De huurmarkt staat al langer onder spanning, en volgens het kabinet wordt dat zichtbaar in stijgende vierkantemeterprijzen, een dalend aanbod en het uitponden van huurwoningen. In antwoorden op Kamervragen van VVD-Kamerlid Nobel erkent de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dat het aanbod aan huurwoningen onder druk staat. Tegelijk kondigt het kabinet aan de Wet betaalbare huur per 1 januari 2027 te willen optimaliseren en het investeringsklimaat te verbeteren.

De kern van de beantwoording is duidelijk: volgens de minister is er sprake van “algehele schaarste op de woningmarkt”, en dat zorgt voor stijgende vierkantemeterprijzen.
Op het artikel waar de vragen op gebaseerd zijn, reageert de minister dat Pararius “niet representatief is voor de hele vrije sector”, maar dat er wel signalen zijn dat huurwoningen worden uitgepond. Daarmee doelt hij op verhuurders die woningen verkopen in plaats van opnieuw verhuren.
De minister zegt dat die beweging was voorzien bij de invoering van de Wet betaalbare huur, maar dat hij deze “desondanks een beweging is die ik wil afremmen”.
Daarom zet het kabinet in op twee sporen: meer bouwen en het aantrekkelijker maken van investeren in huurwoningen.
De minister noemt onder meer:
In de beantwoording verwijst de minister naar cijfers van het Kadaster. Daaruit blijkt volgens hem dat er afgelopen jaar “ca. 65.000 woningen zijn verkocht door private verhuurders aan eigenaar-bewoners”.
Volgens de minister betekent dat niet automatisch dat deze woningen allemaal uit het middenhuursegment komen. De Kadastercijfers hebben namelijk betrekking op alle huurwoningen: sociale huur, middenhuur en vrije sector. De data van Pararius gaat juist over een selectie binnen de vrije sector.
Wel erkent de minister dat uitponden druk zet op het aanbod. Hij schrijft dat verhuurders hun woningen verkopen door “een combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro)-economische omstandigheden”.
De minister zegt ook dat het woningtekort alleen kan worden verminderd als er veel meer middenhuurwoningen bijkomen. Hij noemt als doel dat er jaarlijks minstens 12.000 nieuwe middenhuurwoningen nodig zijn.
Daarbij wijst hij op maatregelen zoals:
De minister onderschrijft in algemene zin dat een groter aanbod leidt tot lagere prijzen. Maar hij wijst er tegelijk op dat de krapte in de huursector al lange tijd toeneemt, ook vóór de Wet betaalbare huur.
Over de regulering zegt hij dat de wet juist is ingevoerd om te zorgen dat huurwoningen met een middenhuurkwaliteit ook voor een middenhuurprijs worden verhuurd. Als een verhuurder een woning vervolgens verkoopt omdat de huur moet worden verlaagd, zegt de minister dat hij dat niet altijd ziet als een “verloren middenhuurwoning”, maar als een woning die anders alleen voor een vrije-segmentprijs verhuurd kon worden.
Tot slot kondigt de minister aan dat de Taskforce Versnelling Woningbouw in september met een integraal actieplan komt. Het verbeteren van het investeringsklimaat voor zowel private partijen als corporaties moet daarin een belangrijk onderdeel worden.
De strekking van de brief is daarmee helder: het kabinet erkent problemen op de huurmarkt, maar kiest niet voor afbouw van beleid. In plaats daarvan wil het de regulering aanpassen, de fiscale druk verlichten en de bouw van middenhuur versnellen.

