De studentenhousingmarkt laat in 2026 een dubbel beeld zien: het landelijke tekort daalt licht naar circa 20.200 woningen, maar in de grootste studiesteden blijft de druk onverminderd hoog. Tegelijk waarschuwen de monitor en de tussenevaluatie van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) dat de voortgang op nieuwbouw wordt uitgehold door de verkoop van particuliere huurwoningen en dat de regionale verschillen groter worden.

Volgens de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting 2026 wonen in collegejaar 2025-2026 381.400 hbo- en wo-studenten uitwonend. De totale vraag naar studentenhuisvesting komt uit op 406.900 studenten. Dat levert in de 19 studiesteden een tekort op van 20.200 wooneenheden, iets lager dan een jaar eerder, toen nog werd uitgegaan van 21.500.
Ook de landelijke programmalijn laat voortgang zien. In totaal zijn er bijna 5.000 woonplekken voor studenten gerealiseerd. Daarnaast zijn in 19 studiesteden definitieve bouwplannen voor ruim 17.100 extra studentenwoningen vastgesteld voor de periode 2026 tot en met 2034.
Tegenover die nieuwbouw staat een forse terugval van het flexibele aanbod. De monitor stelt dat het totale aanbod in 19 studiesteden ondanks nieuwbouw ongeveer gelijk blijft, rond 312.800 woonruimten nu en 312.600 in 2033-2034. De reden: particuliere verhuurders verkopen woningen, waardoor de voorraad afneemt.
De monitor meldt dat het aandeel studenten dat huurt bij een particuliere verhuurder is gedaald van 52 naar 45 procent, goed voor een afname van 32.300 studenten in twee jaar. In het collegejaar 2025-2026 wonen naar schatting 9.200 studenten minder bij particuliere verhuurders dan een jaar eerder door verkopen van particuliere huurwoningen.
Zowel de monitor als de tussenevaluatie noemen de bouw van onzelfstandige studentenwoningen een hardnekkig knelpunt. De evaluatie concludeert dat de ambitie om betaalbare onzelfstandige eenheden uit te breiden “door een veelheid van factoren niet wordt gerealiseerd”.
Daarbij speelt volgens de betrokken partijen vooral dat er geen sprake is van een gelijk speelveld tussen zelfstandige en onzelfstandige woonruimte. In de evaluatie wordt het ontbreken van huurtoeslag voor onzelfstandige woningen genoemd als “de belangrijkste factor”. De businesscase voor kamers blijft volgens huisvesters zwak.
De evaluatie noemt als mogelijk antwoord een ruimere objectsubsidie. Die zou volgens de betrokkenen uitkomen op ongeveer €10.000 tot €15.000 per eenheid, terwijl de RHA nu rond de €9.000 tot €10.000 biedt. Tegelijk wordt aangetekend dat subsidie het risico van de lagere eindwaarde van dit type vastgoed niet oplost.
De minister schrijft in de kamerbrief dat de regionale verschillen groot zijn. De druk op de studentenwoningmarkt is het hoogst in Amsterdam, Delft, Eindhoven, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, ’s-Hertogenbosch, Utrecht en Zwolle.
In de tussenevaluatie wordt die regionalisering scherper geduid. Daarin staat dat in Amsterdam, Rotterdam, Leiden, Delft, Utrecht en Eindhoven de druk hoog blijft, terwijl in Groningen, Enschede en Maastricht juist krimp en lokaal zelfs dreigende overproductie zichtbaar wordt.
Dat maakt één landelijke norm voor betaalbaarheid volgens meerdere partijen steeds lastiger. De evaluatie pleit daarom voor een explicieter onderscheid tussen landelijke afspraken en lokaal verschillende uitvoeringspraktijken.
De monitor laat zien dat studenten langer zoeken naar woonruimte. Uitwonende hbo- en wo-studenten zochten gemiddeld 5,0 maanden naar hun huidige woning, tegen 3,5 maanden in 2017-2018. Slechts 22 procent vond binnen een maand woonruimte; in 2017-2018 was dat nog 35 procent.
Ook de verhuisgeneigdheid blijft hoog. Van de mbo-studenten wil 11 procent binnen een jaar verhuizen, van de hbo- en wo-studenten 34 procent. Binnen die laatste groep zegt bijna de helft van de studenten die binnen een half jaar wil verhuizen in hun studiestad dat zij noodgedwongen moeten verhuizen, bijvoorbeeld door het einde van een huurcontract of verkoop van de woning.
Opvallend is dat de betaalbaarheid volgens de monitor op papier is verbeterd. Uitwonende hbo- en wo-studenten hebben gemiddeld een besteedbaar budget van €1.340 per maand. Hun gemiddelde woonlasten na huurtoeslag bedragen €590 per maand. De woonquote is daardoor gedaald naar 40 procent, tegen 46 procent een jaar eerder.
Toch blijft betaalbaarheid voor veel studenten een reden om thuis te blijven wonen. Voor 44 procent van de thuiswonende Nederlandse hbo- en wo-studenten is betaalbaarheid de doorslaggevende reden om niet uit huis te gaan.
De woonwensen van studenten blijven duidelijk. Voor hbo- en wo-studenten heeft een éénkamerwoning vaak de voorkeur boven een kamer met gedeelde voorzieningen, maar de studie laat zien dat de huidige prijsverhouding daar niet altijd bij aansluit. Studenten blijken bereid gemiddeld €250 per maand extra te betalen voor een éénkamerwoning ten opzichte van een kamer met gedeelde voorzieningen, terwijl de werkelijke meerprijs gemiddeld €30 is.
De monitor concludeert dat type woonruimte, locatie en woonlasten samen de keuze bepalen. Er is geen ideale woningvorm, maar wel een duidelijke voorkeur voor meer privacy en een betere locatie, zolang de prijs niet te ver oploopt.
De tussenevaluatie is over de governance overwegend positief. Het LAS wordt gezien als een nuttige overlegstructuur waarin partijen elkaar blijven vinden en aanspreken. Maar tegelijk klinkt kritiek op de complexiteit en zwaarte van de structuur.
De evaluatie stelt dat het platform lichter en actiegerichter moet worden. Geopperd wordt onder meer: minder losse acties, duidelijke trekkers, een betere rolverdeling tussen kernteam en stuurgroep, meer laagdrempelig contact en een onafhankelijker of roulerend voorzitterschap.
Over de studentenhuisvestingsregisseur klinkt brede waardering. Tegelijk wordt opgemerkt dat die functie sterk persoonsgebonden is.
De evaluatie eindigt met een lijst aandachtspunten voor actualisatie van het LAS:
De kern van de nieuwe cijfers is helder: de studentenhousingmarkt beweegt wel, maar nog niet hard genoeg. De productie loopt door, de bestuurlijke samenwerking functioneert, maar de voorraad slinkt aan de onderkant en de druk concentreert zich steeds sterker in een beperkt aantal steden. Voor omgevingsrecht en volkshuisvesting is vooral relevant dat de opgave steeds minder één landelijke bouwvraag is en steeds meer een regionale, juridische en bestuurlijke puzzel.
-

