Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

UF-schuim onder de loep: kabinet onderzoekt gevolgen voor normstelling, maar ziet geen aanleiding voor verbod

De discussie over UF-schuim als isolatiemateriaal krijgt een nieuw vervolg. Naar aanleiding van Kamervragen van SP-Kamerlid Beckerman over gezondheidsrisico’s van formaldehyde en lopende onderzoeken door woningcorporaties, schetst minister Boekholt-O'Sullivan de huidige stand van zaken. De Kamerbrief bevat geen nieuwe verboden of directe beleidswijzigingen, maar kondigt wel een beoordeling aan van de bestaande wettelijke grenswaarde voor formaldehyde in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarmee raakt het dossier direct aan woningcorporaties, gemeenten, omgevingsdiensten en andere partijen die betrokken zijn bij woningkwaliteit en toezicht.

2 October 2026

Beleid

Aanleiding: zorgen over formaldehyde in woningen

De Kamervragen volgen op berichtgeving over woningcorporaties die onderzoek doen naar woningen waarin UF-schuim is toegepast als isolatiemateriaal. In het debat staat vooral de mogelijke uitstoot van formaldehyde centraal.

Volgens de minister is UF-schuim de afgelopen jaren toegepast in tienduizenden woningen. Een landelijk overzicht van het aantal huurwoningen waarin het materiaal is gebruikt, bestaat echter niet. Registratie vindt plaats op het niveau van individuele verhuurders. Veel woningcorporaties hebben inmiddels geïnventariseerd of zijn nog bezig in kaart te brengen waar het materiaal is toegepast.

De minister bevestigt daarnaast dat UF-schuim niet beperkt voorkomt tot enkele regio’s, maar in het hele land is gebruikt.

Wat verandert er feitelijk?

Op basis van de Kamerbrief verandert er op dit moment juridisch gezien weinig.

De minister kondigt geen nationaal verbod aan op het gebruik van UF-schuim. Ook worden geen nieuwe wettelijke verplichtingen opgelegd aan woningcorporaties om bewoners actief te informeren over de aanwezigheid van het materiaal in hun woningen.

Wel wijst de minister erop dat zij verwacht dat corporaties huurders serieus nemen, vragen beantwoorden en waar nodig metingen uitvoeren. Wanneer signalen ontstaan dat corporaties dit onvoldoende doen, wil zij hierover met betrokken corporaties in gesprek gaan.

Ook blijft het uitgangspunt dat bewoners met gezondheidsklachten terecht kunnen bij de verhuurder, de GGD of hun huisarts. De Kamerbrief introduceert geen nieuw ondersteunings- of compensatiestelsel voor bewoners.

Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling vooralsnog intact blijft.

Nieuwe RIVM-advieswaarden zetten druk op bestaande norm

De belangrijkste ontwikkeling in de Kamerbrief betreft de publicatie van nieuwe gezondheidskundige advieswaarden voor formaldehyde door het RIVM op 1 september 2026.

Volgens deze nieuwe advieswaarden zou de gemiddelde concentratie formaldehyde in woningen over langere tijd niet hoger moeten zijn dan 7 µg/m³. Voor kortdurende piekbelasting geldt een advieswaarde van 20 µg/m³.

Tegelijkertijd geldt in het Besluit bouwwerken leefomgeving momenteel nog een wettelijke grenswaarde van 120 µg/m³ voor formaldehyde in binnenlucht.

De minister benadrukt dat gezondheidskundige advieswaarden niet automatisch leiden tot wettelijke normen. Bij wettelijke normstelling spelen ook factoren mee zoals handhaafbaarheid, economische gevolgen, maatschappelijke effecten en de aanwezigheid van andere bronnen van formaldehyde in woningen.

Dat onderscheid is voor omgevingsrechtprofessionals relevant. De nieuwe RIVM-waarden zijn op dit moment gezondheidskundige streefwaarden en hebben nog geen directe juridische werking. Wel vormen zij een belangrijke aanleiding voor heroverweging van het bestaande normenkader.

Geen verbod, wel een beleidsmatige herbezinning

Hoewel formaldehyde is aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS), acht de minister een nationaal verbod op UF-schuim niet voor de hand liggend.

De argumentatie daarvoor is tweeledig. Ten eerste wijst zij erop dat verschillende partijen, waaronder GGD’en, branchevereniging VENIN en Aedes, al hebben opgeroepen om UF-schuim voorlopig niet meer toe te passen. De minister gaat ervan uit dat dit in de praktijk inmiddels wordt nageleefd.

Ten tweede speelt het Europese kader een belangrijke rol. Volgens de minister zou een verbod of beperking vooral via de Europese REACH-verordening moeten verlopen. Het uitbreiden van bestaande beperkingen tot UF-schuim zou naar verwachting ongeveer vijf jaar vergen. Gezien de bestaande regelgeving en de huidige praktijk acht het kabinet aanvullende stappen via die route op dit moment niet noodzakelijk.

Hieruit blijkt dat het kabinet voorlopig kiest voor monitoring en beoordeling van bestaande regelgeving, niet voor nieuwe verbodsmaatregelen.

Kosten en sanering: nog veel onzekerheid

Opvallend is dat de minister terughoudend blijft over sanering van woningen waarin UF-schuim aanwezig is.

Volgens de Kamerbrief blijkt uit eerdere ervaringen dat verwijdering technisch mogelijk is, maar niet altijd noodzakelijk of effectief. In sommige gevallen zouden concentraties formaldehyde na verwijdering zelfs zijn toegenomen. De minister legt daarom geen generieke relatie tussen aanwezigheid van UF-schuim en de noodzaak tot sanering.

Wel erkent zij dat corporaties kosten maken voor onderzoek, metingen, tijdelijke herhuisvesting en andere maatregelen. Eventueel verhalen van die kosten ziet het kabinet als een verantwoordelijkheid van de corporaties zelf richting mogelijk aansprakelijke partijen.

Daardoor blijft vooralsnog onduidelijk hoe eventuele toekomstige saneringsopgaven financieel en juridisch worden verdeeld wanneer op grotere schaal maatregelen nodig blijken.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor gemeenten, omgevingsdiensten, corporaties en adviseurs zijn vooral vier punten van belang.

Ten eerste is er op dit moment geen wijziging van het juridische normenkader. De bestaande grenswaarde in het Bbl blijft gelden totdat het kabinet een besluit neemt over eventuele aanpassing.

Ten tweede kunnen de nieuwe gezondheidskundige advieswaarden van het RIVM wel een belangrijke rol gaan spelen in beleidsdiscussies, risicobeoordelingen en communicatie met bewoners. De afstand tussen de advieswaarden en de huidige wettelijke norm is aanzienlijk.

Ten derde wordt van verhuurders verwacht dat zij vragen en klachten van bewoners serieus behandelen en, indien nodig, onderzoek laten uitvoeren. Voor corporaties betekent dit dat een goede registratie van toegepaste isolatiematerialen steeds belangrijker wordt.

Ten vierde moeten toezichthouders en beleidsmakers rekening houden met mogelijke vervolgstappen van het kabinet. De minister heeft aangekondigd nog dit jaar te beoordelen of aanpassing van de grenswaarde voor formaldehyde in het Bbl wenselijk is. Juist die beoordeling kan op termijn gevolgen hebben voor toezicht, handhaving, bouwkwaliteit en renovatieprojecten.

Slotbeschouwing

De Kamerbrief markeert vooral een tussenfase in het UF-schuimdossier. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor een verbod of ingrijpende nieuwe maatregelen, maar erkent wel dat de recent gepubliceerde RIVM-advieswaarden aanleiding geven om de bestaande wettelijke norm voor formaldehyde opnieuw tegen het licht te houden.

Voor omgevingsrechtprofessionals ligt de belangrijkste onzekerheid daarom niet bij het gebruik van UF-schuim zelf, maar bij de vraag of de huidige grenswaarde in het Bbl houdbaar blijft. De aangekondigde kabinetsreactie op het RIVM-advies zal bepalend zijn voor de verdere ontwikkeling van dit dossier en kan daarmee belangrijke gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk in de gebouwde omgeving.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.