mogelijkheden om hierin te voorzien. Zo kunnen in het omgevingsplan regels worden opgenomen die maken dat op een locatie waterrobuust kan worden gebouwd, bijvoorbeeld door locatiegebonden eisen te stellen ten aanzien van de hoogte van de vloer van de begane grond.
De leden van de GroenLinks fractie hebben verzocht om een reactie op de aandachtspunten die de VEWIN heeft geformuleerd in haar reactie op de ontwerp- NOVI. Vooruitlopend op de Nota van Antwoord wil het kabinet hier alvast een beknopte reactie geven.
De VEWIN geeft aan dat in de prioriteit Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie de uitgangspunten van de Structuurvisie Ondergrond behouden dienen te blijven. De Structuurvisie Ondergrond wordt van rechtswege een programma (Het Programma Ondergrond)bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarmee blijven de uitgangspunten behouden.
Ten aanzien van de aandachtspunten die de VEWIN benoemt over de prioriteit duurzaam economisch groeipotentieel dat het belang op van voldoende beschikbaarheid van oppervlaktewater voor de drinkwatervoorziening expliciet benoemd dient te worden.
Een van de uitgangspunten in de NOVI is dat de vraag naar water wordt afgestemd met de beschikbaarheid van water door bij de toedeling van watervragende functies aan gebieden rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in die gebieden.
Ook heeft de VEWIN aangegeven het wenselijk te vinden om een kaart op te nemen waarin de oppervlaktewateren die gebruikt worden voor de productie van drinkwater worden weergegeven. Ik deel die wens, in de definitieve NOVI zal een kaart worden opgenomen waarin de oppervlaktewateren die gebruikt worden voor de productie van drinkwater in beeld gebracht worden.
De VEWIN roept op om de bescherming van de topvitale infrastructuur voor drinkwatervoorziening in nationale en regionale omgevingsvisies en verordeningen te verankeren. In de NOVI wordt als doel gesteld dat de leveringszekerheid van het drinkwater zelf wordt gewaarborgd.
Leveringszekerheid hangt sterk samen met de zorg voor de infrastructuur voor de drinkwatervoorziening. Ik heb vertrouwen dat de bestuursorganen vanuit hun
zorgplicht in hun regionale omgevingsvisies en verordeningen daar invulling aan geven.
De VEWIN geeft aan dat in de NOVI de verantwoordelijkheden van de Rijksoverheid ten aanzien van waterkwaliteitsknelpunten vanuit de landbouw opgenomen moeten worden. Daar ga ik niet in mee. Iedere partij draagt bij aan de maatschappelijke opgave vanuit de eigen expertise, rol, positie en verantwoordelijkheden. Voor de programma’s die voortvloeien uit de NOVI, dragen de betrokken ministers gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het trekkerschap ligt bij het eerstverantwoordelijke ministerie. De NOVI verandert de verantwoordelijkheden en taken van de verschillende bewindspersonen niet.
32
De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het verbeteren van de algemene omgevingskwaliteit precies gedefinieerd wordt en wat de concrete doelstellingen zijn?
De in de NOVI gehanteerde term leefomgevingskwaliteit omvat zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving. Onder ruimtelijke kwaliteit komen de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde samen. Milieukwaliteit heeft betrekking op waarden die wij toekennen aan een gezonde en veilige woon-, werk- en leefomgeving. Het gaat dan om concrete onderwerpen als luchtkwaliteit, geluidhinder, stank, omgevingsveiligheid, bodem- en waterkwaliteit, waarvoor de normen en regels die zijn vastgelegd in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Ook sociale samenhang en economische vitaliteit zijn onderdeel van een te realiseren goede leefomgevingskwaliteit. Het concretiseren en operationeel maken van de leefomgevingskwaliteit gebeurt op gebiedsniveau, bijvoorbeeld in de Omgevingsagenda’s en bij daadwerkelijke ruimtelijke ingrepen.
33
De leden van Groen Links vragen naar de invulling die het Rijk geeft aan de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, de invulling van de ontsluiting van locaties met OV en fiets en de definiëring van bestaand bebouwd gebied.
In aanvulling op hetgeen al is geantwoord bij 3, 12 en 22 kan ik daaraan toevoegen dat de ontsluiting per fiets zowel in de Omgevingsagenda’s als in de regionale verstedelijkingsstrategieën expliciete aandacht zal krijgen. Met decentrale overheden spreek ik af hoe zij bij de ontwikkeling van concrete locaties de fietsontsluiting nog beter kunnen laten meewegen.
Voor bestaand bebouwd gebied hanteren we de volgende definitie: het samenhangende geheel van stedelijke bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, zoals ook aangegeven in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
34
De leden van de Groen Links fractie zijn blij dat de regering betere regie op de logistieke locaties wil organiseren. De leden vragen zich wel af hoe deze aanpak precies vorm zal krijgen en hoe effectief de voorgestelde maatregelen zijn. Hoe bindend zijn de gezamenlijk benoemde locaties voor logistieke functies? En of de Minister kan uitsluiten dat provincies en gemeenten zelf op andere locaties alsnog logistieke dozen bouwen? En hoe ziet het traject om tot samenwerkingsafspraken te komen er concreet uit?
Het Rijk werkt met provincies en gemeenten aan een gecoördineerde strategie voor de vestiging van clusters van distributiecentra zoals verwoord in vraag 6. Als in de uitvoeringspraktijk behoefte blijkt te ontstaan aan aanvullende afspraken of regels dan wordt tegen die tijd verkend hoe dit gestalte te geven.
De leden van de fractie van GroenLinks zouden graag zien dat de maatregel van zon op daken op hallen van distributiecentra wordt verbreed door dit voor alle bedrijfshallen te laten gelden. En deze verplicht te stellen.
Er is gekozen voor een brede maatregel die lokaal ingezet kan worden omdat de afweging of de verplichtstelling nodig is, en zo ja onder welke voorwaarden, het beste lokaal gemaakt kan worden. Niet in alle gevallen zal het gebruik van zonnepanelen op een locatie mogelijk of nodig, maar ligt bijvoorbeeld het gebruiken van het dak voor klimaatadaptatie (een groen dak, of wateropslag) meer voor de hand. Passend binnen de systematiek van de Omgevingswet zal deze keuze dus ook decentraal, na afweging van de specifieke situatie in een gebied, gemaakt kunnen worden.
35
De leden van de Groen Links fractie vinden het versterken van de natuur in Nederland de belangrijkste opgave. Op welke wijze draagt de NOVI concreet aan het behalen van deze opgave?
Het kabinet wil dat de komende decennia de biodiversiteit herstelt. Dat vergt een robuust en verbonden geheel van natuurgebieden. Ook het advies van de commissie Remkes wijst daarop. De NOVI schetst het gewenste toekomstbeeld en verbindt een beleidskeuze aan die ambitie. In het Programma Natuur van Rijk en provincies, in het programma Biodiversiteit en in het Nationaal programma landelijk gebied worden de beleidskeuzes uitgewerkt. In de uitvoeringsagenda die bij de NOVI wordt gepresenteerd, is opgenomen hoe de concrete programma’s en acties bijdragen aan het uitvoeren van die beleidskeuze. Inmiddels in gang gezette actielijnen zoals de ruimtelijke verkenning en lange termijn aanpak stikstof dragen daar aan bij en vinden te zijner tijd hun weerslag in de genoemde programma’s. In de brief van het kabinet over de aanpak stikstof7 wordt langjarig extra budget uitgetrokken voor onder andere versterking van natuur. In het
7 Brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Kamerstuk 35 334 nr. 82, 2020
Programma Natuur maken Rijk en provincies afspraken over de besteding van deze middelen. Ook aanbevelingen van de commissie Remkes voor het onderdeel natuurherstel kunnen uitwerking krijgen in het programma Natuur.
GroenLinks constateert dat de regering schrijft: “Per gebied kijken we welke functies met minimale belasting inpasbaar zijn in zones rond Natura 2000 gebieden. Dit kan natuur zijn maar ook extensieve, emissiearme landbouw, andere passende economische functies of (kleinschalige) woningbouw.
Verplaatsing van functies zal in een aantal gevallen aan de orde zijn.” De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich af of per gebied ook gekeken naar de huidige staat van instandhouding voor de aangewezen soorten en habitats, en de grootste knelpunten die het behalen van een gunstige staat van instandhouding in de weg staan? Zo nee, hoe wordt dan gekeken naar de geschiktheid van (nieuwe) functies?
De nationale ambitie voor 2050 is om volledig aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) te voldoen (dat wil zeggen: het realiseren van condities waaronder alle beschermde soorten en habitats duurzaam kunnen voortbestaan). De aanpak van de stikstofproblematiek bestaat uit drie sporen, waaronder herstel- en beheermaatregelen, en maatregelen ten behoeve van het verbeteren van milieu- en ruimtecondities binnen Natura 2000-gebieden. Naast gerichte natuurmaatregelen is ook een meer natuurinclusieve ruimtelijke inrichting een onderdeel van de oplossing. Hierbij wordt natuur beter geïntegreerd met andere ruimtelijke functies zoals infrastructuur, landbouw, energieopwekking en woningbouw. Wanneer op het niveau van individuele gebieden een analyse wordt gemaakt, wordt daarin gekeken naar de huidige staat van instandhouding en de knelpunten die het behalen van die gunstige staat van instandhouding in de weg staan. Op basis van een gebiedsanalyse wordt in beeld gebracht welke maatregelen nodig zijn. Hierbij zal een relatie worden gelegd met het in de brief over de NOVI van 23 april aangekondigde Nationaal Programma landelijk gebied.
Kan de minister verduidelijken wat zij bedoelt met het stellen van normen, beleid en uitwerking, in het licht van de motie Smeulders? Zijn dat bijvoorbeeld aanvullende normen en beleid?
Binnen het aangekondigde Nationaal Programma voor het Landelijk Gebied zal, samen met andere overheden, worden verkend wat er aan aanpak, arrangementen, kaders en instrumenten nodig is, nationaal dan wel regionaal. Ook het uitwerken van passend en benodigd, ook eventueel aanvullend, instrumentarium is onderdeel van de strategie die in dit programma zal worden ontwikkeld.
36
De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich af hoe het Rijk concreet stuurt op de ruimtelijke planning en benodigde reserveringen van het toekomstige energiesysteem in de RES’en? Hoe de natuur- en landschapsbelangen hierin meegenomen? Of het de bedoeling is dat er een landelijk overkoepelend beeld komt over de inpassing van duurzame energie zodra de 30 RES’en gereed zijn? Of
het Rijk voornemens is om een milieueffectrapportage op te stellen zodra de 30 RES’en gereed zijn, zodat ook de milieugevolgen van de gemaakte keuzes vroegtijdig in beeld komen? Zo nee, waarom niet?
Voor de sturing van de planning en de noodzakelijke reserveringen zijn zowel het NPRES als het Programma Energiehoofdstructuur van belang, als ook de interactie daartussen. In beide programma’s wordt rekening gehouden met natuur- en landschapsbelangen.
Voor de RES’en zijn, net als voor andere in NOVI genoemde opgaven, de afwegingsprincipes van toepassing. Voor de RES’en zijn deze uitgewerkt naar richtinggevende uitspraken zoals voorkeur voor grootschalige clustering, voorkeursvolgorde voor zon-PV, energiebesparing en uitspraken over gebruik van (rest)warmte via warmtenetten en ander gebruik van gasnetten. Deze richtingen worden op een binnen NP RES passende wijze gebruikt als invulling voor het criterium kwaliteit van de leefomgeving.
In de appreciatie van de RES’en wordt daarnaast ingegaan op de landelijke overstijgende effecten op landschap, natuur- en landbouwgronden en op de energiehoofdstructuur.
De decentrale overheden staan aan de lat om de opbrengsten uit de RES’en te vertalen naar het eigen omgevingsbeleid. Bij deze vertaling naar Omgevingsvisies en omgevingsplannen doorlopen zij een plan-m.e.r. In de omgevingsagenda’s worden de RES’en in relatie tot andere ruimtelijke belangen in de fysieke leefomgeving meegenomen.
Het Rijk stelt het Programma Energiehoofdstructuur op voor de ruimtelijke planning voor de onderdelen van nationaal belang in het energiesysteem. In de kamerbrief van 20 mei jl. (Kamerstuk 31 239, nr. 317 m.b.t. de afbakening het Programma Energiehoofdstructuur) is beschreven op welke manier die ruimtelijke planning wordt voorzien. Als uitwerking van de NOVI, geeft ook dit programma invulling aan de afwegingsprincipes en het bredere beleid uit de NOVI. Tevens worden de keuzes in dit programma beoordeeld in een integrale effectenanalyse (die invulling geeft aan de wettelijke plicht voor een milieueffectrapportage, maar ook breder effecten op het gebied van kosten en het energiesysteem analyseert) en wordt een beoordelingskader opgezet met verschillende criteria zodat er goed onderbouwde en integrale keuzes worden gemaakt.
De zoekgebieden uit de RES’en worden opgenomen in het Programma Energiehoofdstructuur zodat de keuzes over de nationale infrastructuur daar zo goed mogelijk bij aansluiten.
Het programma levert zodoende tevens een overkoepelend beeld op van de ontwikkeling van de energietransitie voor Nederland. Daarnaast zoals gezegd, maakt het Programma Energiehoofdstructuur ook gebruik van een integrale effectenanalyse.
37
De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe er concreet (meer dan voorheen) wordt ingezet op het voorkomen van milieu- en natuurschade en hoe dit is of wordt vastgelegd.
Ik verwijs voor het antwoord op deze vraag naar mijn antwoorden wat betreft milieu op Kamervragen 30 en 35.
Ook vragen de leden van de fractie van GroenLinks wie op basis van welke informatie, wanneer vaststelt in welke mate natuur- of milieuschade optreedt.
De wijze waarop informatie wordt verzameld en wie dit uitvoert, zal per milieurisico en –thema verschillen. De informatie komt van diverse kennisinstellingen, zoals het RIVM en het PBL, internationale gremia en diverse stakeholders, waarbij de betrokkenheid van de burger van toenemend belang is. Zo zal ook de vaststelling in welke mate natuur- of milieuschade optreedt, per milieurisico of –thema verschillen. Dit zal afhankelijk zijn van wet- en regelgeving, convenanten, commissies en andere instrumenten.
In het Programma Natuur zullen Rijk en provincies nader gaan uitwerken hoe de langjarige investeringen in natuur zullen worden ingezet, gericht op een optimaal doelbereik in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Daarbij zullen we ook het belang van verbindingen en een goed functionerend ecologisch netwerk meenemen. Uw Kamer zal regelmatig worden geïnformeerd over de voortgang bij het Programma Natuur. In het kader van het Nationale programma voor het landelijk gebied zal in nauwe samenspraak met decentrale overheden en betrokken partijen een strategie op hoofdlijnen worden opgesteld, die richting geeft aan toekomstbestendige ontwikkeling van functies in het landelijk gebied. Verbinding van natuur en bufferzones rond natuurgebieden kan een onderdeel daarvan zijn.
De Natuurwetgeving (nu: de Wet Natuurbescherming en na inwerkingtreding de Omgevingswet) is gericht op het beschermen van gebieden en soorten en op het voorkomen van schade aan natuur. De natuurwetgeving sluit ontwikkeling in Natura 2000 gebied niet per definitie uit. Tot op zekere hoogte is er ruimte voor een weging van natuur en andere belangen, mits zekerheid kan worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Als die zekerheid niet kan worden verkregen, kan ingeval van dwingende redenen van groot openbaar belang, of bij gebrek aan alternatieven alsnog toestemming voor een plan worden gegeven, als voorzien is in adequate natuurcompensatie.
38
De GroenLinks-fractie vraagt naar hoe de regering de verhouding tussen de NOVI en het MIRT ziet, en hoe ervoor gezorgd wordt dat de keuzes voor het verbeteren van de leefomgeving en de landschappelijke kwaliteit in de NOVI ook landen binnen de afspraken die in het MIRT worden gemaakt.
Daarop wil ik antwoorden dat de NOVI fungeert als overkoepelende integrale visie op alle aspecten van de fysieke leefomgeving, waarvan mobiliteit, bereikbaarheid en infrastructuur onderdelen zijn. Deze visie wordt per landsdeel uitgewerkt in de Omgevingsagenda’s waarin de gedeelde opgaven per regio worden gedefinieerd. Ook in verstedelijkingsstrategieën die gerichter zijn op stedelijke regio’s binnen de landsdelen worden bijvoorbeeld de gevolgen voor het mobiliteitssysteem bepaald en wordt aangegeven hoe deze kan worden opgevangen. De NOVI, de Omgevingsagenda’s en de verstedelijkingsstrategieën zijn inbreng voor de gesprekken die in het kader van het MIRT en de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving worden gevoerd met de regionale overheden. Investeringen vanuit het MIRT in bereikbaarheid, infrastructuur en waterveiligheid worden breed afgewogen binnen het brede scala van de fysieke leefomgeving. We werken binnen het MIRT opgavegericht en gebiedspecifiek, en zoeken dus naar de beste oplossingen voor de opgaven per gebied, en nemen daarbij alle modaliteiten mee in de overweging. Kwaliteit van de leefomgeving en landschappelijke kwaliteit zijn hier onderdeel van.
De GroenLinks-fractie vraagt verder hoe we ervoor gaan zorgen voor dat investeringen in het OV en aangewezen ontwikkelingslocaties goed met elkaar in verband worden gebracht.
Hier kan ik op antwoorden dat ik samenwerk met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat om ervoor te zorgen dat passende bereikbaarheid kan worden geboden bij de in de NOVI voorgenomen ontwikkellocaties. Zo werken we samen in de regionale verstedelijkingsstrategieën en de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s om de verstedelijkings- en mobiliteitsopgaven in de grootstedelijke regio’s samen te brengen, en wordt mobiliteit meegenomen in de afwegingen van de woningbouwimpuls. In de Bestuurlijke overleggen MIRT en in de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving maken Rijk en regio hierover afspraken.
Verder vraagt de GroenLinks-fractie naar de verhouding tussen de RIA’s van de NOVI-alliantie, de recente gesloten Woondeals van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en investeringen in bereikbaarheid.
Hierop kan ik antwoorden dat de RIA’s een initiatief zijn van de NOVI-alliantie als ondersteuning van de NOVI. Op dit moment wordt in verschillende regio’s gewerkt aan deze RIA’s, en deze zijn mede input vanuit die regio’s voor de overleggen in het kader van de NOVI in bijvoorbeeld de BO’s Leefomgeving. De woondeals zijn afspraken met 6 regio’s: Metropoolregio Utrecht, Metropoolregio Amsterdam, regio Arnhem-Nijmegen, gemeente Groningen, Eindhoven en Zuidelijke Randstad. In deze deals zijn afspraken gemaakt over woningbouw, betere werking van de woningmarkt en ook over 12 stedelijke vernieuwingsgebieden. In de woondeals zijn ook afspraken gemaakt over verstedelijkingsstrategieën voor deze regio’s.
Hierin wordt de woningbouwopgave in samenhang met bereikbaarheid uitgewerkt.
39
De GroenLinks-fractie vraagt over de selectiecriteria voor de NOVI-gebieden en vraagt aandacht voor Eindhoven als mogelijk NOVI-gebied.
Ik verwijs de fractie graag naar de antwoorden op vragen 8 en 15 die ook over de selectiecriteria en Eindhoven als NOVI-gebied gaan.
40
De leden van GroenLinks vragen of ik van plan ben in de NOVI richtinggevende keuzes op te nemen over burgerinitiatieven en zelfbouw en zo nee, waarom niet.
Zie het antwoord bij 24 over zelfbouw.
Burgerinitiatieven voor woningbouw juich ik toe en het Rijk speelt daarin ook een stimulerende rol. Enkele voorbeelden: In de Woningwet 2015 is de wooncoöperatie opgenomen, als alternatief voor het traditionele huren of kopen. Vanaf de invoering van de Woningwet ondersteunt Platform31 in opdracht van het ministerie van BZK een groep koplopers in het Actieprogramma wooncoöperaties. En de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en BZK stimuleren en ondersteunen gemeenten, woningcorporaties en burgerinitiatieven via het programma Langer Thuis om te komen tot voldoende geschikte woningen en een passende woon- en leefomgeving. Voor burgerinitiatieven van ouderen is daartoe door het ministerie van VWS de stimuleringsregeling Wonen en zorg opgericht.
41
De leden van de fractie van de SP vragen waar de prioriteit ligt bij de keuze tussen beschermen en ontwikkelen, of er in geen enkel geval een keuzemogelijkheid dient te bestaan tussen beschermen of ontwikkelen en hoe het Rijk belangen tegen elkaar gaat afwegen en borgen dat zaken die bescherming nodig hebben, zoals natuur en landschap, het niet in veel gevallen afleggen tegen zaken als woningbouw en de ruimtelijke inpassing van de energietransitie?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat de in de NOVI genoemde ambities bij voorkeur niet ten koste van elkaar gerealiseerd zullen worden. De uitdaging is om niet te kiezen tussen ambities maar deze in samenhang en balans te realiseren. Zo wil het kabinet in het programma Ons Landschap aan ‘landschapsinclusief’ beleid gaan werken. En in het kader van verstedelijking wordt aandacht besteed aan natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. In samenwerking met decentrale partners wil het kabinet de waarden en kwaliteiten van natuur en landschap beschermen en versterken. Dit door landschap en natuurinclusief vorm te geven aan ruimtelijke ontwikkeling van het landelijk gebied. In het Nationaal Programma voor het landelijk gebied wil het kabinet een strategie op hoofdlijnen gaan schetsen, die richting geeft aan toekomstbestendige ontwikkeling van functies in het landelijk gebied. Zie verder antwoord op vraag 55.
Op nationaal niveau heeft het kabinet in de NOVI voor een aantal nationale belangen en gebieden de keuze voor beschermen gemaakt. De keuzen met betrekking tot natuur en biodiversiteit en landschap en cultureel erfgoed zijn voorbeelden van dergelijke keuzen. Om de biodiversiteit te beschermen bijvoorbeeld wil het kabinet samen met de provincies het Natuurnetwerk Nederland uitbreiden. Dit met als nevendoel ook het landschap te versterken. Om het belang van het beschermen van kwetsbare waarden te benadrukken en handen en voeten te geven, worden in de NOVI en de uitvoeringsagenda verschillende strategieën en voorkeursvolgordes opgenomen. Deze strategieën en voorkeursvolgordes moeten gehanteerd worden bij gebiedsontwikkeling en moeten zorgen voor een zorgvuldige afweging. Met de andere overheden legt het Rijk in de samenwerkingsafspraken het gebruik van deze volgordes vast.
Dergelijke keuzes die juist meer gaan over binnen randvoorwaarden ontwikkelen moeten in het land ook worden gemaakt. Onze economie kan natuurlijk niet zonder ruimte voor bedrijvigheid, om maar een voorbeeld te noemen.
Ook vragen de leden van de SP-fractie naar de relatie tussen de keuzen in de NOVI en vergunningverlening.
Er is geen één op één relatie tussen de keuzes in de NOVI en het verlenen van vergunningen. Zoals onder vraag 26 is aangegeven kan het nemen van regie vorm krijgen door diverse maatregelen. Heel vaak zal het daarbij gaan om inzet van instrumenten zoals, investeringsbeslissingen, programma’s, Omgevingsagenda’s waarbij het Rijk samen met andere overheden werkt aan de opgave in de leefomgeving. Het maken van keuzes en het nemen van regie is dus niet synoniem voor de inzet van juridische instrumenten zoals het aanpassen van beoordelingsregels voor vergunningen. Voor sommige beleidsprioriteiten kan de NOVI leiden tot een aangepaste beoordeling van omgevingsvergunningen. Zo wordt bekeken of de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden aangepast naar aanleiding van de NOVI. Als dit het geval is kan dit ook leiden tot aanpassingen van het beoordelingskader voor bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van nieuwe verstedelijking.
In de Uitvoeringsagenda van de NOVI is aangegeven welke instrumenten worden ingezet bij de beleidsprioriteiten van de NOVI.
De leden van de SP-fractie vragen of de minister kan aangeven hoe de visie om voor veiligheid en gezondheid in de leefomgeving in 2050 tot verwaarloosbare risico’s voor mens en milieu te komen, wordt vertaald in de Omgevingswet en welke concrete maatregelen hiertoe zullen worden ingezet.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar vraag 30.
Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie wat de vertaling van de visie in de Omgevingswet zal betekenen voor de uitstoot, lozing en transport van (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen en andere stoffen die een risico vormen voor mens en milieu.
Daar waar de Omgevingswet het meest geschikte instrument is om dit te realiseren, zal dit als vanzelfsprekend worden ingezet. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gaat om de emissies van chemische stoffen (waaronder zeer zorgwekkende stoffen) naar de lucht, het water en de bodem. Hiervoor worden ook – net als nu – ook onder de Omgevingswet regels gesteld in de algemene rijksregels en in de omgevingsvergunning. Daarnaast zullen ook provincies, waterschappen en gemeenten regels stellen ten aanzien van emissies van stoffen. Ook worden er – evenals onder het huidige recht- onder de Omgevingswet regels gesteld in verband met externe veiligheid, bijvoorbeeld instructieregels op plaatsgebonden risico in het Bkl. Onder de Omgevingswet is de bescherming van personen die minder zelfredzaam zijn versterkt, door de introductie van de categorie zeer kwetsbare gebouwen (bijvoorbeeld kinderdagverblijven en ziekenhuizen).
Voor het reguleren van het transport van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen het geijkte instrument. De Omgevingswet regelt de aandachtsgebieden rondom het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.
42
De leden van de SP-fractie zijn verheugd met de mogelijkheid op zonnepanelen op bedrijfsdaken verplicht te stellen. Ze zijn echter bezorgd over de uitvoerbaarheid. Kan de minister aangeven waarom niet gekozen is voor een generieke maatregel, die zonnepanelen op daken bij nieuwbouw altijd verplicht stelt? Kan de minister aangeven hoe de mogelijkheid van oneerlijke concurrentie tussen gemeenten wordt voorkomen, als de ene gemeente wel de zonnepanelen verplicht en de andere niet?
De mogelijkheid waar het in deze vraag om gaat is de voorgenomen maatwerkmogelijkheid voor gemeenten in de bouwregelgeving, om het duurzaam gebruik van daken in gevallen te verplichten. Er is niet gekozen voor een generieke landelijke verplichting om altijd zonnepanelen verplicht te stellen. Ten eerste zou dit in gevallen tot disproportionele effecten kunnen leiden: in sommige gebieden is de netcapaciteit te gering om de energie van zon-PV op alle daken aan te kunnen of is het plaatsen van zon-PV door de situering niet goed mogelijk.
Ten tweede is er in de NOVI (mede naar aanleiding van de motie Dik Faber c.s., Kamerstukken II, 32 813, nr. 204) een voorkeursvolgorde met provincies en gemeenten overeengekomen die zij kunnen benutten om af te wegen waar zon- PV het beste kan worden ingepast. Het is passend dat na deze afweging lokale afweging aan de hand van deze volgorde, beleid en zo nodig regelgeving lokaal kan worden vastgesteld. Een landelijke generieke verplichting zou deze afweging doorkruisen. Ook kan er lokaal beter bezien worden of het duurzaam gebruik van het dak inderdaad het beste de vorm kan krijgen van duurzame energieopwekking, of dat er in een gebied beter voor een andere duurzame oplossing gekozen kan worden, zoals een groen dak of wateropslag.
Met de inzet van maatwerk ontstaan er inderdaad lokale verschillen, dat is inherent aan het instrument en past binnen de bedoelingen van de
Omgevingswet. De ene gemeente kan verdergaande ambities hebben dan de ander, of kan in het kader van de keuzes gemaakt in de RES ander soortige maatregelen moeten treffen. De precieze uitwerking kan dus verschillen tussen gemeentes en ook binnen het grondgebied van één gemeente, maar duidelijk is dat overal in Nederland anders gepland en gebouwd zal moeten gaan worden.
43
De leden van de SP hebben vragen over de vaststelling van het type woning waaraan behoefte is en over de betaalbaarheid ervan.
Ik kan hierop antwoorden dat onderdeel van de integrale verstedelijkingsstrategie is dat ik per regio en samen met de regio goed kijk naar het type woningen waaraan behoefte is. In de ontwerp-NOVI is aangegeven dat de plannen aan moeten sluiten op zowel de woningbehoefte op de korte als op de langere termijn. De betaalbaarheid van woningen is daarbij een belangrijk aandachtspunt, ook de invulling van de woningbouwprogramma’s heeft -naast vele andere factoren- invloed op het prijsniveau van het wonen in de stad. Naast de betaalbaarheid van de woningen voor de bewoners moeten de investeringen die nodig zijn voor het regionale woningbouwprogramma ook betaalbaar zijn voor de betrokken overheden. De inzet is gericht op ambitieuze, maar ook realistische en haalbare programma’s.
Er worden naast de afwegingen van de integrale verstedelijkingsstrategie geen specifieke voorwaarden gesteld voor de realisatie van bijvoorbeeld dure woningen in een lage dichtheid. In de integrale verstedelijkingsstrategie is opgenomen dat naast de kwantitatieve behoefte ook inzicht moet zijn in de kwalitatieve behoefte.
De SP fractie vraagt verder naar de ruimtelijke voorwaarden bij het bouwen van woningen.
Daarvoor verwijs ik naar de uitgewerkte voorkeursvolgorde in de brief.
44
De leden van de SP-fractie vragen of watergebonden bedrijvigheid en het vervoer over water nadrukkelijk een plaats krijgen in de NOVI, en of deze vorm van bedrijvigheid wordt beschermd en gestimuleerd.
Het kabinet zet zich ten behoeve van de toekomst van het goederenvervoer en de logistiek in op een verdere optimalisering van het gebruik van de beschikbare transportcapaciteiten. Dat betekent dat voor het transport de best passende modaliteit wordt gekozen. Om dit te faciliteren kiest het kabinet bij de inrichting van de bovengemiddelde multimodale knooppunten op de goederencorridors voor het bevorderen van de vestiging van watergebonden bedrijvigheid op plekken met een goede dan wel directe toegang tot het water via kademuren en dergelijk. De uiteindelijke besluitvorming over de inrichting van deze knooppunten en de toekenning van plekken ligt evenwel bij de betreffende lokale en regionale overheden. Tijdens het BO MIRT Goederenvervoercorridors (november 2019) is
afgesproken om een concentratiebeleid te voeren uit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke waarden, beter benutten van infrastructuur, agglomeratievoordelen en duurzaamheid (waaronder modal shift naar water). In het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving (juni 2020) zijn afspraken gemaakt ten aanzien van clustering van logistieke bedrijvigheid op daarvoor geschikte knooppunten door het inzetten van ruimtelijke instrumentarium tussen de verschillende overheidslagen. Provincies vertalen dit door op gemeentelijk niveau. De betreffende passages in de NOVI bieden provincies en gemeenten daarvoor aanknopingspunten.
45
De leden van de SP-fractie zijn verheugd over de voorgenomen uitbreiding van de natuur met 41.000 hectare in 2027 en de aanleg van 37.000 hectare extra bos in 2030. Ze vragen of het hier gaat om een extra uitbreiding of dat deze valt binnen de lopende afspraak met de provincies om in 2027 de natuur met 80.000 hectare te hebben uitgebreid? Ook vragen ze of met dit voornemen bedoeld wordt dat er in totaal 78.000 hectare natuur bij komt of dat sprake is van een overlap van deze gebieden?
De 41.000 hectare nieuwe natuur in 2027 is onderdeel van de uitbreidingstaakstelling van het Natuurnetwerk Nederland (in totaal 80.000 hectare) en betreft dus een reeds voorziene uitbreiding van de natuur.
De 37.000 hectare nieuw bos in 2030 betreft een nieuwe ambitie van Rijk en provincies. Het is nu nog niet bekend waar deze uitbreiding zal plaatsvinden. Het is aannemelijk dat een deel van deze hectares zal overlappen met de 41.000 hectare nieuwe natuur en een deel niet. Dit zal nader worden uitgewerkt in de tweede fase van de bossenstrategie.
De leden van de SP-fractie vragen of bij het beschermen van N2000 gebieden en het inrichten van bufferzones de problematiek rond bodemdaling nadrukkelijk wordt meegenomen?
Waar nodig zal bij het beschermen en beheren van Natura 2000-gebieden en bufferzones inderdaad rekening worden gehouden met bodemdaling, bijvoorbeeld bij de aanpak van de veenweideproblematiek.
46
De leden van de SP-fractie vragen de minister om, voor een betere vergelijkingsmogelijkheid, de in het voorstel genoemde bandbreedtes, naast het beslag op het oppervlak, ook het opgewekte vermogen in Petajoule (Pj) per jaar aan te geven?
De Kamerbrief over de NOVI is bedoeld om duiding te geven van de ruimtelijke impact van de energietransitie (ondanks dat die van vele factoren afhankelijk is). De bandbreedtes komen voort uit de scenario’s uit de studie Klimaatneutrale Energiescenario’s 2050 die in opdracht van de netbeheerders zijn uitgewerkt, en de bijbehorende ruimtelijke uitwerking die in opdracht van de ministeries van EZK
en BZK is uitgevoerd. In de Kamerbrief van 15 april jl. zijn deze studies met u gedeeld (Kamerstuk 32 813, nr. 493). In die studies worden de scenario’s uitgebreid weergegeven, zowel in termen van vermogen (GW) als energieproductie (PJ).
De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze het Emission Trading System (ETS) naast de beperking van de uitstoot CO2, ook bijdraagt aan het energieverbruik van het betrokken bedrijf?
Het ETS biedt prikkels voor emissiereductie bij bedrijven. Energiebesparing (met name voor warmte) draagt ook bij aan emissiereductie. Bedrijven worden dus ook geprikkeld om het energieverbruik te verminderen.
De SP vraagt op welke wijze de natuurgebieden op en langs de kust beschermd zullen worden als het gaat om de aanleg van zogenaamde energiehubs?
De wijze van bescherming van de natuur op en rond de kust zal afhankelijk zijn van de te kiezen locatie.
Indien er plannen zijn voor deze projecten in of nabij deze gebieden zijn daar uiteraard de wettelijke vereisten voor natuurbescherming van toepassing. Het Programma Energiehoofdstructuur zal o.b.v. een integrale afweging (ook in relatie tot andere belangen in de leefomgeving) ontwikkelingsrichtingen aanwijzen.
Daarbij wordt gebruik gemaakt van een Integrale Effectenanalyse, waarbij ook naar aspecten als milieu en natuur wordt gekeken. Ook op projectniveau zullen de belangen van natuur en milieu een evenwichtige plek moeten krijgen in de belangenafweging, daarvoor is het ook verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage te doorlopen.
47
De leden van de SP-fractie zijn het met de minister eens dat er, als het gaat om het landschap, zorgvuldige keuzes gemaakt moeten worden. Ze vragen hoe de effecten op het landschap concreet worden meegenomen, wat er concreet wordt bedoeld met landschappelijke kwaliteit en welke criteria het Rijk hanteert bij het monitoren hiervan. En op welke wijze zaken als gezondheid en participatie gewaarborgd worden?
Om voor het landschap zorgvuldige keuzes te maken hanteert de NOVI de drie afwegingsprincipes.
Gezien het belang van landschappelijke kwaliteit, hanteert de NOVI als uitgangspunt: behouden van wat waardevol is, en ontwikkelen met kwaliteit. Wat deze kwaliteit bepaalt, kan per landschapstype verschillen en kan hier niet éénduidig benoemd worden. Vanuit het programma ONS Landschap wordt in kaart gebracht wat de structuurdragers van het Nederlandse landschap zijn. Dit betreft (een samenstel van) landschaps- en erfgoedkenmerken die het karakter bepalen. Deze kunnen vervolgens worden gebruikt ten bate van de ontwikkeling van kwaliteitskaders, welke door verschillende overheden toegepast kunnen worden. Regionale partijen werken, waar dat nog niet is gebeurd, samen uit wat
de gebiedsgerichte unieke landschappelijke kwaliteiten en onderliggende waarden zijn, en leggen deze vast in beleid en regelgeving. Indien de ontwikkelingen in de leefomgeving daartoe aanleiding geven” kan aanvullend het meer sturend instrumentarium uit de Omgevingswet (zoals instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), projectbesluiten en instructiebesluiten) worden ingezet.
Daarnaast wordt gewerkt aan een landsdekkende Monitor Landschap, waarvan de proefversie onlangs is opgeleverd. Eind 2020 kan op alle indicatoren een nulmeting worden verricht, waarna veranderingen in het landschap gemeten zullen worden. Het Planbureau voor de Leefomgeving zal de veranderingen duiden en hierop het Rijk adviseren.
Bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving is een nationaal belang onder meer vanwege de invloed op gezondheid. De ontwikkeling van de leefomgeving moet in balans zijn met bescherming van waarden als gezondheid, veiligheid, landschap, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Het Rijk zorgt onder andere via normstelling voor de bescherming van een gezonde leefomgeving. Maar ook via beleidsregels en afspraken, zoals bijvoorbeeld het Schone Lucht Akkoord en ondersteuning met informatie over bijvoorbeeld gezondheid en veehouderij. Daarnaast is de inzet om de leefomgeving zodanig in te richten dat de gezondheid van mensen bevorderd wordt door te verleiden tot een gezonde leefstijl, zoals bewegen (sporten, bewegen, fietsen en wandelen), spelen, ontspannen en het ontmoeten van anderen.
Gemeenten, waterschappen en provincies zijn primair verantwoordelijk voor de leefomgeving. Participatie vraagt om maatwerk per opgave, gebied en bestuurlijke situatie. De uitdaging is de opgaven en aanpak te koppelen aan het schaalniveau waar de meeste mensen direct mee te maken hebben, zich betrokken bij voelen en concrete handelingsperspectieven (willen) hebben
48
De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de inwoners van ons land betrokken bij het opstellen van de regionale energie strategie (RES)? Of de minister bereid is de regionale energie strategie via een nationale mediacampagne onder de aandacht te brengen van de Nederlandse bevolking en hen te wijzen op de mogelijkheid hierin te participeren en de noodzakelijkheid daarvan? En op welke wijze de huidige coronacrisis van invloed is op het participatieproces rond de RES en hoe zich dit verhoudt met de agenda en de planning van de RES?
Participatie vanuit de samenleving is cruciaal om tot breed gedragen keuzes in de RES’en te komen. Dat vraagt voor iedere RES een uitnodigend proces waarin de participatie van inwoners, bedrijven en belangengroepen is verankerd. De regio’s geven hier zelf invulling aan, passend bij de kenmerken van de regio. Net als voor het gehele RES-proces geldt ook voor burgerparticipatie dat dit vraagt om maatwerk dat past bij de kenmerken van de regio, haar inwoners en de stappen
in het RES-proces. De RES-regio’s vullen participatie dus in op een manier die past bij de regio. Een nationale campagne ter bevordering van burgerparticipatie in de RES’en zou daar niet bij aansluiten.
Door de Coronacrisis is besloten tot verlenging van de periode om een concept- RES aan te leveren tot 1 oktober 2020. De regio’s zijn verzocht om deze tijd te benutten om zoveel mogelijk de volksvertegenwoordigers en samenleving te betrekken bij het werken aan RES 1.0 (op te leveren op 1 juli 2021) zodat er geen vertraging optreedt.
In deze fase van het proces is het nog te vroeg voor een eenduidig beeld over de stand van zaken omtrent burgerparticipatie in de RES’en. Wel is duidelijk dat alle regio’s hier actief mee bezig zijn, dat zij dit op verschillende manieren doen en dat via het NP RES actieve uitwisseling en ondersteuning plaatsvindt. Het Nationaal Programma RES biedt een actief platform voor ondersteuning en uitwisseling; zowel voor de bijzondere vragen in tijden van corona als in de volgende fase richting RES 1.0. In die fase zal er een intensivering plaatsvinden op het vlak van draagvlak en participatie. Tevens zal NP RES de ondersteuning op dat vlak intensiveren.
49
De leden van de SP-fractie vragen of de minister bereid is om te onderzoeken op welke wijze het beperken van het intensief watergebruik door industrie en landbouw, een voorwaarde kan zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen?
Zie antwoord op vraag 25.
50
De leden van de PvdA-fractie hebben zorgen over de effecten van de Corona-crisis op de structuur, de kwaliteit en de samenhang van de stads- en dorpscentra, vragen of het kabinet deze zorgen deelt en of wat het kabinet van plan is om het proces van herstructurering en herinrichting te ondersteunen.
Los van de impact op de NOVI, waar ik al eerder op ben ingegaan, is het kabinet zeer actief in de ondersteuning, ook financieel, van de gemeenten. De genomen maatregelen gericht op beperking van verdere verspreiding van het COVID-19 virus hebben een grote impact op het gedrag van burgers, met grote economische gevolgen. Winkels, horeca, bedrijven en culturele instellingen als theaters en musea kampen met enorme omzetdalingen. Vooralsnog is niet duidelijk wat de gevolgen op langere termijn zijn, in hoeverre faillissementen optreden, of meer leegstand in winkelstraten ontstaat en of het koopgedrag van consumenten structureel verandert.
Reeds voor de uitbraak van COVID-19 was sprake van veranderingen in consumentenvoorkeuren en ook door autonome ontwikkelingen als bevolkingskrimp, vergrijzing en technologische ontwikkelingen staan veel winkelgebieden en de leefbaarheid van binnensteden en dorpscentra onder druk.
Dit doet zich het sterkst voelen in de middelgrote steden. Veel steden zullen te maken krijgen met oplopende leegstand. Dit heeft niet alleen grote gevolgen voor retail, maar ook voor de leefbaarheid. Om die leefbaarheid ook voor de toekomst te borgen staan deze steden voor een grote en complexe transformatieopgave.
Door in te zetten op multifunctionaliteit worden binnensteden in staat flexibel te reageren op toekomstige ontwikkelingen. Bij het vaststellen van de behoefte aan winkels, horeca en aanverwante functies worden is het van belang de transformatiemogelijkheden van de bestaande dorpscentra en binnensteden te betrekken. Provincies en gemeenten werken reeds samen aan een inventarisatie van knelpunten en mogelijkheden tot herstructurering van winkelcentra en binnensteden. Het PBL doet onderzoek naar de effecten van de economische recessie als gevolg van COVID-19 op de vitaliteit van binnensteden en mogelijke consequenties voor de fysieke inrichting van binnensteden. De resultaten worden in najaar 2020 verwacht.
51
De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister bereid is deze bevoegdheid om zonnepanelen op nieuwe gebouwen te verplichten te verruimen door gemeenten, onder voorwaarden, ook de bevoegdheid te geven om op meer plaatsen het zo veel mogelijk plaatsen van zonnepanelen verplicht te stellen, zoals overruimtes op bedrijfsgronden?
De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar de voorgenomen wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving waarmee gemeenten de mogelijkheid zullen krijgen aanvullend op de bouwregelgeving eisen te stellen aan het duurzaam gebruik van daken van bepaalde gebouwen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving stelt op grond van artikelen 4.3 en 4.21 in de Omgevingswet alleen regels over het bouwwerk zelf. Op grond van uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ is het een bevoegdheid voor de gemeente (en provincies en waterschappen) om regels te stellen over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, tenzij het Rijk bij wet anders bepaald heeft. Aangezien het Rijk alleen het stellen van regels over bouwwerken zelf naar zich toe heeft getrokken, hebben gemeenten automatisch de bevoegdheid regels te stellen over de omliggende gronden die niet het bouwwerk betreffen. Hiervoor hoeft geen grondslag of maatwerk in de rijksregels te worden opgenomen.
52
De leden van de PvdA vragen naar de behoefte aan aanvullend instrumentarium ter bevordering van de woningbouw, bijvoorbeeld in de vorm van een meerjarige investeringsagenda voor de woningbouw.
In antwoord hierop kan ik aangeven dat het kabinet een hoge prioriteit toekent aan het terugdringen van het woningtekort. De stikstofcrisis en Corona-pandemie en de economische schok die daarop volgt, versterken alleen maar het belang van een actieve rol van het rijk in het stimuleren van de woningbouw. De kaders daarvoor heb ik uiteengezet in de brief die ik u hierover begin dit jaar gestuurd
heb (Kamerbrief 2019/20, 32 847, nr.612). Het kabinet heeft € 1 miljard euro gereserveerd voor een impuls van de woningbouw in de stedelijke regio’s met de grootste woningvraag en € 1 miljard voor de woningbouw door woningcorporaties, middels een heffingskorting. De besluitvorming op de eerste tranche van de Woningbouwimpuls is nu in voorbereiding. Ook wordt in MIRT-kader in de regionale verstedelijkings-strategieën en de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s intensief samengewerkt om de woningbouw- en bereikbaarheidsopgave in samenhang uit te werken, inclusief bijbehorende investeringen.
Het is onzeker hoe gevolgen van de coronacrisis voor de economie als geheel en de bouw in het bijzonder zich verder zullen ontwikkelen. Daarom ben ik met de sector in gesprek over de effecten en onderzoek ik of en zo ja welke verdere maatregelen nodig zijn om de bouw te kunnen laten doorbouwen. Als ik signalen krijg dat er maatregelen nodig zijn kom ik hier bij uw Kamer op terug.
53
Leden van de PVDA fractie vragen of de minister de opvatting deelt dat bij de verkenning van wonen in het groen natuur en open landschap bescherming verdient? En vragen zich af hoe natuurgebieden , natuurwaarden en weidevogelgebieden worden beschermd?
Ik onderschrijf de mening van de leden van de PvdA-fractie dat bij menging van functies aan stadsranden ‘groen wonen’ natuur en open landschap bescherming verdienen. Nieuwe bouwopgaven worden bij voorkeur geaccommodeerd in binnenstedelijk gebied. Waar dit niet mogelijk is kan na zorgvuldige weging van belangen gekozen worden voor buitenstedelijke uitbreiding. Dit in een samenhangende aanpak van de stad en ommeland en van de groenstructuur binnen en buiten de stad.
Met het opnemen van landschap als een nationaal belang in de NOVI, het inrichten van het beleidsprogramma ONS Landschap en het landschapsinclusief maken van de grote transities in de fysieke leefomgeving, maakt het kabinet duidelijk dat het bij wil dragen aan een landschapsinclusief omgevingsbeleid.
De natuur wordt beschermd door het vigerende natuurbeleid; de Wet Natuurbescherming, de ruimtelijke uitwerking daarvan in ieder gebied en het beleid voor de bescherming van soorten. Daarnaast kunnen natuurinclusieve ontwikkeling en natuurinclusief bouwen bijdragen aan behoud en versterking van natuurkwaliteit. Natuurinclusief bouwen wordt het uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelopgaven. Zorgvuldig ontwerp speelt daarin een belangrijke rol. Zo kunnen doorlopende groenstructuren fungeren als ecologische verbindingszones tussen stad en ommeland. Hierdoor worden natuurwaarden beschermd en kunnen weidevogelgebieden worden behoed voor aantasting en kan landschappelijke kwaliteit worden versterkt.
54
De leden van de PvdA-fractie vragen naar sturing en monitoring op aspecten van leefomgevingskwaliteit naast de sturing op woningbouwaantallen. De leden vragen ook of ik bereid ben in de NOVI te formuleren dat nieuwe woonwijken aangesloten zijn op het OV-netwerk.
Naast sturing op woningaantallen wordt gestuurd op leefomgevingskwaliteit, bijvoorbeeld door het bevorderen van water en groen in de stad en natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De genoemde punten zijn onderdeel van de integrale verstedelijkingsstrategie van de NOVI. Ook de koppeling tussen ruimtelijke planning en de ontwikkeling van het mobiliteitssysteem is daarvan een onderdeel. Bij ruimtelijke plannen moeten de gevolgen voor het mobiliteitssysteem worden aangegeven en hoe deze worden opgevangen. Deze strategie wordt in de regio’s waarin het Rijk participeert door het Rijk direct ingebracht in de regionale verstedelijkingsstrategie. Daarnaast wordt de integrale verstedelijkingsstrategie gezamenlijk met andere overheden nader uitgewerkt in het programma Verstedelijking en Wonen. Daarbij zal ook worden bezien of onderdelen daarvan een meer verplichtend karakter moeten krijgen in de vorm van een instructieregel.
De fractie pleit voor extra inzet op aansluiting op het Europese HSL-netwerk en vragen welke instrumenten ingezet worden om dit te bereiken.
In de contouren van het Toekomstbeeld OV van vorig jaar februari schetst de staatssecretaris van IenW richting de toekomst de inzet op vaak en snel reizen in een brede stedelijke ring, met enkele sterke assen naar de verschillende landsdelen en de landen om ons heen. Dit vraagt om maatwerk op deze verschillende assen naar de landsdelen in termen van frequentie, stops en snelheid en hiermee samenhangende strategieën op het gebied van auto, fiets en HOV. Wat betreft de internationale bereikbaarheid per spoor schetsen de contouren dat we inzetten op het snel aansluiten op het Europese HSL-netwerk, bijvoorbeeld door IC-netwerken te koppelen aan IC-stations over de grens met aansluitingen op HSL-netwerken. De (kosten)effectiviteit, de wijze en het tempo van dergelijke verbeteringen worden momenteel in het kader van de uitwerking van de contouren van het Toekomstbeeld OV nader onderzocht. De resultaten van al deze onderzoeken worden meegenomen naar de ontwikkelagenda van het Toekomstbeeld OV dat richting dit najaar met regio’s en vervoerders wordt opgesteld. Zolang er nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over investeringen in infrastructuur worden er ook geen ruimtelijke reserveringen vastgelegd.
De leden van de PvdA vragen of het gewenst is om in de NOVI op te nemen dat logistieke centra primair moeten worden ontwikkeld op plaatsen waar spoor- en/of waterverbindingen aanwezig zijn.
Ik onderschrijf dat het in het licht van het beperken van (de groei van) het aantal verkeersbewegingen over de weg het verstandig is logistieke centra daar te ontwikkelen waar (tevens) spoor- en/of waterverbindingen zijn. Zo creëren we de mogelijkheid tot uitwisseling tussen modaliteiten. Daarom neem ik in de NOVI op te willen bevorderen dat logistieke clusters multimodaal ontsloten zijn voor
goederen en voor personen. Ook vraagt de vestiging van deze clusters om meer actieve sturing vanuit overheden. Daarom neem ik ook op dat Rijk en provincies daartoe een gecoördineerde strategie ontwikkelen om de impact op landschap, milieukwaliteit en de mobiliteit / infrastructuur te beperken. Zij zullen gezamenlijk de geschikte locaties benoemen en de afspraken hierover opnemen in de Omgevingsagenda’s.
55
De leden van de PvdA-fractie vragen welke investeringen nodig zijn om 100 % doelbereik van de Vogel en Habitat Richtlijn te realiseren en welk tijdpad wordt hiervoor opgenomen in de NOVI?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft inderdaad berekend dat het zogeheten VHR-doelbereik met het huidige beleid (Natuurpact 2013) kan oplopen naar ongeveer 65% in 2027.
Het PBL heeft ook een ‘quick scan’ uitgevoerd naar de beoogde extra investering van € 300 miljoen per jaar voor natuur in de periode tot en met 2030. De inschatting van het PBL is dat hiermee ongeveer 5%-7% extra VHR-doelbereik kan worden gerealiseerd.
Hiermee heeft u een globaal beeld van aan welke bedragen moet worden gedacht. Echter: het is niet mogelijk om de € 300 miljoen per jaar lineair door te vertalen naar 100% doelbereik. Allereerst omdat ook externe factoren van grote invloed zijn op het VHR-doelbereik. Zo is het aannemelijk dat de aangekondigde bronmaatregelen een positief effect hebben op het VHR-doelbereik; deze zijn niet verdisconteerd in de inschatting van 5%-7% van het PBL. Ook zullen aan andere typen maatregelen, zoals beleid gericht op de ontwikkeling naar een natuurinclusieve samenleving, weer andere prijskaartjes hangen dan aan de maatregelen die nu in het investeringspakket van € 300 miljoen per jaar zitten.
Ook de investeringen tot 2050 in de Programmatische Aanpak Grote Wateren zijn niet meegerekend in de inschatting van het PBL.
De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de inpassing van duurzame energie, de realisatie van natuur, waaronder de bossenstrategie, de aanpak van het veenweidegebied en de herstructurering van de landbouw vraagt om een nieuwe, grootschalige herverkaveling van het landelijk gebied. De leden van de PvdA-fractie hebben gepleit voor veel actiever grondbeleid op nationaal niveau. Deelt de minister de opvatting dat door het innemen van grondposities bijgedragen kan worden aan het realiseren van natuurinclusieve kringlooplandbouw, door grootschalig beschikbaar komende agrarische gronden op te kopen, via pachtconstructies aan agrarisch ondernemers uit te geven in combinatie met pachtvoorwaarden waarin natuurinclusieve kringlooplandbouw als voorwaarde is opgenomen? Is in het licht van het monetaire beleid, gericht op aanhoudend lage rente (de rente voor staatsleningen met een looptijd van 30 jaar schommelt rond nul procent), het verwerven van grondposities in combinatie met andere instrumenten (zoals verpachting) naar uw oordeel ook niet een doelmatig instrument? Is de minister bereid businesscases hiervoor te laten onderzoeken? Is
grondverwerving in combinatie van peilverhoging in het veenweidegebied een doelmatige vorm om de veenoxydatie te verminderen om zo tot reductie van uitstoot van CO2 te komen? Deze leden vragen of het niet tijd is voor een aanpak Ruimte voor Energietransitie en Klimaatadaptie om, naar analogie van het programma Ruimte voor de Rivier waarin actief en robuust grondbeleid is versterkt met instrumenten als landinrichting, de noodzakelijke herschikking van functies en de urgente transities te versnellen.
Met het in de NOVI-brief aangekondigde Nationaal Programma voor het landelijk gebied, dat wij samen met de mede-overheden zullen ontwikkelen, willen wij bijdragen aan een voortvarende uitvoering van deze nationale opgaven, zoals natuurversterking, stikstofreductie, klimaatadaptatie, kringlooplandbouw, verstedelijking en energie.
Binnen dit programma zal, samen met andere overheden, worden verkend wat er aan aanpak nodig is. Ook het uitwerken van passend en benodigd instrumentarium is onderdeel van de strategie die in dit programma zal worden ontwikkeld.
Daarbij is het zo dat er op dit moment al veel instrumentarium beschikbaar is zoals als kavelruil, landinrichting en onteigening. In hoeverre deze instrumenten effectief kunnen zijn vraagt gebiedspecifieke analyses en afwegingen. Dat geldt ook voor grondbanken en actief grondbeleid. We zullen binnen het programma met andere overheden en maatschappelijke partijen verkennen wat er nodig is om de grondmobiliteit op gang te brengen op een manier die dienstig is aan een toekomstbestendige ontwikkeling van o.a. natuur en landbouw. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld (regionale) grondfondsen.
De PvdA-fractie geeft aan dat de Nederlandse nationale parken bij uitstek geschikt zijn om natuurwaarden te versterken en recreatie- en belevingsmogelijkheden te verbeteren en vraagt de minister welke kansen zij ziet om de nationale parken in Nederland verder te versterken en te ondersteunen.
Ik deel het standpunt van de fractie over het belang van de Nederlandse nationale parken. Nationale parken zijn niet alleen de pronkstukken van onze natuur, ze bieden ook kansen om op een ruimer schaalniveau natuur- en landschapsinclusief ruimtegebruik te bevorderen.
Daarom is de afgelopen jaren een kwaliteitssprong ingezet samen met provincies, parken, toeristenbranche, ondernemers en terreinbeherende - en natuurorganisaties. De minister van LNV ondersteunt deze kwaliteitssprong concreet met het beschikbaar stellen van subsidie voor parken die in de jaren 2021-2023 ambities uit de werkversie van de ’Standaard voor de gebiedsaanduiding nationale parken’ dichterbij willen brengen. De regeling is op 2 juni open gesteld. Het initiatief ligt nadrukkelijk bij de parken zelf, het gebeurt in de regio. Een van de uitdagingen voor de nationale parken is het leggen van een koppeling tussen de gewenste regionale ontwikkeling met grote transities als in de landbouw, klimaat en energie zijn voorzien. Zo verwacht ik dat bij inzet van de
extra gelden voor natuur en stikstof de mogelijkheden die nationale parken bieden goed worden benut.
De evaluatie hierover komt binnen 2 jaar en is een goed moment om naar de gewenste vervolgstappen te kijken.
56
De leden van de PvdA-fractie constateren dat veel meer zon op land wordt verwacht dan zon op daken en vragen hoe zich dit verhoudt met wens dat zonnepanelen met voorrang op daken moeten worden geplaatst? Hoeveel dakareaal is beschikbaar in Nederland? En of de minister bereid is met een samenhangende aanpak (naast ruimtelijk beleid ook het subsidie instrumentarium) recht te doen aan het voorrangsprincipe voor zon op daken?
De genoemde bandbreedtes komen voort uit de Klimaatneutrale Energiescenario’s 2050 en daarbij behorende ruimtelijke inventarisatie. Het Klimaatakkoord wordt als vertrekpunt genomen voor scenario’s in 2050. De scenario’s zijn geen uitwerking van het Klimaatakkoord of het beleid van dit kabinet. De scenario’s zijn de (uiterste) hoekpunten van de mogelijke energievoorziening in 2050 en dus geen prognoses. Op basis van deze studie is er circa 325 km2 geschikt dakareaal voor zon-pv. In het regionale scenario wordt bijvoorbeeld hoog ingezet op 66% benutting van dat oppervlak.
Het verkennen van de inzet van beleidsmaatregelen was geen doel of onderdeel van de studie. De scenario’s geven daarom geen aanleiding om momenteel beleidsmaatregelen van het kabinet te heroverwegen of om uitspraken te doen over het kabinetsbeleid. De scenario’s kunnen benut worden bij het ontwikkelen van beleid, maar het zal altijd een mix zijn en de inzet ontwikkeld zich ook mee met nieuwe ontwikkelingen.
In zijn brief in antwoord op de motie Dik-Faber over een zonneladder als afwegingskader voor de inpassing van zon-PV (Kamerstuk 34 682, nr. 29) beschrijft de minister van EZK zijn aanpak voor het bewerkstelligen van een voorkeursvolgorde en daarbij ook de inzet van financieel instrumentarium.
Deze leden vragen periodiek te rapporteren over het te verwachten ruimtebeslag van de opwekking, transport en opslag van duurzame energie, de te verwachten knelpunten het beleid en de acties om deze ruimtelijke knelpunten op te lossen.
Het kabinet houdt op verschillende manieren bij hoe het ruimtebeslag voor duurzame energie en het beleid hiervoor zich ontwikkelen. In de beleidscyclus voor NOVI houdt de monitor van de NOVI tweejaarlijks bij welk effect de beleidskeuzes hebben. Ook worden om de vier jaar de beleidskeuzes zelf en de uitvoering hiervan geëvalueerd.
Op kortere termijn komt in NP RES bij de appreciatie van de concept-RES’en ook het effect op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving aan de orde. Zie hiervoor het antwoord op vraag 36.
In NP RES komen daarnaast ook knelpunten ter sprake opdat betrokkenen, waaronder het kabinet, daar actie op kunnen ondernemen.
57
De leden van de PvdA fractie vragen op welke wijze het nationale belang van de drinkwatervoorziening door kan werken in provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies, en hoe de beschikbaarheid van water geborgd wordt als leidend principe bij de ruimtelijke inrichting?
Een van de uitgangspunten in de NOVI is dat de vraag naar water wordt afgestemd met de beschikbaarheid van water door bij de toedeling van watervragendefuncties aan gebieden rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in die gebieden. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat het belang van voldoende beschikbaar water voor de drinkwatervoorziening bij waterverdelingsvraagstukken geborgd wordt. Ook is een van de uitgangspunten vanuit de bouwopgave dat die samen moet gaan met het vermijden van locaties die vanuit het oogpunt van waterhuishouding ongunstig gelegen zijn. Zo wordt rekening gehouden met de situaties waarbij er een wateroverschot, danwel een watertekort. Via de verschillende instrumenten zoals algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de beoordelingskaders bij vergunningsverlening beschermen de bevoegde gezagen de drinkwatervoorziening. De kaders vloeien daarbij voort uit onder andere de Kaderrichtlijn water en de Drinkwaterrichtlijn. Vanuit de Drinkwaterwet hebben de verschillende bestuursorganen ook de taak om zorg te dragen voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening.
Daarnaast willen de leden van de PvdA fractie weten op welke wijze de NOVI borgt dat de regionale afweging ten aanzien van de het vasthouden, verdelen en zuinig omgaan met water regionaal gelijkwaardig en evenwichtig wordt afgewogen.
De voorkeursvolgorde zoals die met de inzichten uit de zomers van 2018 en 2019 is opgesteld voor zoetwater en droogte wordt opgenomen in de NOVI. Uitgangspunt is dat de vraag naar water wordt afgestemd op de beschikbaarheid van water door bij de toedeling van watervragendefuncties aan gebieden rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in die gebieden en door in te zetten op een zuinige omgang met water door watervragendefuncties. Daarbij wordt ingezet op het voorkomen van wateroverlast en tekorten van water door in een gebied de volgende voorkeursvolgorde te hanteren:
beter vasthouden van water om overlast te voorkomen en beschikbaarheid zeker te stellen;
om wateroverlast te voorkomen zijn de vervolgstappen 1) bergen, 2) afvoeren van water;
om watertekort te voorkomen is de vervolgstap het slimmer verdelen over de watervragendefuncties in een gebied;
bij een natuurlijk fenomeen is nooit alle schade te voorkomen, dus als de inzet toch nog onvoldoende is, dan moeten we als samenleving de (rest)schade accepteren en ons daarop voorbereiden.
De waterhuishouding van het oosten en zuiden van Nederland is wezenlijk anders dan die in het westen en noorden. Daarom werken de verschillende zoetwaterregio’s op basis van de nationale deltabeslissingen en voorkeursstrategieën op hun eigen wijze aan de manier waarop daar met regionaal maatwerk invulling aan gegeven kan worden. Via het Deltaprogramma Zoet Water wordt de afstemming gezocht, om zo de ervaringen met elkaar te delen, en vergelijkbare casussen op een vergelijkbare manier te behandelen.
58
De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister bereid is werk te maken van het (doen) instellen van spuitvrije zones. Is de minister bereid hiertoe instructieregels te gaan stellen?
De minister van LNV heeft uw Kamer recent meegedeeld (Kamerstukken, 2019/20, 27 858, nr. 509) om u na het zomerreces te informeren over de bevindingen over dit juridisch advies en daarbij het advies van de Gezondheidsraad – dat in de zomer wordt verwacht – over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden, te betrekken.
De leden van de PvdA-fractie vragen de minister om in de voortzetting van haar inzet in het Programma Vitaal Platteland te komen tot experimenten die naast ruimtelijke uitdagingen ook mobiliteits- en meer sociaal en welzijnsgeoriënteerde leefbaarheidsvraagstukken mee te nemen? En of de minister bereid is te komen tot een systeem van kennisdeling en kennisborging.
Najaar 2018 is in het kader van IBP-Vitaal Platteland in 15 kansrijke gebieden gestart met een open agenda met ruimte voor aanpassing en uitbreiding. Waar partijen meerwaarde zien wordt verbreding naar overige maatschappelijke opgaven van onderop gekoppeld, als ook crossovers met de andere IBP-thema's. Dat kunnen ook mobiliteits- en meer sociaal- en welzijnsgeoriënteerde leefbaarheidsvraagstukken zijn.
Deze agenda’s beogen niet alleen concrete resultaten te realiseren in de gebieden, maar ook meer inzicht te krijgen in de randvoorwaarden om deze resultaten te kunnen boeken, zoals verbeteringen in regelgeving, extra experimenteerruimte en verdienmodellen. De aanpak in deze gebieden moet ook leiden tot kennis en ervaring die in andere gebieden toegepast kan gaan worden.
De minister van LNV zet met de medeoverheden in op kennisdeling en kennisborging, om zo bij te dragen aan het beter kunnen delen van de lessen met regio’s, ook buiten de 15 gebieden waar wordt samengewerkt in het kader van het IBP-Vitaal Platteland. Zij hebben daar vanaf de start in geïnvesteerd door het Planbureau van de Leefomgeving te verzoeken gedurende de looptijd van het IBP Vitaal Platteland een lerende evaluatie uit te voeren. Daarnaast komen alle IBP
Vitaal Platteland gebieden meerdere malen per jaar bij elkaar om samen te leren en ervaringen uit te wisselen. Op de website www.werkplaatsvitaalplatteland.nl worden deze lessen gedeeld, zodat iedereen daar kennis van kan nemen.
Dat gebiedsgericht werken belangrijk is wordt meer en meer breed erkend. De ervaringen en lessen van IBP VP zijn behulpzaam om die wijze van werken door te ontwikkelen, wat overigens ook geldt voor ervaringen en lessen uit andere gebiedsgericht werkwijzen. Het is daarbij wel zaak om de komende tijd het aantal naast elkaar lopende programma’s en projecten te beperken, juist ook om de integraliteit waar de PvdA-fractie terecht op wijst verder te bevorderen. Het kabinet vindt het daarom niet verstandig om het aantal IBP Vitaal Platteland- gebieden nu uit te breiden, maar is wel van mening dat de werkwijze kansrijk is om verder uit te bouwen qua inhoud en qua geografisch bereik.
59
De PvdA-fractie vraagt naar de selectiecriteria voor de NOVI-gebieden en vraagt aandacht voor Groningen, Zuid-Limburg, Zeeuws Vlaanderen en Eindhoven als mogelijk NOVI-gebied.
Ik verwijs de fractie graag naar de antwoorden op vragen 8 en 15 die ook over de selectiecriteria en Eindhoven als NOVI-gebied gaan.
60
De leden van de PvdA vragen of er in de NOVI niet meer focus en inzet moet liggen bij sterke en gezonde steden vanuit een oogpunt van economische ontwikkeling en verduurzaming.
In antwoord hierop kan ik aangeven dat er in de NOVI al veel aandacht is voor de ontwikkeling van de steden als gezonde en aantrekkelijke woonplaats voor burgers, als dragers voor het verdienvermogen en als voortrekker in de verduurzaming. Daarbij zien we dat het gebied waar die snellere stedelijke ontwikkeling plaatsvindt, geleidelijk groter wordt en nu ook Brabantse stedenrij en de regio’s Arnhem/Nijmegen en Zwolle omvat. Met de NOVI zet ik in ontwikkeling van het gehele Stedelijk Netwerk Nederland, waarbij ik alle mogelijkheden in Nederland wil benutten. De ontwikkeling van het OV zoals geschetst in het Toekomstbeeld OV 2040 is daarvoor een belangrijke drager. Zo vergroten we het duurzaam verdienvermogen van Nederland.
61
De leden van de PvdA-fractie vragen of aangegeven kan worden op welke wijze bij wordt gedragen aan kennisontwikkeling en kennisdeling om het effectief gebruik van het nieuwe instrumentarium door decentrale overheden en private partijen te bevorderen.
De leden van de PvdA adresseren terecht de noodzaak tot kennisontwikkeling en kennisdeling om het gebruik van het nieuwe Omgevingswetinstrumentarium te
bevorderen. Landelijk wordt er vanuit het programma Aan de Slag met de Omgevingswet veel inspanning gepleegd om gemeenten, provincies en waterschappen te ondersteunen in hun kennisontwikkeling en het opbouwen van ervaring met het nieuwe instrumentarium. Inzet is partijen door concreet te oefenen te laten zien hoe het straks allemaal praktisch gaat werken. Daartoe is met de bestuurlijke partners een breed palet aan instrumenten ontwikkeld voor een diversiteit aan groepen. Zo zijn er handreikingen met praktische uitleg en informatie beschikbaar gesteld die in combinatie met online leermodules, webinars en bijeenkomst kennis vergroten. Er is een informatiepunt waar vragen gesteld kunnen worden over de wet. Trainers worden opgeleid om collega’s te trainen om zo de kennisopbouw in organisaties te bewerkstelligen. Er zijn regionale implementatiecoaches beschikbaar maar er wordt bijvoorbeeld ook gebruik gemaakt van minder klassieke methoden zoals ‘serious gaming’. Onder andere via een ‘app Buurtje Bouwen’ waarmee in aardrijkskunde onderwijs geoefend kan worden met de basisprincipes van de wet. Het brede palet aan mogelijkheden, instrumenten en bijeenkomsten is beschikbaar via de website https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/implementatie/ondersteuning
62
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd hoe de afweging wordt gemaakt wanneer beschermen en ontwikkelen níet samengaan en hoe wordt voorkomen dat zachte waarden als gezondheid, waterveiligheid en leefomgevingskwaliteit het afleggen tegen harde, economische waarde.
Zie antwoorden onder 11 en 41.
63
De leden van de ChristenUnie vragen zich af of ook bij bestaande energiebronnen rekening wordt gehouden met gezondheidseffecten.
Ten eerste gelden zijn de wettelijke normen van toepassing. Bijvoorbeeld voor de maximaal toelaatbare geluidbelasting en slagschaduw van windturbines op woningen of andere gevoelige objecten, voor het plaatsgebonden veiligheidsrisico’s, of normen voor de luchtkwaliteit i.r.t. emissies. Deze normen zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.
Daarnaast concludeert de PlanMER voor NOVI dat concrete effecten van keuzes voor de energietransitie nu nog niet aan de orde zijn. Veel hangt af van de uitwerking hiervan in vervolgbesluiten. Het PlanMER noemt zowel kansen als risico’s. De richtingen die aan de RES worden meegegeven beogen eventuele negatieve impact op de leefomgevingskwaliteit te beperken en kansen op verbetering hiervan te verzilveren.
Is het kabinet voornemens om het totaal van de RES-en te toetsen op impact op natuur, landschap en landbouwgrond, in het bijzonder als het gaat om zonneparken? Zo nee, waarom niet?
De RES is bij uitstek een decentraal gecoördineerd proces. Regionale afwegingen tussen verschillende belangen leveren straks RES-producten op die worden vertaald in lokale en regionale ruimtelijke plannen, en wanneer geaggregeerd, ook het nationale belang dienen. In iedere RES vraagt dat om een uitnodigend proces waarin de participatie van inwoners, bedrijven en belangengroepen is verankerd. De regio’s geven hier zelf invulling aan, passend bij de kenmerken van de regio. De plannen uit de RES zullen ook hun beslag krijgen in het decentrale omgevingsbeleid. Daarbij worden de planning ook getoetst op milieueffecten in het kader van verplichte procedures voor de milieueffectrapportage.
Op 1 oktober a.s. leveren regio’s hun eerste concept-RES op (vanwege de Coronacrisis is deze deadline verlaat). Deze worden in NP RES geapprecieerd. De analyses van het PBL van deze concepten spelen daar een belangrijke rol in. Het PBL kijkt hierbij naar kwantitatieve aspecten (ten opzichte van het behalen van 35 TWh in 2030) en naar kwalitatieve aspecten. Bij dat laatste wordt onder meer gekeken naar de ruimtelijke impact van de RES’en op bijvoorbeeld het landelijke gebied, en wordt geanalyseerd in hoeverre de richtingen die vanuit de NOVI worden meegegeven aan de RES’en ook zijn toegepast, waaronder de voorkeursvolgorde zon-pv. Uw Kamer zal geïnformeerd worden over de uitkomsten van deze analyse. NP RES geeft op basis van deze analyses en peer review adviezen ter ondersteuning dienen voor de regio’s.
Op een hoger schaalniveau wordt ook gekeken naar effecten op natuur, landschap, landbouwgrond en de energiehoofdinfrastructuur. Indien vanuit oogpunt van nationale belangen bezwaarlijke voorstellen in concept-RES’en komen te staan, dan zal dit middels een bestuurlijke dialoog met deelnemende overheden in het Nationaal Programma RES worden aangekaart teneinde de beste weg voorwaarts te zoeken. Voor conclusies of een steviger verankering in het beleid nodig is het nu nog te vroeg.
64
De leden van de ChristenUnie vragen naar de inzet op verbindingen binnen en buiten het Stedelijk Netwerk Nederland.
Daarop wil ik antwoorden dat het Stedelijk Netwerk zich zeker niet beperkt tot de Randstad, maar nu ook al de stedelijke regio’s van Zwolle, Arnhem/Nijmegen en de Brabantse stedenrij omvat. Daarbij is zoals aangeven in het Toekomstbeeld OV 2040 de intentie om ook in te zetten op sterke assen naar de verschillende landsdelen en de landen om ons heen. Daarmee kan het Stedelijk netwerk Nederland verder groeien richting de grenzen van het land. En zoals in deze nota is aangegeven wordt ook buiten het Stedelijk Netwerk Nederland op de verbindingen naar andere provincie hoofdsteden en steden ingezet op kwaliteitsverbetering en zo mogelijk versnelling van het vervoer. Naast economische overwegingen spelen daarbij ook andere overwegingen, zoals de verdere ontwikkeling van een hoogwaardig OV-systeem voor heel Nederland met het oog op de (sociale) samenhang van ons land.
65
De ChristenUnie-fractie vraagt naar de selectie van de NOVI-gebieden en vraagt aandacht voor Eindhoven en de Kanaalzone (Zeeland) als mogelijk NOVI-gebied.
Ik verwijs de fractie graag naar de antwoorden op vragen 8 en 15 die ook over de selectiecriteria en Eindhoven als NOVI-gebied gaan.
66
De leden van de ChristenUnie geven aan zich zorgen te maken over bouwen in het groen en het mogelijk te gemakkelijk kiezen voor de realisatie van buiten stedelijke woningen en vragen naar de wijze van sturing op meervoudig ruimtegebruik.
Het is van belang prudent met de beschikbare ruimte om te gaan. In veel grootstedelijke regio’s is al duidelijk dat de woningbehoefte zo groot is dat nu of op langere termijn er binnenstedelijk onvoldoende ruimte is, dan zullen er ook buiten stedelijke locaties moeten worden aangewezen. In de brief is aangegeven welke voorkeursvolgorde het kabinet daarbij hanteert. Te gemakkelijk kiezen voor uitleglocaties is niet de bedoeling, dat is ook expliciet in de brief opgenomen. De voorkeur voor binnenstedelijke locaties heeft een vertaling gekregen in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Besluiten tot de ontwikkeling van buiten stedelijke locaties dienen op grond hiervan gemotiveerd te worden. In de verstedelijkingsstrategieën wordt daarom een afweging gemaakt tussen alle belangen die er ter plekke spelen. Ook in relatie tot leefomgevingskwaliteiten en de samenhang met de (ontwikkeling en verduurzaming van) verschillende vervoerswijzen en –diensten. Zodat met tempo én kwaliteit gebouwd kan worden.
Daarnaast vragen de leden van de ChristenUnie of de NOVI wel voldoende ruimte en ondersteuning geeft voor –al dan niet collectief – particulier opdrachtgeverschap.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs is naar mijn antwoord onder 40.
67
De leden van de ChristenUnie lezen met instemming dat zonnepanelen bij nieuwe distributiecentra kunnen worden verplicht. Zij vragen zich af wanneer dit in wet en regelgeving kan worden verankerd en of dit verbreed kan worden naar platte daken van enige omvang.
De genoemde voorgenomen wijziging in het Besluit bouwwerken leefomgeving is het resultaat van de uitwerking van de motie Dik Faber c.s. (Kamerstukken II, 2018-2019, 32813, nr. 204). Deze motie vroeg naast het opstellen van een zonneladder ook om zo nodig aanpassen van regelingen die belemmerend werken. Het feit dat er voor diverse grote nieuwe gebouwen, zoals onverwarmde industriehallen geen energiezuinigheidseisen gelden (BENG-eisen vanaf 1 januari 2021) en deze ook niet lokaal gesteld kunnen worden, wordt door bevoegd
gezagen als een knelpunt ervaren. Via de voorgenomen maatwerkbevoegdheid krijgen gemeenten de bevoegdheid om hier gebiedsgericht wel eisen over te stellen, nadat hier op lokaal niveau besluitvorming en een belangenafweging over heeft plaatsgevonden.
Bezien wordt ook welke wettelijke mogelijkheden gemeenten moeten krijgen om via een maatwerkvoorschrift in het individuele geval, het duurzaam gebruik van het dak te kunnen verplichten. Voor maatregelen in de bestaande bouw zal de proportionaliteit van de maatregel altijd in het individuele geval moeten worden gemotiveerd.
Het voornemen is deze wijziging tegelijkertijd het Besluit bouwwerken leefomgeving zelf in werking te laten treden op 1 januari 2022, de voorgenomen datum van inwerkingtreding van het stelsel van de Omgevingswet.
Het is niet nodig daarnaast de constructieve eisen voor de sterkte van daken aan te passen. Wanneer het dak zwaarder belast wordt, bijvoorbeeld door zon-PV, volgt uit de technische constructie-eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving automatisch dat de constructie van het dak hier geschikt voor moet zijn. Wanneer een dak dus voorzien wordt van zon-PV - ongeacht of dit is om te voldoen aan de energieprestatie-eisen voor nieuwbouw, de hier genoemde maatwerkmogelijkheden van gemeenten of vrijwillig - moet het dak ook voldoende sterk hiervoor zijn. Als het dak daarvoor nog niet geschikt is, zal het daarop dus moeten worden aangepast.
Overigens leiden innovaties er tevens toe dat panelen lichter worden, waardoor meer (bestaande) constructies geschikt zijn voor het plaatsen van zonnepanelen. Aanvullend op deze systematiek het generiek verhogen van de constructieve eisen die gesteld worden aan daken is niet proportioneel. Niet elk dak zal gezien de situering en lokale omstandigheden gebruikt kunnen of moeten worden voor zon-PV.
68
De leden van de fractie van de ChristenUnie willen graag een reflectie van het kabinet op de gedachte dat in een deltaland zoals Nederland water veel meer een ordenend principe zou moeten zijn. Deze leden vragen het kabinet vervolgens op welke wijze het vasthouden van water i.p.v. het zo snel mogelijk afvoeren van water in de NOVI verankerd is en of waterbeschikbaarheid geen leidend principe moet zijn voor ruimtelijke inrichting en landgebruik? De leden vragen ook waarom het kabinet niet als uitgangspunt niet boren in of onder de ASV’s heeft opgenomen?
Veel nationale belangen en opgaven grijpen in of maken gebruik van de eigenschappen van het bodem-watersysteem Het bodem-watersysteem kan een belangrijke rol spelen bij verschillende maatschappelijke opgaven. Het is daarom van belang meer dan voorheen watervragendefunctie, waterbeschikbaarheid en het bodem-watersysteem in balans aandacht te geven in ruimtelijke afwegingen.
Door hiervan uit te gaan kunnen negatieve effecten van gebruiksfuncties in belangrijke mate al via een goede ruimtelijke ordening worden voorkomen.
Nederland zal zich inderdaad aan moeten passen aan de gevolgen van klimaatverandering met langere perioden van droogte en laagwater in de rivieren en toenemende kans op hevige buien met wateroverlast. In de NOVI en in het Nationaal waterprogramma wordt daarom de bij vraag 57 toegelichte voorkeursvolgorde opgenomen voor (regionaal) waterbeheer om de beschikbaarheid van water zeker te stellen en wateroverlast te voorkomen. Bij een natuurlijk fenomeen is nooit alle schade te voorkomen, dus als de inzet toch nog onvoldoende is, dan moeten we als samenleving de (rest)schade accepteren en ons daarop voorbereiden.
Conform de Structuurvisie Ondergrond gaan de provincies bij het aanwijzen van ASV’s in relatie tot mijnbouw zoveel mogelijk uit van scheiding van functies. In de Structuurvisie Ondergrond is mijnbouw in een ASV niet bij voorbaat uitgesloten. Bij het aanwijzen van ASV’s dient ook rekening te worden gehouden met voldoende ruimte voor mijnbouw met het oog op de (duurzame) energievoorziening. Het traject voor het aanwijzen van ASV’s en bijbehorend beschermingsregime is nog gaande. Het vaststellen van het beschermingsregime ligt primair bij de provincies. Over het traject vindt periodiek overleg plaats tussen de provincies en het Rijk. Bij ruimtelijke ordening van de ondergrond kan ook gekeken worden naar functiescheiding in de diepte (verticaal).
69
De leden van de fractie van de ChristenUnie vrezen een verrommeling en verloedering van het platteland als boeren stoppen met hun agrarische bedrijfsvoering, panden leeg komen te staan etc. De leden vragen op welke wijze hier aan de NOVI richting aan wordt gegeven.
Zie hiertoe het antwoord op vraag 6.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de zachte waarde van natuur in de NOVI wordt verankerd? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet of en zo ja, op welke wijze het Deltaplan biodiversiteit in de NOVI verankerd zal worden. Tevens vragen zij of de NOVI voldoende stuurt op natuurinclusief ruimtelijk ontwerpen en bouwen?
De natuur heeft intrinsieke waarde, dat wil zeggen dat natuur in zichzelf waardevol is en ook vanuit die optiek bescherming verdient. Dit naast de waarde die natuur ook kan hebben bij het realiseren van economische en maatschappelijke doelen (zoals: een groene, gezonde leefomgeving, ecosysteemdiensten zoals wateropvang in het landelijk gebied, etc.) De intrinsieke waarde van de natuur wordt erkend in het Ambitiedocument van Rijk en provincies Nederland Natuurpositief (Kamerstuk 33 576, nr. 168) en komt ook terug in de NOVI. Vanuit de optiek van het versterken van natuur als ‘zachte waarde’ is er in de NOVI aandacht voor natuurwaarden en biodiversiteit buiten de natuurgebieden en voor het meewegen van het belang van biodiversiteit in reguliere handelingen. Zo besteedt de NOVI aandacht aan natuurinclusieve
ruimtelijke ontwikkeling, zoals natuurinclusieve landbouw en natuurinclusief ontwerpen en bouwen. In het kader van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel wordt samengewerkt in een brede, maatschappelijke coalitie, bestaande uit boeren, terreinbeheerders, particulieren, diverse onderzoeksinstituten en overheden, met de ambitie om biodiversiteitsverlies in Nederland om te buigen naar biodiversiteitsherstel. Om dit te bereiken wordt gewerkt in drie werkstromen: landbouw, natuur en openbare ruimte. De samenwerking in het kader van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel is van groot belang voor het realiseren van doelen op het gebied van biodiversiteit en wordt meegenomen in de Uitvoeringsagenda van de NOVI Afspraken die in het kader van het Deltaplan Biodiversiteit worden gemaakt kunnen worden verankerd in het Programma Biodiversiteit dat opgenomen wordt in de Uitvoeringsagenda
Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio’s en natuurinclusief bouwen zijn als uitgangspunt onder beleidskeuzes onder prioriteit Sterke en gezonde steden en regio’s van de NOVI opgenomen. In de regionale verstedelijkingsstrategieën wordt dit op gebiedsniveau gezamenlijk met de stedelijke regio’s uitgewerkt. Het rijk zal samen met de gemeenten de instrumenten voor een samenhangende aanpak van het groen in en om de stad ontwikkelen en met hen afspraken maken over de toepassing ervan. De ontwikkeling van een stedelijk groenfonds waarin publieke en private financiële stromen worden gebundeld, kan de financiële basis vormen voor een actieve en samenhangende aanpak van de versterking van het stedelijk groen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het voor gemeenten mogelijk om in het gemeentelijk omgevingsplan eisen te stellen over natuurinclusief bouwen, zowel op gebouw als op gebiedsniveau.
De ChristenUnie vraagt hoe het kabinet de natuurlijke kwaliteiten van het Waddengebied gaat beschermen in de NOVI. Daarnaast willen de ChristenUnie en D66 weten hoe behoud van het landschap als richtinggevend criterium geborgd wordt en hoe de waarden stilte en donkerte, en stiltegebieden terugkomen in de definitieve NOVI.
Zoals aangegeven in reactie op vraag 18 met betrekking tot het Waddengebied, is en blijft de hoofddoelstelling voor de Waddenzee het Rijksbeleid, zoals dat zoals tot op heden is geformuleerd in de Structuurvisie Waddenzee. Onderdeel van deze hoofddoelstelling is “het behoud van het unieke open landschap”. Het beleid is onder andere gericht op behoud van de landschappelijke kwaliteiten, met name rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid inclusief duisternis. In het Barro, straks Bkl, zijn instructieregels opgenomen die gemeenten in acht dienen te nemen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en die de landschappelijke kwaliteiten waarborgen. Zo mogen er bijvoorbeeld in de Waddenzee geen bouwwerken worden opgericht om de openheid te waarborgen en geldt er in verband met rust/stilte voor de burgerluchtvaart een hoogte beperking voor vliegen boven de Waddenzee8. Daarnaast zijn er ook op vrijwillige basis initiatieven om de kwaliteiten van de Waddenzee te waarborgen. In 2016 hebben ruim 40 partijen uit de regio de Intentieverklaring Dark Sky Werelderfgoed
8 Besluit beperkingen burgerluchtverkeer Waddenzee
Waddengebied ondertekend en verschillende maatregelen genomen om de lichtuitstoot in het Waddengebied te verminderen. Verder is op initiatief van de Wadvaarders een ‘Erecode’ ontwikkeld waarin ‘Wadliefhebbers’ wordt gevraagd om de unieke natuur van het gebied te respecteren door voldoende afstand te houden van vogels en zeehonden.
Provincies werken, waar dat nog niet is gebeurd, samen uit wat de gebiedsgerichte unieke landschappelijke kwaliteiten en onderliggende waarden zijn, en leggen deze vast in beleid en regelgeving. Een mogelijkheid is om dit, indien nodig, vast te leggen in (getrapte) instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de uitvoeringsagenda bij de NOVI wordt het programma ONS Landschap toegelicht. Een van de activiteiten in dat programma is het in kaart brengen van de structuurdragers. Bovenregionale landschappelijke structuren zijn de dragende landschapselementen en kenmerken die boven de provincie- en gemeentegrenzen uitstijgen. Samen met provincies en de RCE worden deze structuren per landschapstype in beeld gebracht en onderzoeken we hoe deze kunnen worden meegenomen in landschapsinclusieve gebiedsprocessen. De resultaten worden onderdeel van Panorama Landschap, dat via een website het karakter van het Nederlandse landschap in 78 regio’s beschrijft. Waarden als stilte en donkerte hangen samen met de kenmerkende kwaliteiten van landschap. Er zijn steeds meer provincies waar donkerte een plek krijgt in de Omgevingsvisie of het omgevingsplan. De structuurdragers en de Atlas Leefomgeving bieden daarvoor aanknopingspunten. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is samen met de provincies opdrachtgever van de Atlas Leefomgeving.
Rijkswaterstaat, het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en BIJ12 beheren deze atlas. Dit doen zij in samenwerking met provincies, gemeenten en andere beleids- en kennisinstituten.
