De Wet op de defensiegereedheid (Wodg) moet Defensie sneller ruimte geven om gereedstellingsactiviteiten uit te voeren. Maar juist in de voorgelegde position papers voor het rondetafelgesprek van 9 september 2026 klinkt stevige kritiek op de manier waarop dat gebeurt. Vooral de regeringscommissaris Omgevingswet waarschuwt dat het wetsvoorstel en het bijbehorende besluit “op gespannen voet staan met de eenheid en de kwaliteit van het wettelijk stelsel van de Omgevingswet”. Volgens hem biedt het bestaande stelsel al veel ruimte om defensiebelangen in te passen, zonder dat een aparte uitzonderingsroute nodig is.

In zijn position paper stelt de regeringscommissaris Omgevingswet, prof. mr. K.J. de Graaf, dat de Wodg en het Besluit defensiegereedheid fysieke leefomgeving de samenhangende benadering van de Omgevingswet ondermijnen. Hij noemt het “een van de meest serieuze bezwaren” dat een sectoraal defensiebelang voorrang krijgt boven de integrale belangenafweging die de Omgevingswet juist beoogt.
De Graaf schrijft dat het hem vooral gaat om het bewaken van de “kwaliteit en de eenheid” van het stelsel, niet om een inhoudelijk oordeel over defensiebelangen zelf. Zijn centrale punt is dat voor veel gereedstellingsactiviteiten geen bijzondere afwijkingswet nodig zou zijn. Volgens hem kunnen tijdelijke regels ook worden opgenomen in bestaande Omgevingswet-besluiten, zoals het Bal, Bkl en Bbl, of – als echt een afwijking nodig is – via de experimenteerbepaling van artikel 23.3 Ow. “Dat heeft mijn voorkeur,” schrijft hij.
De regeringscommissaris heeft daarnaast scherpe kritiek op de manier waarop de regeling is vormgegeven. De tijdelijke afwijkingen van bestaande normen zouden maximaal vijf jaar gelden en één keer verlengd kunnen worden. Volgens hem maakt dat de afwijkingen in de praktijk langjarig.
Ook de opzet met een vijfde algemene maatregel van bestuur – naast Bal, Bkl, Bbl en Ob – noemt hij strijdig met de uitgangspunten van de Omgevingswet. Introductie van zo’n vijfde amvb moet volgens hem “van de hand worden gewezen”.
Verder waarschuwt hij voor rechtsonzekerheid: volgens De Graaf is onvoldoende duidelijk wat de aard en gevolgen van de gereedstellingsactiviteiten precies zijn, welke normen worden aangepast en wat de impact is op plannen, projecten en de positie van omwonenden. Ook wijst hij erop dat de reguliere nadeelcompensatieregeling uit de Omgevingswet niet van toepassing is op de aangewezen besluiten.
Een tweede hoofdlijn in de kritiek is dat de Wodg afwijkt van de participatie- en rechtsbeschermingslogica van de Omgevingswet. De Graaf wijst erop dat die wet inzet op vroegtijdige participatie, tweefasenrechtsbescherming en een decentraal stelsel. Volgens hem speelt participatie bij de Wodg nauwelijks een rol voor activiteiten uit Bijlage I, en is de rechtsbescherming bij activiteiten uit Bijlage II beperkt tot één instantie. Ook de regeling voor nadeelcompensatie blijft buiten toepassing.
Daarmee, schrijft hij, ontstaat een “andere insteek dan de wetgever voor ogen had bij de introductie van de Omgevingswet”. De positie van decentrale overheden en hun doelen voor de fysieke leefomgeving wordt volgens hem “kwetsbaar en onzeker”.
In de slotparagraaf stelt de regeringscommissaris dat de regering de tijdelijke afwijkingsmogelijkheden uit de Wodg en het besluit later structureel in de Omgevingswet wil inbedden. Juist die keuze maakt dat de wet bij hem zorgen oproept over de eenheid, kwaliteit en doorontwikkeling van het stelsel.
Zijn conclusie is scherp: het wettelijk stelsel van de Omgevingswet kan gereedstellingsactiviteiten volgens hem al reguleren op een manier die recht doet aan het defensiebelang. Daarmee is volgens hem duidelijk dat behoud van de kwaliteit en eenheid van het stelsel niet hoeft te botsen met defensiegereedheid.
De kritische lijn van de regeringscommissaris staat niet op zichzelf. Ook andere position papers laten weinig ongemerkt aan de Wodg voorbijgaan.
VNO-NCW en MKB-Nederland steunen weliswaar het doel van de wet, maar waarschuwen dat versnelling van Defensie niet mag leiden tot asymmetrische versnelling in de rest van de keten. Zij willen zekerheid, langjarige contracten en waarborgen tegen afwenteling. “VNO-NCW en MKB-Nederland steunen het doel van de Wodg, maar echte defensiegereedheid vraagt dat ook de civiele, industriële, technologische en kennisbasis tijdig kan opschalen,” schrijven zij.
Aan de andere kant van het spectrum zijn Stop Wapenhandel, De Nieuwe Vredesbeweging en de LSVb veel fundamenteler kritisch. Zij noemen de wet “overbodig én schadelijk” en waarschuwen voor inperking van rechten, rechtsbescherming en democratische controle. Volgens hen krijgt Defensie een uitzonderingspositie die het normale afwegingskader van de Omgevingswet opzijzet.
Ook de vakbonden en personeelsorganisaties leggen de nadruk op de vergaande gevolgen voor rechtspositie en arbeidsvoorwaarden. De VBM noemt de Wodg op personeelsgebied niet nodig en vreest dat bestaande regels zonder voldoende tegenwicht buiten werking kunnen worden gesteld. De ACOM spreekt van een “permanente noodwet met een zeer laag beslissingsniveau en zeer beperkte verantwoording” en waarschuwt voor een blanco cheque aan de minister van Defensie.
De position paper van P. Ducheine kiest juist een andere invalshoek: daar staat het militair vermogen centraal, met de stelling dat gereedstelling een juridische en conceptuele basis nodig heeft om afschrikking geloofwaardig te maken. Maar ook daar klinkt de boodschap dat zonder draagvlak in regering, parlement en samenleving het juridisch raamwerk niet sluitend is.
Natuurmonumenten richt de pijlen vooral op de fysieke gevolgen van de Wodg voor natuur en leefomgeving. De organisatie noemt de plannen “fors en zeer impactvol” voor een toch al kwetsbare natuur. Opvallend is hun pleidooi dat Defensie nieuwe en grootschalige gronden zou moeten aankopen om te oefenen, zodat druk op bestaande natuurgebieden vermindert.
Natuurmonumenten stelt bovendien dat Defensie de effecten vooraf grondig moet onderzoeken, de noodzaak per locatie moet onderbouwen en bij onvermijdelijke schade stevige mitigatie- en compensatieprogramma’s moet opstellen. De organisatie wil ook harde monitoring achteraf. Zonder dat, zo luidt de waarschuwing, dreigt langdurige juridische onzekerheid zoals bij de Tweede Maasvlakte.
Wat uit de stukken vooral naar voren komt, is dat de Wodg niet alleen een defensiedossier is, maar ook een toets op de grenzen van het omgevingsrechtelijke stelsel. De vraag is niet alleen of Defensie sneller moet kunnen handelen, maar vooral op welke juridische prijs dat gebeurt en hoe ver de afwijking van de Omgevingswet reikt.
Voor het vakgebied is vooral de positie van de regeringscommissaris relevant: die komt neer op een principiële waarschuwing dat het wetsvoorstel het omgevingsrechtelijke systeem niet alleen aanvult, maar op onderdelen ook uitholt. De kritiek gaat niet over de vraag óf defensiebelangen gewicht mogen krijgen, maar over de vraag of de Wodg daarvoor het juiste instrument is.
Meer info op: Wet op de defensiegereedheid | Tweede Kamer der Staten-Generaal
