Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Er zijn diverse wettelijke instrumenten om de energie- en warmteopgave te sturen. Via de Energiewet, de Wet gemeentelijke instrumenten warmteprogramma en de Omgevingswet heeft de gemeente diverse mogelijkheden om regie te voeren. In de omgevingsvisie, het programma en het omgevingsplan kan ruimte gereserveerd worden voor energie-infrastructuur. Het warmteprogramma geeft richting aan het moment waarop wijken van het aardgas af gaan. De Regionale Energiestrategie (RES) draagt bij aan de locatiekeuze voor wind- en zonne-energie. Samen bieden deze handvatten de route om de energietransitie vorm te geven. Deze instrumenten worden hieronder toegelicht.

Energiewet

De energiewet, die op 1 januari 2026 in werking trad, vervangt de Elektriciteitswet en de Gaswet. De wet heeft als doel te zorgen voor een betrouwbaar energiesysteem, schone energie en een betere bescherming van inwoners, onder andere door duidelijke energiecontracten en transparante tarieven. De wet zet vier onderwerpen centraal:

Wet gemeentelijke instrumenten warmteprogramma (Wgiw)

Met de Wgiw kan de gemeente in het omgevingsplan regels opnemen over de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) vormt de bijbehorende uitvoeringsregeling en werkt belangrijke onderdelen van de Wgiw nader uit. Een belangrijk onderdeel van de Wgiw is de aanwijsbevoegdheid. Deze bevoegdheid stelt gemeenten in staat om in het omgevingsplan gebieden binnen het gemeentelijk grondgebied aan te wijzen die overgaan op een duurzame warmtevoorziening en waarbij het aardgastransport op termijn wordt beëindigd.

De wijzigingen in het het Bgiw en de bijbehorende ministeriële regeling treden naar verwachting op 1 januari 2027 in werking. Deze datum kan als gevolg van ontwikkelingen in het wetgevingstraject nog wijzigen.

Van warmtevisie naar warmteprogramma’s

Als eerste stap naar een aardgasvrij gebouwde omgeving hebben gemeenten een Transitievisie warmte opgesteld. In deze visie is vastgelegd in welke gebieden gemeenten de komende jaren aan de slag gaan met verduurzaming en het aardgasvrij maken van gebouwen en wanneer zij verwachten het gebruik van aardgas in specifieke gebieden daadwerkelijk te beëindigen. Deze visie wordt in 2027 omgezet in een verplicht programma op grond van de Wgiw. Vanaf dat moment dient het warmteprogramma iedere vijf jaar te worden geactualiseerd.

In warmteprogramma’s wordt per wijk uitgewerkt op welke wijze de warmtevoorziening wordt georganiseerd en getransporteerd, bijvoorbeeld via geothermie, aquathermie of restwarmte. Dit betekent dat huishoudens van het aardgas afgaan en worden aangesloten op een alternatieve warmtevoorziening. Daarbij is het belangrijk om rekening te houden met piekbelastingen, zoals tijdens strenge vorstperioden, waarin de warmtevraag hoger kan zijn dan het aanbod.

De combinatie van elektriciteits- en warmteopgaven leidt tot een sterke toename van energie-infrastructuur en vraagt om bestuurlijke en ruimtelijke keuzes. Zo verdubbelt het aantal transformatorhuisjes en neemt de behoefte aan middenspanningsstations naar verwachting met 50 tot 80 procent toe. Tegelijkertijd ontstaan nieuwe ontwikkelingen, zoals lokale warmtebedrijven, die een rol kunnen spelen in de organisatie en levering van duurzame warmte.

Omgevingswet

De omgevingsvisie, het warmteprogramma, de RES en de omgevingsplanregels bepalen waar energie-infrastructuur mogelijk wordt gemaakt en waar ruimte moet worden gereserveerd voor kabels, leidingen, transformatorhuisjes, lokale netten en andere voorzieningen. Gezien de omvang en de impact van deze opgaven is participatie met inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden essentieel. Daarbij moet rekening worden gehouden met randvoorwaarden zoals cultureel erfgoed, bodemverontreiniging en eigendomssituaties en grondposities.

Een belangrijk aandachtspunt is de aansluitvolgorde op het elektriciteitsnet. Ontwikkelingen die bijdragen aan het verminderen van netcongestie krijgen voorrang. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft hiervoor een prioriteringskader vastgesteld dat per 1-1-2026 van kracht is. Zij hanteert onderstaande volgorde:

Op dit moment reserveren netbeheerders transportcapaciteit voor toekomstige kleinverbruikers. Dit betekent dat er ondanks netcongestie nog ruimte kan zijn voor kleinverbruikontwikkelingen, zoals woningbouw. Grootverbruikers zoals ziekenhuizen, activiteiten van defensie, scholen en OV-partijen staan hierdoor in de wachtrij. Deze werkwijze van de netbeheerders staat los van het prioriteringskader van de ACM. Het onderscheid tussen groot- en kleinverbruik zegt niets over de maatschappelijke waarde van een partij. Tot 1 juli 2026 blijft de huidige werkwijze gelden en kan ook woningbouw, zolang daar capaciteit voor is, op de bestaande wijze worden aangesloten. Dit biedt ook ruimte aan kleinverbruikers om zich voor te bereiden op de nieuwe werkwijze. Gelijktijdig met de implementatie van het nieuwe prioriteringskader werken netbeheerders, het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, het Ministerie van Volkshuisvestiging en Ruimtelijke Ordening, de ACM, IPO en VNG samen aan de nieuwe werkwijze van eerder aanvragen die zowel voor klein- als grootverbruikers gaat gelden.

De Regionale Energiestrategie

De Regionale Energiestrategie (RES) is het platform waar gemeenten, provincies, waterschappen en netbeheerders afspraken maken over het opwekken van energie. De RES-regio’s maken elke twee jaar een RES-voortgangsdocument. Hierin staat of ze op koers liggen om de doelstellingen te halen. Ook nieuwe inzichten of ontwikkelingen worden hierin opgenomen. Het komend jaar worden bijvoorbeeld energiebeelden gemaakt, waarin per regio vraag en aanbod van energie nu en in de toekomst in beeld wordt gebracht.

De herijking van de RES kent geen vaste regelmaat, maar wordt ingezet wanneer daar behoefte of aanleiding toe is. Als raad stelt u deze herijking vast.

Energievisie of energieprogramma

Om de doelstelling uit de RES te halen is een integraal programma nodig. Woningbouw, bedrijventerreinen en klimaatadaptatie zijn gekoppeld aan energievraagstukken. Steeds meer gemeenten maken een lokale energievisie of programma waarin wordt bepaald hoe energie wordt geïntegreerd in ruimtelijke planning. De belangrijkste uitgangspunten kunnen uit het Nationaal plan Energiesysteem gehaald worden. Op gemeentelijk niveau is samenwerking met netbeheerders hierin belangrijk. Zij bepalen de netuitbreidingen. Gemeentelijke plannen moeten daarom worden afgestemd op de investeringsplannen van netbeheerders.

Regionale Mobiliteitsprogramma's (RMP's)

Mobiliteit gaat niet alleen over verduurzaming van vervoer, maar ook over bereikbaarheid van voorzieningen. Inwoners willen bereikbaarheid: toegang tot werk, zorg, onderwijs en andere voorzieningen. De energietransitie vraagt daarnaast om verduurzaming van mobiliteit. In 2050 moet alle mobiliteit emissieloos zijn volgens het Klimaatakkoord.

In het Regionale Mobiliteitsprogramma (RMP) beschrijven gemeenten, provincies en regionale partners hoe hun mobiliteitssysteem functioneert en welke maatregelen nodig zijn om deze te verduurzamen. De ambities zijn terug te vinden in de omgevingsvisie, RES, Nationaal Plan Energiesysteem en nationale klimaatafspraken. De regels zijn terug te vinden in het omgevingsplan (regels over parkeren, laden, en zero-emissiezones). De focus ligt op leefbaarheid, bereikbaarheid, verkeersveiligheid en gezondheid.

Het uitgangspunt voor maatregelen in een programma zijn:

1. verminderen (minder verplaatsingen),

2. veranderen (andere vervoerswijzen) en

3. verduurzamen (schoner vervoer).

Als werkgever/opdrachtgever kan de gemeente haar wagenpark en haar grond-, weg- en waterbouwwerkzaamheden verduurzamen. Maar ook kunnen afspraken met ondernemers, OV-diensten en inwoners worden gemaakt. Een voorbeeld is intensivering van busverbindingen, veilige fietsroutes, of het beschikbaar stellen van elektrische fietsen.