Schittering van zonnepanelen heeft het kabinet ertoe gebracht een tijdelijk landelijk kader op te stellen voor zonneparken rond luchthavens. Aanleiding zijn incidenten in 2025 bij Schiphol, waar reflecties van zonnepanelen het zicht van piloten tijdens landingen belemmerden. Adviesbureau Arcadis concludeert dat vliegveiligheid altijd voorrang moet krijgen, maar dat de energietransitie rond luchthavens niet onnodig mag worden afgeremd. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neemt de belangrijkste aanbevelingen over en werkt aan een tijdelijk toetsingskader.

De discussie over zonneparken rond luchthavens kreeg een nieuwe lading nadat begin 2025 rondom de Polderbaan en Zwanenburgbaan van Schiphol ernstige schitteringsproblemen werden vastgesteld. Volgens Arcadis werd het zicht op een veilige landing in bepaalde situaties ontnomen. Een tijdelijke sluiting van een landingsbaan leidde vervolgens tot operationele problemen, extra hinder voor omwonenden en financiële schade.
De incidenten maakten duidelijk dat Nederland geen specifieke regelgeving kent voor zonnepanelen nabij luchthavens. Hoewel luchtvaartpartijen bij vergunningprocedures worden geraadpleegd en bezwaar of beroep kunnen instellen, ontbreekt een duidelijk normenkader dat vooraf bepaalt welke mate van reflectie acceptabel is. Volgens het ministerie leidt dat tot onzekerheid voor initiatiefnemers, luchthavens, bevoegd gezagen en toezichthouders.
Ook buiten Schiphol speelt het onderwerp. In de Kamerbrief noemt minister Karremans een vergunningsprocedure bij Maastricht Aachen Airport waarbij eveneens vragen zijn gerezen over de vliegveiligheid van een gepland zonnepark binnen het veiligheidsgebied van de luchthaven.
In opdracht van het ministerie onderzocht Arcadis hoe zonneparken rond luchthavens veilig kunnen worden ontwikkeld. Het bureau sprak met circa 25 betrokken partijen, waaronder Schiphol, LVNL, gemeenten, exploitanten van zonneparken, het NLR en het ministerie zelf.
Een van de belangrijkste conclusies luidt dat "veiligheid niet onderhandelbaar is". Volgens Arcadis moet een tijdelijk kader uitgaan van het voorzorgsbeginsel: liever een te strenge benadering dan het accepteren van risico's voor de luchtvaart. Tegelijkertijd benadrukt het bureau dat de ruimte rond luchthavens waardevol is voor de energietransitie. Veel van deze gebieden kennen al gebruiksbeperkingen en liggen bovendien dicht bij grote stroomverbruikers, zoals de luchthavens zelf.
De onderzoekers wijzen erop dat niet alles overal mogelijk is. Ruimtelijke keuzes rond zonneparken moeten voortaan nadrukkelijk worden afgewogen tegen de belangen van vliegveiligheid.
Centraal in het advies staat de invoering van het zogenoemde prudentiecriterium. Dit beoordelingskader werd door het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) ontwikkeld naar aanleiding van de Schiphol-casus. Het criterium beoordeelt of reflecties van zonnepanelen een gevaarlijke verblinding of een nabeeld kunnen veroorzaken bij piloten of luchtverkeersleiders.
Arcadis stelt dat de veelgebruikte Amerikaanse FAA-2013-richtlijn onvoldoende bescherming biedt. Volgens de onderzoekers liet die norm in de praktijk te veel restrisico over, terwijl het prudentiecriterium uitgaat van een strengere veiligheidsbenadering. Daarom adviseert Arcadis dit criterium als landelijke norm te gebruiken, vooruitlopend op toekomstige regelgeving.
Minister Karremans laat in de Kamerbrief weten dat het kabinet deze aanbeveling overneemt. Het ministerie wil het prudentiecriterium opnemen in een tijdelijk kader en tegelijkertijd nader onderzoek laten uitvoeren naar de toepasbaarheid bij verschillende Nederlandse luchthavens.
Voor vergunningverleners bevat het Arcadis-rapport een duidelijke boodschap: vroegtijdige afstemming wordt cruciaal. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor de vergunningverlening, maar moeten luchtvaartpartijen veel eerder in het proces betrekken. Ook Schiphol, andere luchthavens, LVNL en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) krijgen een explicietere rol bij de beoordeling van vliegveiligheidsrisico's.
Arcadis stelt daarvoor een proces van zeven stappen voor. Al in de initiatiefase moet worden onderzocht of een locatie risico's oplevert voor naderende of vertrekkende vliegtuigen. Vervolgens moeten ontwerpen worden getoetst aan het prudentiecriterium en worden gevalideerd door de luchtvaartsector voordat een vergunning kan worden verleend.
Voor de praktijk van het omgevingsrecht betekent dit waarschijnlijk een zwaardere motiveringsplicht bij vergunningverlening en meer aandacht voor luchtvaartveiligheid binnen ruimtelijke afwegingen.
Hoewel de Europese luchtvaartveiligheidsorganisatie EASA werkt aan regelgeving voor reflectie van zonnepanelen nabij luchthavens, verwacht het ministerie daarvan pas na 2029 concrete resultaten. Dat vindt het kabinet te laat. Daarom komt er eerst een nationaal tijdelijk kader.
Dat kader moet volgens de minister eind van het derde kwartaal van 2026 worden gepubliceerd. Het zal vooral van belang zijn voor nieuwe vergunningaanvragen. Ook bij lopende procedures kunnen bevoegde gezagen het gesprek aangaan over aanpassing van ontwerpen als daar nog ruimte voor bestaat.
De discussie rond zonnepanelen bij luchthavens laat zien hoe twee maatschappelijke opgaven elkaar kunnen raken. Waar luchthavens kansen bieden voor grootschalige duurzame energieopwekking, hebben de gebeurtenissen rond Schiphol duidelijk gemaakt dat reflectie van zonnepanelen ook een veiligheidsrisico kan vormen. Het kabinet kiest daarom voor een tussenweg: ruimte voor zonne-energie, maar alleen binnen strikte veiligheidsvoorwaarden. Voor gemeenten, initiatiefnemers en juristen in het omgevingsrecht betekent dat dat luchtvaartveiligheid de komende jaren een veel prominentere plaats krijgt in de vergunningverlening rond luchthavens.
