De waterschapsbelastingen gaan in 2026 opnieuw omhoog. Dat blijkt uit de nieuwe uitgave Waterschapsbelastingen 2026 – Het hoe en waarom van de Unie van Waterschappen. Een gezin met een eigen woning betaalt gemiddeld 511 euro per jaar, 33 euro meer dan in 2025. Een eenpersoonshuishouden in een huurwoning komt uit op 213 euro, tien euro meer dan een jaar eerder. Ook bedrijven, agrariërs en natuurbeheerders zien hun aanslag stijgen.

De stijging komt niet uit de lucht vallen. De waterschappen wijzen op een stapeling van opgaven: dijken moeten worden versterkt, watersystemen klimaatbestendig gemaakt en rioolwaterzuiveringen uitgebreid en vernieuwd. Tegelijk lopen de kosten van materiaal, energie en onderhoud op. In totaal heffen de waterschappen in 2026 4,6 miljard euro aan belastingen, goed voor 1,2 procent van de totale belastingdruk in Nederland. Daarvan gaat 2,45 miljard via de watersysteemheffing en iets meer dan 2,08 miljard via de zuiveringsheffing.
De verschillen tussen regio’s zijn groot. Dat heeft alles te maken met de opgaven in het gebied, de ligging, de hoeveelheid dijken, de aanwezigheid van kwetsbare natuur en de bestuurlijke keuzes die waterschapsbesturen maken. In laaggelegen en sterk verstedelijkte gebieden drukken de lasten doorgaans zwaarder op de begroting dan in hoger gelegen regio’s. Ook de nieuwe verdeling van de watersysteemkosten speelt mee. Vanaf 2026 worden die meer toegerekend op basis van profijt van het watersysteem, en minder op basis van economische waarde alleen.
De Unie presenteert de aanslag voor 2026 als de eerste onder een verbeterd belastingstelsel. Dat stelsel moest oude knelpunten oplossen, onder meer in de kostenverdeling en bij de heffing voor bedrijven. Een opvallende wijziging is dat waterschappen kosten voor het zuiveren van afvalwater dat niet via de riolering binnenkomt, niet langer via de zuiveringsheffing mogen verhalen. Daarvoor komen separate privaatrechtelijke afspraken in de plaats.
Achter de stijgende aanslag schuilt ook een forse investeringsgolf. De waterschappen verwachten in de periode 2026-2030 gemiddeld 3,3 miljard euro per jaar te investeren in dijken, watersystemen en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Alleen al in de waterzuivering gaat jaarlijks gemiddeld 1,29 miljard euro om. De boodschap van de Unie is duidelijk: waterbeheer kost meer geld, maar uitstel is geen optie in een land dat voor een groot deel onder zeeniveau ligt en steeds vaker te maken krijgt met extreme buien, droogte en bodemdaling.
De publicatie laat intussen ook zien hoe breed het werkterrein van de waterschappen is. Ze beheren circa 3.200 kilometer primaire waterkeringen, 14.800 kilometer overige waterkeringen, 240.000 kilometer waterlopen en 312 rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daarmee vormen ze een van de fundamenten onder de Nederlandse leefbaarheid: veilig wonen, werken, ondernemen en recreëren. De prijs daarvoor wordt in 2026 opnieuw hoger. Maar volgens de waterschappen is het een rekening die het land uiteindelijk niet kan ontlopen.
