Bij een niveau van de waterige fractie of van het reinigingswater in de opslag van minder dan 2 meter, gemeten vanaf de bodem van de opslag, geschiedt de bemonstering volgens de steekbuismethode.
Bij een niveau van de waterige fractie of van het reinigingswater in de opslag van minstens 2 meter, gemeten vanaf de bodem van de opslag, geschiedt de bemonstering volgens de flesmethode.
Het monster wordt genomen met behulp van een steekbuis. De steekbuis bestaat uit een doorzichtige monsterbuis met een binnendiameter van 2 à 2,5 centimeter. De steekbuis is minstens even lang als het niveau van de waterige fractie of van het reinigingswater in de opslag.
Het uiteinde van de buis kan worden afgesloten met een stop die bevestigd is aan een stugge draad of stang die door de buis loopt. Door aan de bovenzijde van de buis aan de draad of de stang te trekken wordt de onderzijde van de buis afgesloten, waardoor de fles met mest wordt gevuld. Er wordt één monster genomen, waarvan de minimale omvang 0, 75 liter bedraagt.
Het monster wordt genomen met behulp van een houder waarin een fles wordt geklemd. De houder is verzwaard en kan met behulp van een ketting die aan de houder is bevestigd, op de gewenste diepte worden gebracht. Aan de houder is tevens een stop bevestigd die een stukje in de fles kan worden gedrukt, waardoor de fles wordt afgesloten. Door een ruk aan de ketting kan de stop uit de fles worden getrokken, waardoor de fles met mest wordt gevuld.
De bemonstering vindt plaats door het nemen van deelmonsters. De deelmonsters worden genomen verdeeld over de gehele diepte van de waterige fractie of het reinigingswater, en wel zodanig dat het diepteverschil telkens 75 centimeter bedraagt. Indien mogelijk, worden de deelmonsters tevens genomen op tegenoverliggende plaatsen in de opslag. De verschillende deelmonsters zijn even groot in omvang. De deelmonsters worden verzameld in een schone emmer, waarna onder voortdurend roeren een inzendmonster wordt samengesteld. De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 0,75 liter.
De bemonstering geschiedt met behulp van monstername-apparatuur die grondig met water is gereinigd en vervolgens is gedesinfecteerd.
De bepaling van het N-kjeldal-gehalte wordt uitgevoerd volgens de methode NEN-ISO 5663 (1993). Op het onderzoekslaboratorium dient het monster vóór de analyse 5 keer te worden verdund.
De bepaling van het NH3-gehalte wordt uitgevoerd volgens de methode NEN 6472 (1983).
De bepaling van het droge stofpercentage wordt uitgevoerd volgens de methode NEN 6620.
Met een in deze bijlage genoemde NEN worden gelijkgesteld normen die zijn vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de betrokken NEN wordt nagestreefd.
Regelgeving die op dit is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)
Geen
Beleidsregels en circulaires die dit als wettelijke bevoegdheid hebben
Geen
Artikelen of vergelijkbare tekst die verwijzen naar dit
(23-06-2017)
|
Datum van inwerking- treding |
Terugwerkende kracht |
Betreft |
Ondertekening |
Bekendmaking |
Kamerstukken |
Ondertekening |
Bekendmaking |
Opmerking |
|
wijziging |
23-11-2009 |
23-11-2009 |
||||||
|
nieuwe-regeling |
26-01-1998 |
Stcrt. 1998, 26 |
26-01-1998 |
Stcrt. 1998, 26 |
||||