De markt voor vakantiehuizen in Nederland koelt af, maar van een instorting is volgens het kabinet geen sprake. Integendeel: de overheid spreekt van een normaliserende markt, waarin het aanbod groeit, de vraag achterblijft en prijzen na jaren van stevige stijgingen vrijwel stilvallen. Dat blijkt uit de beantwoording van Kamervragen over de opkoop van vakantieparken en de zorgen rond recreanten, campingeigenaren en gemeenten.

Volgens de minister is het totaal aantal recreatiewoningen dat te koop staat opgelopen en zetten die ontwikkelingen zich in 2026 door. Kopers hebben meer te kiezen en bieden vaker onder de vraagprijs. Tegelijkertijd blijven de verhuur en de belangstelling voor vakantiewoningen overeind, mede door het binnenlandse en buitenlandse toerisme. Een grote verkoopgolf verwacht het kabinet dan ook niet.
De politieke spanning zit vooral in de vraag wie profiteert van die veranderende markt. In steeds meer gevallen worden campings en vakantieparken overgenomen door grotere partijen, waarna herstructurering volgt en op plekken luxe recreatiewoningen verrijzen. Gemeenten op de Veluwe waarschuwden daar eerder al voor en vreesden dat vakantieparken voor gewone gezinnen onbetaalbaar worden. Die zorgen neemt de minister serieus, al ziet hij op landelijk niveau geen aanwijzingen voor marktdominantie of een uniforme, door ketens gedicteerde recreatiewereld.
Opvallend is vooral hoe uitgesproken het kabinet de schaalvergroting relativeert. Overnames door grotere partijen zijn volgens de minister niet per definitie problematisch. Ze kunnen juist leiden tot professionalisering, modernisering en meer dynamiek in het aanbod. Ook benadrukt hij dat de sector niet alleen uit grote ketens bestaat, maar ook uit mkb’ers, familiebedrijven en kleinere investeerders. Daarmee zet het kabinet de discussie neer als een markt in transitie, niet als een markt die uit de hand loopt.
Toch zijn de gevolgen voor recreanten en vaste kampeerders voelbaar. In de antwoorden klinkt begrip voor mensen die hun plek verliezen na jarenlange verbondenheid met een camping of park. Het kabinet erkent dat dit ingrijpend kan zijn, maar wijst er tegelijk op dat recreanten met een vaste standplaats juridisch niet vogelvrij zijn. Zij kunnen zich beroepen op het huurrecht en op de HISWA-RECRON-voorwaarden, die recent nog zouden zijn aangescherpt. Ook voor herstructureringen gelden, zo luidt het antwoord, de gewone ruimtelijke en juridische kaders.
Dat neemt niet weg dat veel van de zorgen waar de Kamer naar vroeg, nauwelijks in cijfers te vangen zijn. Hoeveel campings en vakantieparken precies zijn overgenomen sinds 2020? Hoeveel vaste kampeerplaatsen verdwenen? Hoe vaak worden recreatiewoningen gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten? Op al die vragen luidt het antwoord in wezen hetzelfde: het kabinet heeft daar geen volledig landelijk zicht op. Gemeenten en provincies zouden de lokale situatie beter kennen, en een centrale registratie bestaat niet.
Juist daar wringt het voor critici. Als het Rijk geen totaalbeeld heeft, hoe moet dan worden vastgesteld of recreatief gebruik langzaam verdwijnt, vaste plekken onder druk staan of vakantieparken steeds vaker een andere functie krijgen? De minister houdt vast aan het uitgangspunt dat lokale overheden het beste kunnen sturen via omgevingsplannen en vergunningen. Zij kunnen regels stellen over kampeermiddelen, aantallen recreatiewoningen en bebouwd oppervlak. Het Rijk ziet daar volgens hem geen directe taak voor zichzelf.
Ook op het punt van stikstof blijft het kabinet bij de lijn dat recreatie en woningbouw juridisch gelijk worden behandeld. Herstructurering van vakantieparken krijgt geen voorkeursbehandeling. Vergunningverlening ligt bij gemeenten en provincies, en bij projecten met gevolgen voor Natura 2000-gebieden is een natuurvergunning verplicht. Signalen dat ontwikkelaars projecten bewust knippen om regels te omzeilen, heeft het kabinet niet.
Het meest politiek beladen deel van de beantwoording gaat over de lang beloofde reactie op de aangenomen motie voor een nieuwe Kampeerwet. Die liet langer op zich wachten dan voorzien, erkent de minister. Maar de conclusie is helder: een nieuwe wet komt er niet. Volgens het kabinet biedt extra landelijke wetgeving geen betere bescherming voor recreanten of ondernemers, maar vooral meer regeldruk en hogere kosten. In plaats daarvan kijkt het ministerie naar de Nota Ruimte, waar recreatie meer aandacht zou kunnen krijgen binnen bredere ruimtelijke afwegingen.
Daarmee blijft de kern van het dossier overeind: een markt die afkoelt, maar niet stilvalt; recreanten die zich gehoord voelen, maar niet altijd geholpen; en gemeenten die formeel veel kunnen, maar in de praktijk lang niet overal stevig ingrijpen. De minister kiest voor vertrouwen in de markt en in lokale afwegingen. De vraag is alleen of dat voldoende is in een sector waar eigendom, recreatie, rendement en leefbaarheid steeds vaker met elkaar botsen.
