Het kabinet wil de plicht ter verduurzaming van het energiegebruik in 2027 actualiseren. De kern van het ontwerpbesluit: de verplichting gaat naar maatregelen met een terugverdientijd van zeven jaar in plaats van vijf, de onderzoeksplicht wordt beperkt tot aangewezen sectoren en de informatieplicht verschuift bij procesmaatregelen van verhuurder naar huurder. Volgens de toelichting moet dat leiden tot meer energiebesparing, betere handhaafbaarheid en minder administratieve lasten.

In de toelichting staat dat de actualisatie van de energiebesparingsplicht bedoeld is om de impact te vergroten en tegelijk de regeldruk te verminderen. Ook moeten naleving, toezicht en handhaving verbeteren.
De regering zegt daarbij de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en CE Delft te hebben gebruikt. De plicht wordt volgens het besluit “versimpeld, gestroomlijnd en gestandaardiseerd”.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) op vier belangrijke punten.
De terugverdientijd gaat van vijf naar zeven jaar. Daardoor vallen meer maatregelen onder de verplichting.
De onderzoeksplicht wordt ingeperkt. Die geldt straks niet langer generiek voor alle zeer grote energiegebruikers, maar alleen nog voor aangewezen milieubelastende activiteiten. Volgens de toelichting daalt het aantal bedrijven en instellingen waarvoor de onderzoeksplicht geldt met bijna 35 procent, ofwel circa 1.400 locaties.
De informatieplicht voor procesmaatregelen verschuift van verhuurder naar huurder. De huurder moet voortaan zelf rapporteren over de maatregelen die hij moet treffen.
Daarnaast wordt het Bal geharmoniseerd met nieuwe regels over zonne-energie op overheidsgebouwen in het Bbl.
De toelichting noemt als belangrijkste reden voor de beperking van de onderzoeksplicht dat die voor sommige sectoren onnodig belastend is.
Voor sectoren met eenvoudige of uniforme processen, zoals glastuinbouw, en voor sectoren met veel gebouwgebonden energiegebruik, zoals ziekenhuizen, laboratoria, defensiegebouwen en distributiecentra, zou de onderzoeksplicht weinig toevoegen.
Daarom vervalt de onderzoeksplicht onder meer voor sectoren als sport en recreatie en defensie. Ook in delen van afvalbeheer, agrarische sector, dienstverlening, onderwijs, zorg en transport, logistiek en ondersteuning daarvan verdwijnt die plicht.
Voor complexe bedrijven en de nutssector en industrie blijft de onderzoeksplicht juist bestaan.
Een tweede grote wijziging is de verschuiving van de informatieplicht bij procesmaatregelen.
Tot nu toe lag die in bepaalde gevallen bij de verhuurder, omdat die al rapporteerde over gebouwgebonden maatregelen. Het ontwerpbesluit laat die uitzondering los. Voortaan moet de huurder, als uitvoerder van de milieubelastende activiteit “het gebruiken van energie”, zelf voldoen aan de informatieplicht.
Volgens de toelichting verbetert dat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, omdat de plicht tot het treffen van maatregelen en de informatieplicht dan bij dezelfde partij liggen.
De verhuurder hoeft dan niet langer informatie over procesmaatregelen van de huurder te verzamelen. De regering stelt dat de administratieve lasten daardoor niet toenemen, omdat de huurder die informatie nu al aan de verhuurder doorgeeft.
De maatregel die de meeste impact moet hebben, is de verhoging van de terugverdientijd van vijf naar zeven jaar.
Volgens de toelichting geldt dat voor maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, waaronder energiebesparende maatregelen, maatregelen voor hernieuwbare energie en maatregelen die leiden tot lagere CO2-uitstoot.
De regering noemt zeven jaar een “minder belastend en meer uitvoerbaar alternatief” dan de eerder overwogen termijn van tien jaar. Een verhoging naar zes jaar zou volgens de toelichting onvoldoende effect hebben.
Op basis van rapportages die bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zijn ingediend tussen december 2023 en mei 2026, levert de aanpassing volgens het stuk 1.619 extra geïdentificeerde maatregelen op, goed voor 11 PJ extra energiebesparing en 596 kiloton extra CO2-reductie per jaar.
De benodigde initiële investeringen worden geraamd op circa 1 miljard euro. Tegelijk staat in de toelichting dat bij ongeveer 62 procent van de geïdentificeerde maatregelen organisatorische, technische of economische belemmeringen zijn genoemd, waardoor uitvoering niet direct mogelijk is.
Een vierde wijziging betreft de afstemming met nieuwe regels voor zonnepanelen op overheidsgebouwen.
Volgens de toelichting worden in het Bbl nieuwe eisen geïmplementeerd voor bestaande overheidsgebouwen van 2.000 m2 of meer. Het Bal wordt daarop aangepast, zodat de plicht om op locatie hernieuwbare energie te produceren niet geldt als het overheidsgebouw al aan die nieuwe Bbl-eisen voldoet.
Het ontwerpbesluit moet ingaan op 1 juli 2027. De harmonisatie rond zonne-energie op overheidsgebouwen volgt later en treedt in werking op 1 januari 2028, gelijktijdig met de Bbl-wijziging.
Daarnaast bepaalt het besluit dat bestaande maatwerkvoorschriften met een terugverdientijd van vijf jaar vervallen als die in strijd zijn met de nieuwe norm van zeven jaar.
De ministerraad ging op 28 augustus 2026 akkoord met het verzenden van het ontwerpbesluit naar de Eerste en Tweede Kamer via de voorhangprocedure.
In de toelichting staat verder dat het ontwerpbesluit in mei en juni 2026 ter internetconsultatie lag. Er was steun voor het terugdringen van CO2-uitstoot, meer energiebesparing, het verkleinen van de onderzoeksplicht en de harmonisatie rond zonne-energie.
Wel kwamen er zorgen naar voren over financiering, administratieve lasten, het gelijke speelveld en de concurrentiepositie. Die zorgen worden volgens de toelichting deels ondervangen door een nog te ontwikkelen energiebesparingsfonds, aanpassingen van de Omgevingsregeling en het verbeterde toezicht.
Ook het Adviescollege Toetsing Regeldruk gaf een kritisch oordeel, met dictum 4: “niet indienen/vaststellen”. Volgens de toelichting zijn de aanbevelingen van het ATR wel verwerkt en is de onderbouwing van het besluit “aanzienlijk verbeterd”.
Voor vakspecialisten in het omgevingsrecht is vooral relevant dat het besluit drie dingen tegelijk doet: het verruimt de inhoudelijke plicht naar zeven jaar, het versmalt de doelgroep van de onderzoeksplicht en het verlegt de informatieplicht bij procesmaatregelen naar de huurder.
Daarmee ontstaat een systeem dat volgens het ministerie beter uitvoerbaar en beter handhaafbaar moet zijn. Tegelijk verschuift de juridische en administratieve verantwoordelijkheid in delen van de keten duidelijk naar de partij die de activiteit daadwerkelijk verricht.
