Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Kabinet zet dierwaardige veehouderij vast in ontwerp-AMvB, maar schuift scherpe normen deels door

De ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij die staatssecretaris Silvio P.A. Erkens op 11 september 2026 aan de Tweede Kamer voorlegt, legt een omvangrijk normenkader neer voor varkens, kalveren, runderen en pluimvee. Tegelijk laat het kabinet op meerdere punten zien dat de route naar 2040 niet alleen door dierenwelzijn wordt bepaald, maar ook door uitvoerbaarheid, vergunningverlening, economische impact en het risico op weglek van productie naar het buitenland. Dat vertaalt zich in hardere eisen voor nieuwe stallen, overgangsrecht voor bestaande bedrijven en het schrappen van enkele verdergaande voorstellen, zoals een maatregel voor vleeskuikenouderdieren.

11 September 2026

Kern van het besluit: normen voor gedrag, huisvesting en ingrepen

De brief bij de voorhang noemt vier pijlers van de ontwerp-AMvB: het aanwijzen van gedragsbehoeften van pluimvee, kalveren, runderen en varkens; maatregelen om daaraan te voldoen; regels over lichamelijke ingrepen; en een maatregel over het vervoer van kalveren.

De ontwerpregels moeten bijdragen aan de “stapsgewijze realisatie van een dierwaardige veehouderij in 2040”, zoals de Wet dieren voorschrijft. In de brief staat dat hiermee ook invulling wordt gegeven aan de afspraak uit het regeerprogramma om de ontwerpregeling “rond de zomer” aan de Kamer voor te leggen.

Varkens: daglicht, luchtkwaliteit en staartbijten scherper gereguleerd

Voor de varkenssector bevat de ontwerp-AMvB een reeks concrete aanscherpingen. Zo wordt de minimumtransportleeftijd voor kalveren in het ontwerp naar 28 dagen gebracht, maar voor varkens valt vooral op dat de gasconcentraties in de stal worden begrensd: CO2 mag maximaal 3000 ppm bedragen en ammoniak in bestaande stallen gemiddeld maximaal 20 ppm, met monitorplicht en bewaarplicht van de meetgegevens.

Ook op huisvesting wordt ingegrepen. In stallen voor gespeende varkens moet een deel van de roostervloer worden afgedekt zodat een aaneengesloten dicht vloergedeelte ontstaat. Daarnaast komt er een verplichting dat een varken permanent de mogelijkheid heeft om zich aan een geschikt middel te schuren, met uitzonderingen voor dekstallen en stallen met zogende zeugen en biggen.

Verder zijn de regels rond voer en water aangescherpt. Voor guste en drachtige zeugen en gelten moet permanent ruwvoer beschikbaar zijn; biggen ouder dan een week moeten voer krijgen op een manier waarop zeug en biggen elkaar tijdens het eten kunnen waarnemen. In de toelichting wordt ook vastgelegd dat biggen vanaf zeven dagen leeftijd permanent toegang moeten hebben tot water.

Bij staartbijten kiest het besluit voor een zwaar register- en verbeterregime. Bij constatering van kwetsuren aan staarten moet de houder onmiddellijk onderzoek doen naar de oorzaken en onverwijld maatregelen nemen. Binnen twee weken moet een logboek worden bijgehouden met onder meer datum, diercategorie, aantal dieren, stal, vermoedelijke oorzaak, genomen maatregelen en de effectiviteit daarvan. Daarnaast moet halfjaarlijks per diercategorie een risicoanalyse worden uitgevoerd.

Een verbeterplan wordt verplicht als tail docking heeft plaatsgevonden of als staartkwetsuren vaker dan eens per kwartaal terugkeren en de genomen maatregelen niet hebben geleid tot beëindiging daarvan. De motivering in de brief is scherp: het kabinet wil het couperen van varkensstaarten afbouwen, maar zoekt nog naar een uitvoerbare route.

Kalveren: minder individuele huisvesting, hogere Hb-norm en transportgrens

Voor kalveren stelt de ontwerp-AMvB duidelijke ruimtenormen en verzorgingsregels in. Een kalf ouder dan 14 dagen mag niet individueel worden gehuisvest, met alleen een tijdelijke uitzondering van twee dagen na aankomst bij de houder voor kalveren ouder dan 14 dagen maar jonger dan acht weken. De minimale oppervlakte wordt voor kalveren jonger dan drie maanden 1,65 m2 en voor oudere kalveren 2 m2.

De brief maakt duidelijk dat de regels voor kalveren ook harder worden op gezondheid. Het hemoglobinegehalte moet ten minste 5,3 mmol/L bedragen. In de toelichting staat dat waarden onder 4,5 mmol/L worden geassocieerd met verminderde immuniteit, meer diarree en luchtwegaandoeningen en minder gewichtstoename. Het kabinet zegt open te staan voor een alternatieve wettelijke norm, mits die aantoonbaar hetzelfde effect heeft en goed handhaafbaar is.

Op het gebied van transport wordt de minimumleeftijd voor vervoer binnen Nederland verhoogd naar 28 dagen, met uitzondering van vervoer zonder economisch doel. In de brief wordt dit expliciet gekoppeld aan de eerdere aankondiging van voormalig minister Wiersma.

Ook de brief bij de voorhang laat zien dat een eerder voorgestelde eis over de zoogpositie van melkverstrekking is geschrapt. Die keuze wordt gemotiveerd met uitvoerbaarheid en impact voor de kalverhouderij.

Runderen: meer ruimte, permanent water en geen generieke weidegangplicht

Voor runderen bevat de ontwerp-AMvB een bredere herijking van de huisvestingsnormen. Runderen moeten permanent ruwvoer en vers water van passende kwaliteit hebben. In de stal moet voldoende eetruimte zijn en voldoende ligplaatsen die schoon, droog, comfortabel en gripvast zijn. Voor runderen jonger dan twee jaar gelden oplopende minimumoppervlakten; voor melkkoeien van twee jaar en ouder noemt de ontwerptekst 11 m2 per dier.

Bij individuele huisvesting kiest het kabinet voor beperking. Runderen worden in beginsel niet individueel gehuisvest, met uitzonderingen voor ziekten, dekstieren en stieren in de mesterij onder specifieke omstandigheden. Afzondering bij ziekte of afkalven moet in een daartoe bestemde ruimte plaatsvinden, met zicht en gehoorcontact met de koppel, tenzij een dierenarts anders nodig acht.

Opvallend is dat het kabinet de gedragsbehoefte grazen niet als afzonderlijke gedragsbehoefte aanwijst en dus ook geen wettelijke weidegangplicht invoert. In de brief staat dat grazen wel degelijk een gedragsbehoefte is, maar dat wettelijke regulering het maatwerk, de stimulering, innovatie en beloning voor weidegang zou kunnen ondermijnen. Het kabinet kiest daarom voor stimulering via onder meer convenantafspraken.

Pluimvee: einde aan kooihuisvesting schuift door in fasen

Bij pluimvee is de politieke lijn minder terughoudend. Voor legkippen wordt nieuwbouw van koloniekooien per 2028 verboden. Bestaande koloniehuisvesting mag onder overgangsrecht tot 1 januari 2035 worden voortgezet, met aanvullende uitzonderingen voor situaties waarin een omgevingsvergunning voor verbouw voor een Natura 2000-activiteit tijdig onherroepelijk is geworden of tijdig is aangevraagd.

Daarnaast wordt de bezettingsdichtheid voor vleeskuikens aangescherpt en vervalt de evaluatiebepaling die daarop zat. De ontwerptekst voorziet ook in nieuwe regels over daglicht, een verplichte donkerperiode van acht uur per 24 uur en omgevingsverrijking. Voor legkippen wordt de zitstoknorm verhoogd van 15 cm naar 17 cm per dier, met overgangsrecht tot 2040 voor bestaande stallen.

Voor ouderdieren en opfokdieren gelden eveneens nieuwe gedragsbehoeften, inclusief eisen aan rust, actief gedrag, sociaal gedrag, zelfverzorging en veiligheid. Nieuwbouw van kooihuisvesting voor ouderdieren wordt verboden, maar ook hier blijft voor bestaande stallen overgangsrecht bestaan.

Vleeskuikenouderdieren: kabinetskeuze om geen extra genetische eis op te nemen

Een van de opvallendste keuzes staat niet in de ontwerp-AMvB zelf, maar in de beslisnota. Daar staat dat het kabinet een eerder geadviseerde maatregel voor vleeskuikenouderdieren niet overneemt. Aanleiding was de vraag om, net als voor vleeskuikens per 2040, ook voor vleeskuikenouderdieren robuuste rassen te verplichten.

Volgens de nota valt anno 2026 ongeveer 15 tot 20 procent van de Nederlandse vleeskuikenouderdieren onder de classificatie robuust. De rest zit in het reguliere segment, mede gericht op export van broedeieren en eendagskuikens. Een verplichting voor alle ouderdieren zou volgens de aanvullende impactanalyse leiden tot een 5 tot 10 procent hogere kostprijs per broedei. De nota noemt bovendien het risico dat 40 tot 60 procent van de productie naar andere landen verschuift.

Daarom kiest het kabinet ervoor de maatregel niet op te nemen. Wel wordt in de toelichting uitgelegd waarom die afweging is gemaakt.

Uitvoerbaarheid, vergunningen en evaluatie als rem op vergaande normen

De brieven leggen sterk de nadruk op uitvoerbaarheid. Voor maatregelen met grote impact bevat de ontwerp-AMvB een evaluatiebepaling voorafgaand aan inwerkingtreding. Daarbij wordt getoetst op impact op verdienmodel, emissies en de mogelijkheid van vergunningverlening. Voor nieuw te bouwen stallen gelden vaker eerdere deadlines dan voor bestaande stallen; voor bestaande bedrijven wordt overgangsrecht ingebouwd dat aansluit op bedrijfsspecifieke emissienormen per 2035.

De brief noemt expliciet dat “niet alle maatregelen direct of in hun meest vergaande vorm” zijn opgenomen. In sommige gevallen is gekozen voor een minder vergaande norm dan wetenschappelijk wenselijk zou zijn. In andere gevallen is een latere inwerkingtreding gekozen of een maatregel voorlopig niet opgenomen.

Ook vergunningverlening wordt als knelpunt benoemd. Het kabinet wil in gesprek met sectorpartijen over bedrijven die nu al een vergunningaanvraag hebben lopen en straks mogelijk vastlopen op nieuwe eisen.

Financiële en beleidsmatige flank: subsidies en ketenaanpak

De ontwerp-AMvB staat niet op zichzelf. In de begeleidende stukken wordt verwezen naar de oprichting van een Autoriteit dierwaardige veehouderij om de voortgang te bewaken, naar convenantafspraken met sector- en ketenpartijen, en naar financiële ondersteuning. Zo is 6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de EIP-module “Dierwaardige ketendeals”. Daarnaast opent een subsidieregeling voor productieve investeringen in dierwaardig omgevingsklimaat van 24 november 2026 tot en met 19 januari 2027, met een subsidieplafond van 5,44 miljoen euro.

Verder noemt de brief indicatief 1,2 miljard euro uit het stikstoffonds voor stalmaatregelen in de periode 2026-2035, bedoeld voor ondersteuning bij investeringen in integraal duurzame stallen.

Vervolg: voorhang, Raad van State en Europese notificatie

Na de voorhangprocedure volgt Europese notificatie, die volgens de brief ten minste drie maanden duurt. Daarna gaat de ontwerp-AMvB ter advisering naar de Afdeling advisering van de Raad van State. Ook komt er nog een wijzigingsregeling voor enkele ministeriële regelingen.

De inwerkingtreding is gefaseerd: 1 januari 2028 als hoofdregel, 1 januari 2030 voor een deel van de stalregels, en 1 januari 2040 voor de meest verstrekkende maatregelen. Voor enkele onderdelen volgt nog een bij koninklijk besluit vast te stellen datum.

Meer documenten op: Voorhang ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.