De aanpak van PFAS blijft hoog op de bestuurlijke en politieke agenda staan. In een Kamerbrief van 28 september 2026 schetst staatssecretaris Annet Bertram een overzicht van de lopende en voorgenomen acties om de blootstelling aan PFAS terug te dringen. De brief bevat geen ingrijpende nieuwe regelgeving, maar biedt wel voor het eerst een samenhangend beeld van de nationale en Europese inzet langs vier sporen. Daarnaast kondigt het kabinet aan de Kamer voortaan halfjaarlijks over de voortgang te informeren.

De Kamerbrief is opgesteld naar aanleiding van een toezegging tijdens het Commissiedebat Externe Veiligheid van 10 juni 2026 aan het Kamerlid Kostić. De staatssecretaris brengt daarin de verschillende acties van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bijeen in één overzicht. Parallel werkt het Rijk aan een bredere rijksbrede inventarisatie van PFAS-beleid, die naar verwachting medio 2027 beschikbaar komt.
De brief vertrekt vanuit de constatering dat PFAS een internationaal probleem vormt. Volgens het kabinet ligt de grootste winst bij het voorkomen van nieuwe emissies, omdat PFAS nauwelijks afbreekt en daardoor langdurig in bodem, water en voedselketens aanwezig blijft. Tegelijkertijd benadrukt de staatssecretaris dat bestaande verontreiniging aandacht blijft vragen wanneer deze tot gezondheidsrisico's kan leiden.
Het belangrijkste beleidsmatige uitgangspunt blijft een brede Europese PFAS-restrictie. Nederland zet samen met Duitsland, Zweden, Noorwegen en Denemarken sinds 2020 in op een voorstel om het gebruik en het op de markt brengen van PFAS op grote schaal te beperken. De behandeling daarvan bevindt zich inmiddels in een vergevorderd stadium. De Europese Commissie wordt naar verwachting medio 2027 gevraagd met een definitief voorstel te komen.
Opvallend is dat het kabinet expliciet afstand houdt van een nationaal PFAS-verbod. Volgens de staatssecretaris is een dergelijke optie in 2025 onderzocht, maar wordt de meerwaarde daarvan beperkt geacht. Daarbij spelen volgens de brief onder meer het belang van een gelijk Europees speelveld en het voorkomen van extra regeldruk voor bedrijven een rol.
Tegelijkertijd wordt de Europese inzet geïntensiveerd. Nederland bereidt samen met gelijkgestemde lidstaten een non-paper voor de Milieuraad van december 2026 voor en blijft inhoudelijke ondersteuning leveren aan de Europese Commissie. Ook wordt gewerkt aan versterking van de samenwerking tussen lidstaten die nationaal aanvullende PFAS-maatregelen ontwikkelen. Hiervoor organiseert Nederland eind 2026 een internationale workshop.
Feit: het kabinet blijft inzetten op een Europese restrictie en intensiveert de samenwerking met andere lidstaten.
Beleidsvoornemen: verdere Europese agendering via een non-paper en internationale kennisuitwisseling.
Een tweede spoor richt zich op het versnellen van de overgang naar PFAS-vrije alternatieven. Daarbij bouwt het kabinet voort op het bestaande Actieprogramma PFAS, waarin overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen samenwerken. Dit programma levert onder meer factsheets, sectorbijeenkomsten en onderzoeken op naar toepassing van PFAS in uiteenlopende sectoren, waaronder brandblusschuim, textiel, papier, offshore, afvalverwerking en circulaire economie.
Daarnaast werkt het kabinet aan een nationale innovatieagenda PFAS. Over de verdere uitwerking daarvan verwacht de staatssecretaris eind 2026 meer informatie te geven. De uitvoering moet in 2027 starten. Ook wordt ingezet op Europese initiatieven voor substitutie van gevaarlijke stoffen.
Op consumentenniveau onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor productinformatie en vrijwillige labeling van PFAS-vrije producten. Resultaten van dat onderzoek worden later in 2026 verwacht.
Feit: diverse innovatie- en kennisprogramma's lopen reeds.
Beleidsvoornemen: ontwikkeling van een nationale innovatieagenda PFAS en stimulering van Europese substitutienetwerken.
Voor de uitvoeringspraktijk bevat het derde spoor mogelijk de meest relevante ontwikkelingen. De staatssecretaris wijst erop dat sinds november 2024 alle PFAS als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn aangemerkt. Daardoor vallen emissies onder het nationale minimalisatiebeleid. Vergunningplichtige bedrijven moeten periodiek een Vermijdings- en Reductieprogramma (VRP) opstellen en bevoegde gezagen beoordelen deze plannen.
Om de uitvoering te ondersteunen zijn inmiddels een wegwijzer voor PFAS als ZZS en een handreiking voor de beoordeling van VRP's door omgevingsdiensten beschikbaar gesteld. Daarnaast onderzoekt het kabinet hoe de uitvoeringspraktijk verder kan worden versterkt nadat het Impulsprogramma Chemische Stoffen afloopt.
Ook wordt gewerkt aan betere informatievoorziening. Bedrijven moeten sinds 1 januari 2025 hun ZZS-emissies rapporteren in een landelijke database. Na evaluatie van dit systeem moet uiterlijk eind 2027 een openbaar ZZS-register beschikbaar komen.
Verder loopt een onderzoek naar de mogelijkheden van een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod. Over de uitkomsten verwacht de Kamer in het najaar van 2026 een afzonderlijke brief. Daarmee is nog geen besluit genomen over aanvullende nationale verboden.
Hoewel het voorkomen van nieuwe emissies centraal staat, benadrukt de staatssecretaris dat bestaande verontreinigingen eveneens aandacht vragen. Gemeenten en provincies ontvangen financiële ondersteuning voor de aanpak van PFAS-verontreinigde locaties. Volgens de brief zijn inmiddels 3.917 potentieel verontreinigde locaties geïnventariseerd. Daaruit zijn 57 PFAS-aandachtlocaties naar voren gekomen, waarvan een deel inmiddels wordt onderzocht of gesaneerd.
Daarnaast investeert het Rijk in innovatie voor verwijdering van PFAS uit bodem en water via verschillende onderzoeks- en innovatieprogramma's. Tegelijkertijd wordt erkend dat effectieve verwijderingstechnieken momenteel nog kostbaar en energie-intensief zijn.
Op gezondheidsgebied lopen onderzoeken naar blootstelling van mensen aan PFAS, waaronder biomonitoring, gezondheidsonderzoeken rond Chemours en de Westerschelde en het bredere onderzoeksprogramma van het RIVM. De eindsynthese van dat programma wordt eind 2026 verwacht.
Voor gemeenten, provincies, omgevingsdiensten en adviseurs bevat de Kamerbrief vooral signalen over verdere aanscherping van de uitvoering, niet over directe nieuwe regelgeving.
Relevant voor de praktijk zijn met name:
Openstaande vragen zijn er eveneens. De precieze inhoud van de Europese restrictie is nog niet bekend. Ook moet nog blijken of het onderzoek naar een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod leidt tot aanvullende nationale maatregelen. Verder zijn de gevolgen van het toekomstige openbare ZZS-register en de nationale innovatieagenda PFAS nog niet uitgewerkt.
De Kamerbrief introduceert geen grote koerswijziging, maar markeert wel een volgende fase in de Nederlandse PFAS-aanpak. Het kabinet kiest nadrukkelijk voor een combinatie van Europese regulering, innovatie, emissiereductie en blootstellingsbeperking. Voor de uitvoeringspraktijk ligt de nadruk voorlopig op betere informatie, versterkte samenwerking en verdere professionalisering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Veel van de aangekondigde ontwikkelingen bevinden zich echter nog in voorbereiding. De komende jaren zullen vooral de Europese besluitvorming en de uitkomsten van lopende onderzoeken bepalend zijn voor de vraag hoe vergaand de PFAS-aanpak uiteindelijk wordt.
