Tien studenten in Groningen dreigen hun woning te verliezen na een handhavingsbesluit van de gemeente, maar het kabinet wil tegelijk dat bestaande studentenhuizen vaker behouden blijven. In antwoorden op Kamervragen laat minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening weten dat gemeenten volgens haar pragmatischer mogen omgaan met bestaande kamerverhuur, zolang aan de regels wordt voldaan. Tegelijk benadrukt zij dat gemeenten lokaal de afweging maken en dat handhaving in sommige gevallen gewoon verplicht is.

De aanleiding voor de Kamervragen is een situatie in Groningen. Volgens de beslisnota wonen daar sinds 2021 tien studenten in één huis. Voor de kamerverhuur is geen vergunning afgegeven. De gemeente handhaaft haar beleid, waardoor de studenten het pand binnenkort moeten verlaten.
De minister gaat in haar beantwoording niet specifiek in op die zaak, maar gebruikt de vragen om haar algemene lijn over studentenhuizen toe te lichten.
Op de vraag of bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden moeten blijven in tijden van kamernood, antwoordt de minister dat verkamerde studentenhuizen behouden moeten blijven “waar deze in lijn met onder andere de Wet goed verhuurderschap, bouwregelgeving en als nodig met een vergunning worden verhuurd.”
Ze wijst erop dat veel studentenwoningen in particuliere handen zijn en dat verhuurders woningen in principe mogen verkopen. Volgens haar is het daarom belangrijk om verhuurders te stimuleren om woningen niet van de markt te halen. Als maatregelen noemt zij onder meer:
De minister erkent dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door gemeentelijk verkameringsbeleid, vergunningplichten en de uitleg van het begrip “één huishouden”.
Dat laatste verwijst volgens haar naar een verduidelijking in het woningwaarderingsstelsel. Die verduidelijking moest volgens de minister voorkomen dat zogenoemde friendscontracten worden gebruikt om onder vergunningsplicht en huurprijsbescherming uit te komen.
Zij schrijft dat studenten in de regel niet voldoen aan het criterium van een “duurzaam gemeenschappelijk huishouden”. Studenten mogen volgens haar wel via friendscontracten huren, maar dan moet duidelijk zijn welk deel van de woning door wie wordt gehuurd en tegen welke prijs. De huurprijs moet dan worden bepaald via het WWS onzelfstandig.
Op de vraag of het wenselijk is dat regels tegen overlast en slecht verhuurderschap ook goed functionerende studentenhuizen raken, zegt de minister: “Dat vind ik niet wenselijk.”
Haar inzet is volgens de antwoorden dat gemeenten woningdelen vaker toestaan en “pragmatisch” omgaan met het alsnog verlenen van vergunningen. Zij zegt te zien dat gemeenten dat al doen, bijvoorbeeld als er al lange tijd sprake is van verkamering en de leefbaarheid in de wijk niet onder druk staat.
Volgens de minister moeten gemeenten lokaal en per geval afwegen wat passend is.
Tegelijk houdt de minister vast aan de bevoegdheid van gemeenten om op te treden. Als er een vergunningplicht geldt, er geen vergunning is en legalisatie niet in zicht is, dan geldt in principe een handhavingsplicht voor het bevoegd gezag.
Op de vraag hoeveel ruimte gemeenten hebben om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur en bestaande studentenhuizen, antwoordt zij dat gemeenten per geval zelf afwegen of nieuwe verkamering wenselijk is of bestaande kamerverhuur aan de regels voldoet.
Kamerverhuur kan volgens haar problematisch zijn als niet wordt voldaan aan lokale en landelijke regelgeving, zoals vergunningplichten, bouwregels en de Wet goed verhuurderschap.
De minister ziet geen reden voor extra onderzoek naar aanvullende ruimte voor gemeenten. Volgens haar beschikken gemeenten al over voldoende instrumentarium om kamerverhuur toe te staan of te legaliseren binnen de bestaande voorraad.
Via de landelijke aanpak Beter Benutten stimuleert zij gemeenten om kamerverhuur mogelijk te maken waar dat passend is. Daarnaast werkt het kabinet aan een voorstel om gemeenten meer te stimuleren tot een “ja, mits”-benadering.
In de beantwoording staat ook dat gemeenten de vrijheid hebben om lokaal regels op te stellen en die zo nodig te wijzigen. De minister vindt het niet wenselijk om daar rijksbreed op te sturen.
In het laatste antwoord bevestigt de minister dat de kabinetslijn is dat wordt gewerkt aan een “ja, mits”-benadering. Daarbij zou een vergunningstelsel plaatsmaken voor een systeem waarin verhuurders kunnen starten met kamerverhuur zolang zij aan de regels voldoen.
Volgens de minister gebeurt hier al veel binnen het Landelijk Platform Studentenhuisvesting. Zij zegt ook dat steeds meer gemeenten hun regels over woningdelen, splitsen en kamerverhuur versoepelen waar dat passend is.
“Wat kansen biedt voor onder andere studenten,” schrijft zij.
De kern van de boodschap is dubbel:
Daarmee kiest de minister voor een lijn waarin behoud en legalisatie worden aangemoedigd, maar waarin lokale handhaving niet wordt uitgesloten.
