Het kabinet zet de komende jaren een nieuwe stap in de verduurzaming van de gebouwde omgeving met de invoering van de herziene Europese richtlijn voor energieprestatie van gebouwen, de EPBD IV. In een brief aan de Tweede Kamer schetst minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de keuzes voor de volgende tranches van de invoering. Daarbij draait het vooral om meer duidelijkheid voor gebouweigenaren, een heldere route richting 2050 en een praktische aanpak die uitvoerbaar blijft voor de markt.

De aanleiding is duidelijk: de noodzaak om gebouwen energiezuiniger te maken is onverminderd groot. Door geopolitieke spanningen blijven energieprijzen schommelen en dat raakt huiseigenaren, verhuurders en bedrijven direct in de portemonnee. Volgens het kabinet laat de recente toename in aanvragen voor warmtepompen, thuisbatterijen, subsidies en verduurzamingsleningen zien dat de druk om te investeren hoog is. Tegelijk moet de gebouwde omgeving helpen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen en Nederland op koers te houden richting klimaatneutraliteit in 2050.
Een belangrijk onderdeel van de brief is de herijking van de zogenoemde isolatiestandaard voor woningen. Die standaard geeft aan wanneer een woning voldoende is voorbereid op een duurzame warmtevoorziening. Uit de evaluatie blijkt dat dit instrument in de basis goed werkt, maar dat de praktijk vraagt om scherpere keuzes en betere uitleg. De overheid wil daarom de standaard aanpassen, onder meer door de hoogte te herzien en door duidelijker maatregelpakketten te ontwikkelen waarmee woningeigenaren kunnen zien welke ingrepen nodig zijn.
Opvallend is dat de isolatiestandaard positief wordt gewaardeerd, maar niet altijd even logisch of praktisch wordt gevonden. Voor veel professionals is het uitgangspunt van warmtevraag en toekomstbestendig renoveren helder. Voor particuliere woningeigenaren ligt dat anders: zij kennen de standaard vaak nauwelijks en worden vooral gestuurd via energielabels, subsidies of losse maatregelen. Ook de naam van de standaard roept vragen op, omdat niet alleen isolatie maar ook ventilatie en kierdichting een belangrijke rol spelen.
Het kabinet trekt daaruit de conclusie dat de standaard moet worden herijkt. Voor de meeste woningen wordt de norm iets versoepeld, terwijl voor sommige vooroorlogse hoek- en vrijstaande woningen juist een zwaardere eis gaat gelden. Daarnaast komt er meer nadruk op maatregelpakketten, zodat duidelijker wordt welke combinatie van isolatie, ventilatie en kierdichting tot een toekomstbestendig niveau leidt. De bedoeling is dat gebouweigenaren niet alleen weten dát er iets moet gebeuren, maar ook hoe ze daar praktisch kunnen komen.
Voor utiliteitsgebouwen, zoals winkels, kantoren en scholen, worden minimum energieprestatie-eisen ingevoerd. Die gaan uit van een gefaseerde aanpak: in 2030 moet de slechtst presterende 16 procent van de gebouwen zijn verbeterd, in 2033 geldt dat voor de slechtste 26 procent. Het kabinet wil daarbij werken met een eenvoudige en uniforme norm, die in de praktijk ongeveer neerkomt op energielabel D in 2030 en energielabel C in 2033. Eigenaren kunnen straks op twee manieren aantonen dat zij voldoen: met een geldig energielabel of via opgave van het werkelijke energieverbruik.
Een ander belangrijk onderdeel is de modernisering van de rekenmethode voor energieprestatie. Vanaf 2030 wordt gerekend met een vernieuwde methode die beter moet aansluiten op het werkelijke gebruik van gebouwen. Daarbij gaat het onder meer om uurlijkse berekeningen in plaats van maandgemiddelden, een betere berekening van installatieprestaties en een actualisering van de klimaatdata. Ook wil het kabinet beter kunnen omgaan met netbelasting, oververhitting en de invloed van energieopslag. Die vernieuwing moet ervoor zorgen dat regelgeving en praktijk dichter bij elkaar komen te liggen.
Naast woningen en utiliteitsbouw werkt het kabinet aan het Nationaal plan voor de renovatie van gebouwen. Dat plan moet de lange termijnstrategie schetsen voor de route naar een zeer energiezuinige en emissievrije gebouwde omgeving in 2050. Uit de eerste reacties blijkt dat de opgave nog altijd groot is. Vooral de vervanging van fossiele installaties gaat volgens de analyses te langzaam. Het tempo van isolatiemaatregelen ligt redelijk op koers, maar zonder versnelling in de overstap op duurzame installaties blijft de totale verduurzaming achter.
De minister benadrukt dat de invoering van de EPBD IV stap voor stap gebeurt, met ruimte voor consultatie en afstemming met betrokken partijen. De eerste tranche is inmiddels in werking getreden, de volgende rondes volgen in 2027 en 2028. In het najaar informeert het kabinet de Kamer opnieuw over de verdere uitwerking.
Volgens de brief is het doel helder: gebouwen moeten gezonder, duurzamer en energiezuiniger worden, zonder dat de uitvoering onnodig ingewikkeld wordt. De regering wil daarbij vooral voorkomen dat verduurzaming vastloopt op onduidelijke normen of onuitvoerbare eisen. De komende jaren moet blijken of de gekozen koers ook in de praktijk genoeg houvast biedt voor gemeenten, marktpartijen en gebouweigenaren.
