De initiatiefnemers van een wetsvoorstel dat gemeenten moet verbieden statushouders voorrang te geven bij sociale huurwoningen, houden vast aan hun plan. Volgens Keijzer, Claassen en Clemminck is het “niet gerechtvaardigd” dat vergunninghouders automatisch voorrang krijgen op basis van hun verblijfsstatus. Zij vinden dat woningzoekenden in dezelfde regels moeten vallen, juist omdat de woningmarkt onder grote druk staat.

Het voorstel wijzigt de Huisvestingswet 2014. Gemeenten zouden vergunninghouders niet langer als zelfstandige urgentiecategorie mogen aanwijzen.
Volgens de initiatiefnemers betekent dat niet dat statushouders geen huisvesting of urgentie meer kunnen krijgen. Zij kunnen nog steeds voorrang krijgen als zij voldoen aan dezelfde voorwaarden als andere woningzoekenden. Het verschil is dat hun verblijfsstatus op zichzelf geen reden meer mag zijn voor voorrang.
De initiatiefnemers zeggen dat zij met het voorstel willen bereiken dat vergunninghouders “dezelfde positie verkrijgen als andere woningzoekenden”.
In hun reactie verzetten de initiatiefnemers zich tegen de kritiek dat het voorstel in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Volgens hen betekent artikel 1 van de Grondwet in de eerste plaats dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, en niet dat de overheid gelijke uitkomsten op de woningmarkt moet garanderen.
Zij wijzen erop dat woningzoekenden in de praktijk vaak niet vanuit een gelijke uitgangspositie beginnen. Zo noemen zij arbeidsmigranten, jongeren die net zelfstandig gaan wonen en mensen die vanwege werk, familie of mantelzorg aan een beperkte regio gebonden zijn.
Tegen die achtergrond vinden de initiatiefnemers het onwenselijk dat mensen die soms jarenlang op een wachtlijst staan, worden gepasseerd door vergunninghouders die voorrang krijgen “uitsluitend op grond van hun status”.
De initiatiefnemers plaatsen hun voorstel nadrukkelijk in een breder beleidskader. Zij verwijzen naar maatregelen die gericht zijn op beperking van de instroom van asielzoekers, uitbreiding van tijdelijke en onzelfstandige huisvesting, doorstroomlocaties, flexwoningen, woningdelen, snellere inburgering, taalverwerving en arbeidsparticipatie.
Volgens hen moet ook worden gekeken naar de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders. Zij noemen onder meer zoeken via het sociale netwerk, particuliere huur, hospitaverhuur en werkgerelateerde huisvesting.
Daarnaast zeggen de initiatiefnemers dat gemeenten in de voorbereidings- en implementatiefase financieel en organisatorisch ondersteund worden om extra huisvestingsmogelijkheden te creëren.
De initiatiefnemers stellen dat de huidige situatie niet houdbaar is. Zij noemen drie cijfers die hun standpunt moeten onderbouwen:
Volgens hen laat dat zien dat de huidige voorrangsregeling de achterstanden niet oplost en dat toe moet worden gewerkt naar een systeem waarin vergunninghouders zonder voorrang op basis van verblijfsstatus hun weg naar huisvesting vinden.
De initiatiefnemers erkennen dat hun voorstel de gemeentelijke beleidsvrijheid beperkt. Tegelijk zeggen zij dat die beperking past binnen een bredere ontwikkeling waarin het Rijk meer regie neemt op de volkshuisvesting.
Wel voorzien zij een gefaseerde invoering. Gemeenten krijgen volgens hen tijd om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. De initiatiefnemers zeggen bovendien open te staan voor een langere implementatiefase en voor verruiming van de uitzonderingen.
De initiatiefnemers bestrijden dat hun voorstel gemeenten in een onoplosbare positie brengt. Volgens hen zal de combinatie van instroombeperkende maatregelen, meer huisvesting en het voornemen om de taakstelling af te schaffen juist maken dat voorrang voor vergunninghouders niet langer nodig is.
Hun kernpunt blijft onveranderd: statushouders moeten volgens hen niet langer automatisch voorrang krijgen in de sociale huur, maar op dezelfde voorwaarden als andere woningzoekenden worden beoordeeld.
Advies over initiatiefwetsvoorstel om voorrang voor statushouders te schrappen - PONT Omgeving

