Voor PER-concentratiemetingen in de binnenlucht kunnen twee methoden worden toegepast:
1.1.1 Meetmethode met adsorptiemateriaal
Voor binnenluchtmetingen wordt gebruik gemaakt van monsterneming door middel van adsorptiemateriaal in buisjes of zogenoemde badges.
Bij de toepassing van buisjes of badges worden de door de fabrikant of leverancier opgestelde gebruiksvoorschriften in acht genomen.
De bemonstering van de binnenlucht kan zowel passief als actief plaatsvinden.
In geval van actieve bemonstering vindt deze plaats met een daartoe geschikte pomp.
De gasconcentratie in de binnenlucht wordt daarbij na analyse van de koolbuisjes berekend uit het quotiënt van de aangetroffen hoeveelheid PER in de bemonstering en het totaal doorgezogen luchtvolume.
De toe te passen buisjes dan wel badges hebben een detectielimiet van 0,1 mg/m3 of lager, en zijn voor de bedoelde toepassing gevalideerd door een daartoe erkend instituut.
De meettijd bedraagt tenminste één week.
1.1.2 Methode met continu registrerende meetapparatuur
Voor binnenluchtmetingen kan gebruik worden gemaakt van continu registrerende meetapparatuur zoals een infraroodspectrometer, die een detectielimiet heeft van 0,1 mg/m3 of lager.
Gemeten wordt tenminste gedurende één hele werkdag waarbij het begin van een meting ligt op tenminste één uur vóór de start van de bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op één uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering.
a. Bij toepassing van de methode onder 1.1.1:
Met de buisjes dan wel badges wordt een gemiddelde immissieconcentratie gemeten over de meetperiode.
b. Bij toepassing van de methode onder 1.1.2:
De weekgemiddelde immissieconcentratie wordt vervolgens berekend door de gemiddelde gemeten immissieconcentratie tijdens de bedrijfsvoering te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op weekbasis en het totaal aantal uren in een week (168 uur).
c. Correctie in verband met expositieduur:
De gemeten of berekende immissieconcentratie volgens methode 1.1.1 of 1.1.2 mag uitsluitend voor de gevoelige objecten: woningen, dienst- of bedrijfswoningen, gezondheidsinstellingen, onderwijsinstellingen, kantoren en winkels worden gecorrigeerd met de expositieduur, op basis van de gemiddelde verblijfstijd in genoemde objecten die redelijkerwijs mag worden verondersteld. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
Deze zijn van invloed op de mate en de snelheid van verdunning van uit de inrichting geëmitteerde PER-dampen. De geëmitteerde PER-dampen kunnen via openstaande ramen in aangrenzende ruimtes komen en de kwaliteit van de binnenlucht beïnvloeden.
De metingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd onder de op de meetlocatie van toepassing zijnde meest voorkomende weerscondities met betrekking tot windrichting en windsnelheid.
Voor het vaststellen van de meest voorkomende windcondities wordt gebruik gemaakt van de jaargegevens van het KNMI weerstation welke het dichtste bij de locatie is gelegen. Deze gegevens worden in het meetverslag vermeld.
De te bemonsteren ruimte is een ruimte waar personen verblijven of werkzaam zijn en grenst, voor zover mogelijk, direct aan de inrichting.
Het punt van monsterneming wordt vrij in de betreffende ruimte gepositioneerd op een zodanige plaats dat gassen kunnen worden bemonsterd. De lucht dient er ongehinderd omheen te kunnen circuleren, dus niet tegen muren aan, niet in hoeken en op niet minder dan 50 cm afstand van vloer, wanden en plafond.
In geval van monsterneming met behulp van badges of buisjes dienen deze gedurende de voorgeschreven meettijd, in de betreffende ruimte op dezelfde plek aanwezig te zijn.
Gedurende de bemonsteringsperiode worden de gebruikers van de te bemonsteren ruimte verzocht geen gebruik te maken van oplosmiddelhoudende materialen zoals verven, poetsmiddelen, boenwas, lijmen etcetera. Deze middelen beïnvloeden de meetwaarde.
De individuele omstandigheden in de bemonsterde ruimte(n) ten tijde van de meting dient te worden vastgelegd. Het betreft daarbij informatie over de duur van de aanwezigheid van personen en de wijze en tijdsduur van eventuele ventilatie in de ruimte ten tijde van de meting.
De immisieconcentratiemetingen worden uitgevoerd met continu registrerende meetapparatuur zoals een infraroodspectrometer, die een detectielimiet heeft van 0,1 mg/m3 of lager.
Gemeten wordt tenminste gedurende één hele werkdag, waarbij het begin van een meting ligt op tenminste één uur vóór de start van de bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op één uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering.
In ieder geval wordt de meting gedurende één meetdag uitgevoerd bij de meest voorkomende windcondities.
Indien het gevoelige object zich niet aan de lijzijde van de meest voorkomende windrichting bevindt, wordt een meting uitgevoerd gedurende een tweede hele werkdag bij een tegenovergestelde windrichting.
De weerscondities zijn van invloed op de mate en de snelheid van verdunning van uit de inrichting geëmitteerde PER-dampen.
De metingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd onder de op de meetlocatie van toepassing zijnde meest voorkomende weerscondities met betrekking tot windrichting en windsnelheid.
Voor het vaststellen van de meest voorkomende windcondities wordt gebruik gemaakt van de jaargegevens van het KNMI weerstation welke het dichtste bij de locatie is gelegen. Deze gegevens worden in het meetverslag vermeld.
De metingen worden uitgevoerd onder weerscondities welke geen bijzondere beïnvloeding kunnen uitoefenen op de meetwaarden, dat wil zeggen wanneer er geen neerslag valt en het niet mistig is.
De PER-immissieconcentraties worden gemeten nabij de dichtst bij de ventilatieopening gelegen gevoelige objecten, zoals, terrassen, balkons, opengaande ramen en tuinen van derden of op de terreingrens tussen het textielreinigingsbedrijf en terreinen van derden.
Bij een bovendakse afvoer van de ruimteventilatielucht worden de metingen uitgevoerd in het zoggebied (opmengvolume) aan de lijzijde van het gebouw.
Bij een afvoer van de ruimteventilatielucht via de gevel worden de metingen uitgevoerd aan die zijde van het gebouw waarin de uitblaasopening aanwezig is.
De jaargemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op jaarbasis en het totaal aantal uren in een jaar (8760 uur).
Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd. In het meetrapport wordt zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de berekende jaargemiddelde immissie vermeld.
De gemeten gemiddelde immissie is het gewogen gemiddelde van de gemeten immissies op de meetdagen, waarbij als weegfactor de procentuele verdeling op jaarbasis van de op de meetdagen heersende windcondities wordt gekozen.
Voor het verkrijgen van een reëel beeld van de immissieconcentraties op leefniveau dienen de metingen onder representatieve bedrijfsomstandigheden te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de volgende aspecten in acht moeten worden genomen en in het meetverslag moeten worden vastgelegd:
Gedurende de meetdagen dient de reinigingsmachine met de gangbare capaciteit te worden beladen en gebruikt. Dit betekent dat er gedurende een meetdag minimaal 4 tot circa 9 charges textiel worden gereinigd. Gegevens met betrekking tot aantal gereinigde charges staan vermeld in het logboek milieuzorg. De tijdens de meetdag gereinigde textiel wordt gelijktijdig met het reinigen op de aanwezige opmaakapparatuur op een in het betrokken bedrijf gangbare wijze opgemaakt met behulp van stoom.
De reinigingsmachines worden beladen met een voor het individuele textielreinigingsbedrijf gangbare gemiddelde beladingsgraad. Deze kan worden berekend aan de hand van de jaarproductie van in PER gereinigde kleding (in koolwaterstoffen, natgereinigde en natgewassen textiel buiten beschouwing gelaten), de totale machinecapaciteit (uitsluitend PER-reinigingsmachines) en het aantal reinigingscharges in deze PER-machines op jaarbasis. Gegevens met betrekking tot de beladingsgraad staan vermeld in het logboek.
Leg vast onder welke omstandigheden de textiel in de reinigingsmachine wordt gedroogd (droogtijd, droogtemperatuur en de PER-concentratie boven het pas geloste textiel).
Leg vast de verversingsgraad van de lucht in de werkruimte alsmede de opstellingsruimte van de reinigingsmachine.
Regelgeving die op dit bijlage is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)
Geen
Beleidsregels en circulaires die dit bijlage als wettelijke bevoegdheid hebben
Geen
Artikelen of vergelijkbare tekst die verwijzen naar dit bijlage
(18-02-2015)
|
Datum van inwerking- treding |
Terugwerkende kracht |
Betreft |
Ondertekening |
Bekendmaking |
Kamerstukken |
Ondertekening |
Bekendmaking |
Opmerking |
|
01-01-2008 |
intrekking-regeling |
19-10-2007 |
26-11-2007 |
|||||
|
nieuwe-regeling |
15-03-2001 |
15-03-2001 |
||||||