Huurders beschermen of huurwoningen behouden? Debat over nieuwe verhuurregels legt fundamentele kloof bloot. De Tweede Kamer is diep verdeeld over de vraag hoe de snel krimpende middenhuursector moet worden gered. Tijdens een commissiedebat op 3 juni 2026 botsten partijen over het voorgenomen Besluit aanpassing regelgeving verhuur van minister Boekholt-O'Sullivan. Waar een deel van de Kamer vreest dat de Wet betaalbare huur leidt tot een massale verkoop van huurwoningen, waarschuwen anderen dat juist huurders de rekening betalen van nieuwe versoepelingen.

Centraal stond één vraag: moet de overheid vooral ingrijpen om woningen betaalbaar te houden, of om te voorkomen dat verhuurders hun woningen van de huurmarkt halen? Volgens vrijwel alle partijen staat de middenhuursector onder druk, maar over de oplossing bestaat grote verdeeldheid.
De aanleiding voor de voorgestelde wijzigingen is de aanhoudende uitponding van huurwoningen. Diverse Kamerleden wezen op tienduizenden woningen die de afgelopen jaren van de huurmarkt zijn verdwenen en als koopwoning zijn verkocht. JA21 sprak zelfs van een "uitpondgolf" van 66.541 woningen in 21 maanden. Ook VVD, SGP en PVV zien daarin een direct gevolg van een combinatie van huurregulering, fiscale maatregelen en hogere financieringskosten.
Volgens deze partijen dreigt daardoor juist de doelgroep waarvoor de Wet betaalbare huur bedoeld was, starters, middeninkomens en mensen die na een scheiding snel woonruimte zoeken, steeds minder woningen te kunnen vinden.
GroenLinks-PvdA plaatste daar een ander perspectief tegenover. Volgens woordvoerder Habtamu de Hoop was een deel van de uitponding voorzien bij de invoering van de wet. Bovendien zouden veel verkochte woningen uiteindelijk terechtkomen bij starters op de koopmarkt. Hij wees erop dat private verhuurders ook nog steeds woningen toevoegen en stelde dat de netto-afname beperkter is dan vaak wordt gesuggereerd.
Het pakket van de minister bestaat uit een aantal gerichte aanpassingen van de Wet betaalbare huur. Zo wordt de WOZ-component zwaarder meegewogen, verdwijnen minpunten voor het ontbreken van buitenruimte, krijgen kleine rijksmonumenten extra waardering binnen het woningwaarderingsstelsel en wordt de nieuwbouwopslag verlengd. Daarnaast wil het kabinet tijdelijke huurcontracten voor studenten weer mogelijk maken.
Volgens de minister moeten deze maatregelen voorkomen dat verhuurders hun woningen verkopen, zonder dat de kern van de huurbescherming wordt aangetast. Tegelijkertijd erkende zij dat de voorgestelde wijzigingen op zichzelf niet voldoende zijn om alle problemen op de huurmarkt op te lossen. Een bredere aanpak, inclusief fiscaliteit en investeringsklimaat, blijft noodzakelijk.
Opvallend was dat veel partijen, van PVV en CDA tot D66 en VVD, de nadruk legden op de fiscale behandeling van verhuurders. Met name box 3 werd regelmatig genoemd als belangrijke oorzaak van de uitponding. Uit inventarisaties onder verhuurders blijkt volgens verschillende Kamerleden dat de combinatie van box 3 en huurregulering voor veel eigenaren de aanleiding vormt om woningen te verkopen.
Toch kan een nieuwe box 3-systematiek pas per 1 januari 2028 in werking treden. Juist daarom dringen VVD, JA21 en SGP aan op aanvullende maatregelen vóór die datum. Zij vinden dat de huurmarkt niet nog twee jaar kan wachten.
Aan de linkerzijde van het politieke spectrum ligt de nadruk juist op woningcorporaties. GroenLinks-PvdA en D66 zien meer ruimte voor corporaties als een belangrijker instrument dan het verruimen van verhuurmogelijkheden voor particuliere beleggers. Daarbij wordt gewezen op geborgde financiering, uitbreiding van investeringsruimte in het middensegment en fiscale verlichting voor corporaties.
Tegelijkertijd erkende ook D66 dat corporaties alleen het tekort niet kunnen oplossen. Volgens de partij zijn zowel corporaties als marktpartijen nodig om voldoende middenhuurwoningen te realiseren.
Een ander gevoelig onderwerp was de herintroductie van tijdelijke huurcontracten. De minister wil deze mogelijkheid opnieuw openen voor studenten. VVD, SGP en JA21 gingen verder en pleitten voor ruimere mogelijkheden, bijvoorbeeld voor specifieke doelgroepen of woningen zoals pastorieën en woonruimten boven winkels.
Tegenstanders vrezen juist meer onzekerheid voor huurders. GroenLinks-PvdA en ChristenUnie waarschuwden dat eerdere ervaringen met tijdelijke contracten hebben laten zien dat huurbescherming onder druk kan komen te staan.
Hoewel de toon in het debat soms scherp was, keerde één woord voortdurend terug: balans. Vrijwel alle partijen erkennen dat zowel betaalbaarheid als beschikbaarheid van woningen onder druk staan. Het verschil zit in de vraag welke kant van de balans prioriteit verdient.
De minister probeert met haar pakket een middenweg te vinden. Maar het debat liet zien dat de fundamentele discussie nog lang niet is beslecht. Voor de ene helft van de Kamer is de Wet betaalbare huur een noodzakelijke correctie op een ontspoorde markt. Voor de andere helft vormt diezelfde wet inmiddels een belangrijke oorzaak van het verdwijnen van de middenhuur. De evaluatie van de wet, die uiterlijk op 1 juli 2027 wordt verwacht, zal daarom niet alleen een beleidsmoment zijn, maar waarschijnlijk ook een nieuwe politieke krachtmeting over de toekomst van de Nederlandse huurmarkt.
