Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Circulair slopen blijft achter: slechts 12 procent van bouwmaterialen krijgt een tweede leven

Ondanks jaren van beleid en groeiende aandacht voor circulariteit wordt het merendeel van de bouwmaterialen die vrijkomen bij sloop en renovatie nog altijd niet opnieuw ingezet als volwaardig bouwproduct. Uit antwoorden van minister Elanor Boekholt-O'Sullivan op Kamervragen van de D66-Kamerleden Van Asten en Huidekooper blijkt dat in 2023 slechts 12 procent van de materiaalstroom in de woning- en utiliteitsbouw uit hergebruikte materialen bestond. Tegelijkertijd ligt het theoretische potentieel aanzienlijk hoger.

18 September 2026

Groot gat tussen praktijk en potentieel

De cijfers laten zien hoe ver de sector nog verwijderd is van een circulaire bouweconomie. Volgens het door het Rijk gebruikte materiaalstromenonderzoek bestond in 2023 slechts 12 procent van de totale materiaalstroom in de woning- en utiliteitsbouw uit secundaire materialen afkomstig van sloop. Onderzoekers berekenden dat dit aandeel in theorie al 19 procent had kunnen bedragen. Richting 2030 zou zelfs 24 procent van de materiaalvraag in de woning- en utiliteitsbouw kunnen worden ingevuld met vrijkomende materialen uit sloop, renovatie en verbouw. Voor de gehele bouwsector, inclusief infrastructuur, loopt dat theoretische potentieel op tot 40 procent.

Deze cijfers onderstrepen de centrale uitdaging waarvoor de sector staat. Hoewel de bouw een van de grootste verbruikers van grondstoffen is, wordt nog altijd een groot deel van vrijkomende materialen laagwaardig verwerkt of afgevoerd, terwijl hoogwaardige toepassing technisch steeds vaker mogelijk blijkt.

Kabinet zet in op landelijke aanpak tot 2030

Om het hergebruik van bouwproducten te vergroten voert het kabinet sinds februari 2026 de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik (ACSH) uit. Deze aanpak loopt tot 2030 en moet leiden tot een uniforme werkwijze voor circulair slopen, waarbij materialen al tijdens de sloopfase worden geïdentificeerd, geoogst en opnieuw ingezet in nieuwbouw-, renovatie- en onderhoudsprojecten.

De ACSH vormt een belangrijk onderdeel van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE). Volgens het kabinet levert een hogere hergebruiksgraad niet alleen milieuwinst op door minder primaire grondstoffen te winnen, maar verkleint zij ook de afhankelijkheid van importstromen uit het buitenland.

Toch bevindt de aanpak zich nog grotendeels in de opbouwfase. De landelijke monitoring waarmee de voortgang moet worden gevolgd is nog in ontwikkeling. De eerste resultaten worden pas in het tweede kwartaal van 2027 verwacht. Daarmee ontbreekt voorlopig nog een actueel en landelijk beeld van de feitelijke prestaties van circulair slopen.

Monitoring en meetbare doelen moeten nog worden uitgewerkt

Een terugkerend punt in de Kamervragen betreft het gebrek aan betrouwbare data. De regering erkent dat beter inzicht noodzakelijk is om effectief beleid te voeren. Daarom wordt gewerkt aan een monitoringssysteem dat niet alleen volumes van vrijkomend sloopmateriaal registreert, maar ook het niveau van hergebruik onderscheidt tussen hoogwaardige en laagwaardige toepassingen.

Daarnaast worden in 2026 indicatoren voor 2030 vastgesteld. Een van de belangrijkste prestatie-indicatoren wordt het percentage secundaire materialen dat na circulaire sloop daadwerkelijk opnieuw wordt toegepast. De voortgang zal vanaf 2027 onder meer worden gerapporteerd via de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) van het Planbureau voor de Leefomgeving.

De ontwikkeling van dergelijke indicatoren lijkt essentieel. Juist het ontbreken van uniforme definities en meetmethoden maakt het momenteel lastig om prestaties van projecten, regio's en opdrachtgevers met elkaar te vergelijken.

Kwaliteitsgaranties vormen grootste belemmering

Uit consultaties met marktpartijen blijkt dat de obstakels voor hergebruik niet primair technisch van aard zijn. Het ministerie heeft samen met betrokken partijen een prioritaire lijst van knelpunten opgesteld. Daarbij wordt kwaliteitsborging van secundaire materialen expliciet genoemd als een van de belangrijkste belemmeringen.

Opdrachtgevers en bouwers willen zekerheid over prestaties, garanties en aansprakelijkheid van hergebruikte producten. Zodra die zekerheid ontbreekt, kiezen zij vaak voor nieuwe materialen waarvan prestaties en certificeringen vastliggen.

Ook de waardering van hergebruikte materialen binnen de milieuprestatieberekeningen blijft onderwerp van discussie. Koplopers uit de sector signaleren dat gebruikte materialen binnen de huidige MPG-systematiek soms ongunstiger uitpakken dan nieuwe producten vanwege ontbrekende of onvoldoende gestandaardiseerde data. Het kabinet onderzoekt momenteel de rol van module D en de zogenoemde whole-life carbon-benadering om deze problematiek beter te adresseren.

Rijksinkoop moet markt in beweging brengen

Het kabinet ziet een belangrijke rol voor zichzelf als opdrachtgever. Via circulaire inkoop door het Rijksvastgoedbedrijf, Rijkswaterstaat en ProRail moet vraag naar hergebruikte materialen worden gecreëerd. Daarbij worden circulariteitseisen opgenomen in aanbestedingen en worden opdrachtgevers gestuurd richting hergebruik en recyclaat.

Het Rijksvastgoedbedrijf werkt daarbij met een zogenoemde koploper-pelotonaanpak. Innovaties en circulaire prestaties die vandaag nog door voorlopers worden gerealiseerd, moeten binnen enkele jaren uitgroeien tot de minimale standaard voor de bredere markt. Projecten zoals het circulaire renovatieproject KaVA in Katwijk dienen daarbij als praktijkvoorbeeld voor opschaling.

Ook instrumenten zoals materiaalpotentiescans winnen aan belang. Daarmee kunnen voorafgaand aan sloopprojecten de materialen worden geïdentificeerd die geschikt zijn voor hoogwaardige herinzet. Het kabinet onderzoekt bovendien of wet- en regelgeving kan worden aangepast om dergelijke inventarisaties structureler te verankeren.

Opschaling vraagt inzet van de hele bouwketen

De regering erkent dat het huidige beleid alleen onvoldoende zal zijn om de kloof tussen de huidige 12 procent en het theoretische potentieel van 24 procent te overbruggen. Voor een substantiële groei van hergebruik zijn volgens het kabinet veranderingen nodig in alle schakels van de keten. Producenten moeten producten en processen aanpassen, brancheorganisaties moeten nieuwe werkwijzen helpen implementeren en de samenwerking tussen slopers, logistieke partijen en bouwbedrijven moet aanzienlijk worden opgeschaald.

Tegelijkertijd groeit de politieke druk om het beleid verder te verbreden. Het kabinet heeft de bouw inmiddels aangewezen als prioritaire sector binnen de circulaire economie. Later dit jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over mogelijke opschaling van de bestaande aanpak en een bredere toepassing richting infrastructuurprojecten.

Van pilotfase naar marktnorm

De discussie over circulair slopen verschuift daarmee van experiment naar systeemverandering. De beschikbare cijfers laten zien dat de bouwsector over een aanzienlijk onbenut reservoir aan materialen beschikt. De vraag is niet langer of hoogwaardige herinzet technisch mogelijk is, maar of marktpartijen, opdrachtgevers en overheden erin slagen om kwaliteitsborging, aanbestedingen en logistieke ketens zodanig in te richten dat hergebruik de norm wordt in plaats van de uitzondering.

Zolang slechts een op de acht gebruikte bouwmaterialen afkomstig is uit bestaande gebouwen, blijft de circulaire ambitie vooral een potentieel op papier. De komende jaren zullen moeten uitwijzen of de aangekondigde monitoring, landelijke standaarden en inkoopmaatregelen voldoende zijn om dat potentieel daadwerkelijk te verzilveren.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.