Onderzoek haalt hardnekkige aanname onderuit: schaalvergroting hoeft lokale verankering niet te schaden. Grotere woningcorporaties blijken niet automatisch slechter verankerd in de gemeenten waar zij actief zijn. Dat is de hoofdconclusie van een gezamenlijk onderzoek van bureau RIGO, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Aedes en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Wel vraagt lokale verankering volgens de onderzoekers om bewuste organisatorische keuzes, zeker bij corporaties die een groot woningbezit hebben of in meerdere gemeenten actief zijn. Tegelijkertijd blijkt uit een enquête onder 1.000 huurders dat bewoners van de grootste corporaties zich vaker minder gehoord voelen en minder tevreden zijn over het contact met hun verhuurder.

De studie komt voort uit zorgen van onder meer de VNG over de gevolgen van schaalvergroting binnen de corporatiesector. Het aantal woningcorporaties is de afgelopen decennia sterk afgenomen, vooral door fusies. Tegelijkertijd worden corporaties steeds vaker actief in meerdere gemeenten. Ook beleidsontwikkelingen, zoals de uitbreiding van regionale werkgebieden en hogere borgingsmogelijkheden, voedden de discussie of corporaties daardoor verder van huurders en gemeenten zouden komen af te staan.
Die vrees wordt door het onderzoek niet bevestigd. Op basis van literatuuronderzoek, analyses van visitatierapporten, benchmarkgegevens, interviews en een landelijke huurderspeiling concluderen de onderzoekers dat er geen direct en eenduidig verband bestaat tussen schaalgrootte en lokale verankering.
Volgens RIGO worden corporaties vooral beoordeeld op hun aanwezigheid in de wijk, hun openheid richting stakeholders en hun vermogen om lokale kennis te organiseren. Factoren als bedrijfscultuur, zichtbaarheid en mandaat voor medewerkers blijken belangrijker dan het aantal woningen of gemeenten waarin een corporatie actief is.
Grote corporaties slagen er vaak in hun schaal te compenseren door te werken met regiokantoren, gebiedsteams en regiodirecteuren die voldoende ruimte krijgen om lokaal maatwerk te leveren. Ook gebiedsvisies en wijkgerichte werkwijzen dragen volgens het onderzoek bij aan een sterke lokale positie.
In de interviews met gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties kwam bovendien naar voren dat een goede lokale verankering begint met “weten wat er speelt” en zichtbaar zijn in buurten en wijken. Wijkbeheerders en andere medewerkers die aanwezig zijn op straat en signalen ophalen, worden daarbij als cruciaal gezien.
Toch laat het onderzoek ook een kritische kant zien. Huurders van de grootste corporaties – de zogenoemde XL-corporaties met meer dan 25.000 woningen – beoordelen verschillende aspecten van lokale betrokkenheid minder positief dan huurders van kleinere corporaties.
Zo geeft 49 procent van de huurders van kleine corporaties aan dat hun corporatie weet wat er speelt in hun woonomgeving. Bij XL-corporaties ligt dat aandeel op 29 procent. Ook op onderwerpen als luisteren naar bewoners, actief contact zoeken en ervaren nabijheid scoren de grootste corporaties lager.
De onderzoekers plaatsen daarbij een belangrijke kanttekening. Het verband is niet lineair en verklaart slechts een beperkt deel van de verschillen tussen corporaties. Ook andere factoren spelen een rol. Zo blijken corporaties in de grote steden, ongeacht hun omvang, structureel lager te worden gewaardeerd door huurders dan corporaties elders in het land.
Voor professionals in het omgevingsrecht is vooral relevant dat de samenwerking tussen gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties – de zogenoemde lokale driehoek – volgens het onderzoek over het algemeen goed functioneert. Gemeenten voelen zich voldoende toegerust om prestatieafspraken te maken, ook wanneer zij met grote corporaties om tafel zitten.
Onderlinge verschillen in belangen zijn er wel degelijk, bijvoorbeeld rond huurverhogingen, investeringen of woningbouwopgaven. Toch blijkt er meestal voldoende vertrouwen aanwezig om het gesprek constructief te voeren. Daarbij maakt de schaalgrootte van de corporatie volgens de onderzoekers nauwelijks verschil.
Een opvallende nevenbevinding betreft de positie van huurdersorganisaties. Die worden nog steeds gezien als volwaardige gesprekspartners, maar hun positie staat onder druk. Veel organisaties draaien op een kleine groep vrijwilligers, kampen met vergrijzing en hebben moeite nieuwe bestuursleden te vinden. Ook de representativiteit vormt regelmatig een aandachtspunt.
Daarnaast signaleren de onderzoekers situaties waarin huurdersorganisaties zodanig verweven raken met de corporatie dat hun onafhankelijke positie in het gedrang komt. Volgens minister Elanor Boekholt-O’Sullivan is dit mede aanleiding om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar huurdersparticipatie binnen de corporatiesector.
De uitkomsten leiden niet tot nieuwe wet- of regelgeving. Het ministerie ziet geen aanleiding om schaalvergroting verder te beperken of aanvullende eisen te stellen aan corporaties. Volgens de onderzoekers zijn niet de omvang van organisaties, maar vooral cultuur, zichtbaarheid en lokale aanspreekbaarheid bepalend voor succes.
Voor gemeenten, corporaties en andere partijen in het fysieke domein ligt daarmee een duidelijke boodschap op tafel: lokale verankering ontstaat niet vanzelf. Of een corporatie nu 2.500 of 25.000 woningen bezit, uiteindelijk maken aanwezigheid in de wijk, kennis van de lokale opgave en een open samenwerking het verschil.
