Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

De Ow schrijft voor dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden die in de waterschapsverordening en het Bal zijn bepaald.1777 De Ow verschaft het bevoegd gezag de mogelijkheid de vergunning te weigeren in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB), respectievelijk als het verlenen van de vergunning zou leiden tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.1778 Mogelijk biedt laatstgenoemd criterium een grondslag voor het bevoegd gezag om bepaalde lozingen, bijvoorbeeld bij nieuwe, nog niet genormeerde stoffen, te verbieden.

Wanneer voor het verlenen van de omgevingsvergunning de instemming van een ander bestuursorgaan nodig is, moet de vergunning worden geweigerd als die instemming onthouden is. 17791780

Daarnaast bevat de Ow bepalingen over de voorschriften die aan een omgevingsvergunning verbonden moeten worden1781 en bepalingen over de actualiseringsplicht respectievelijk de verplichting voor het bevoegd gezag om de vergunning te wijzigen dan wel in te trekken. Dit laatste moet plaatsvinden in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur of de waterschapsverordening zijn bepaald.1782

Onder de Ow bestaat geen mogelijkheid meer bestaat om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan op andere gronden te weigeren. Dat geldt dus ook voor afwijkingsbepalingen die in (de oude) bestemmingsplannen stonden en van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan zijn geworden. De soep wordt echter niet zo heet gegeten als die wordt opgediend, vanwege de overgangsbepaling in art. 22.281 Omgevingsplan (onderdeel van de Bruidsschat). Daar staat dat voor zover een planregel een verplichting bevat om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit onder bepaalde voorwaarden te vergunnen, die verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid. Hiermee is beoogd om het oude recht ‘voorlopig’ te continueren met als enige (maar wel belangrijke) verschil dat sprake moet zijn van ETFAL in plaats van de onder het oude recht geldende norm van ‘een goede ruimtelijke ordening’.1783

Zoals we al eerder hebben gezien regelt de Ow ook het adviesrecht. De wet onderscheidt adviesrecht zonder instemming en adviesrecht met instemming (zie paragraaf 2.13 en 9.8.6).1784 Bij aanvragen van omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten heeft het adviesorgaan (Waterschap of provincie) in bepaalde gevallen het recht van advies of het recht van advies met instemming.17851786

Adviesrecht met instemming is voor het adviesorgaan eigenlijk alleen aan de orde als sprake is van een meervoudige aanvraag voor een omgevingsvergunning, namelijk voor dat gedeelte waarvoor het bevoegd gezag zou zijn bij enkelvoudige aanvraag.1787 De waterbeheerder heeft adviesrecht (zonder instemming) als het gaat om omgevingsvergunningen voor indirecte lozingen.1788 Het dagelijks bestuur van het waterschap mag niet zelf het bevoegd gezag zijn voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit(en).1789

Ook bij sommige projectbesluiten van Provincie of Rijk heeft het waterschap adviesrecht,1790 namelijk als dat besluit (ook) ziet op regulering van wateractiviteiten (waarvoor het waterschap anders het bevoegd gezag zou zijn).1791 Het betreft hier adviesrecht wel of niet met instemming.1792 Omdat het waterschap niet in alle gevallen adviesrecht met instemming heeft, heeft het – op grond van het ontwerp Ob – ook niet in alle gevallen handhavingsbevoegdheden.1793

Tegelijkertijd blijft het waterschap wel verantwoordelijk voor de zorg voor het watersysteem.1794 Het waterschap kan in het kader van de eigen besluitvorming eventueel ook te maken krijgen met andere bestuursorganen met adviesrecht (wel of niet met instemming), zoals het college van burgemeester en wethouders (gemeente) of Gedeputeerde Staten (provincie).17951796

1777 Art. 5.30 Ow.

1778 Art. 5.31 en 5.32 Ow.

1779 Art. 16.16 Ow.

1780 Art. 5.33 Ow.

1781 Art. 5.34 Ow.

1782 Art. 5.38 en 5.39 Ow.

1783 (ECLI:NL:RVS:2025:1183) dd 19 maart 2025

1784 Zie art. 16.15 (advies zonder instemming) en art. 16.16 (advies met instemming) Ow.

1785 Art. 3.18 Ontwerp Ob in samenhang met art. 16.15 van de Ow.

1786 NvT Ob, p. 224-225.

1787 NvT Ontwerp Ob, p. 84-85, 224-225.

1788 Art. 3.28 van het Ontwerp Ob (grondslag: art. 16.15 van de Ow) en de bijbehorende Nota van toelichting (p. 157).

1789 Art. 3.14 eerste lid van het Ontwerp Ob (grondslag: artikelen 16.5, 16.6) en de bijbehorende Nota van toelichting (pp. 221, 224).

1790 Art. 16.20 van de Ow bepaalt dat de artikelen 16.15-16.19 van de Ow van overeenkomstige toepassing zijn op bepaalde projectbesluiten

1791 Brief van de Unie van Waterschappen aan de minister van Infrastructuur en Milieu inzake Consultatie AMvBs en Aanvullingswet grondeigendom Ow, (14 oktober 2016), p. 6.

1792 MvT Ow (p. 183).

1793 Zie bijvoorbeeld art. 11.3 eerste lid van het Ontwerp Ob (grondslag: art. 18.3 van de Ow) en de bijbehorende Nota van toelichting (pp. 285-286), waarin de bestuursdwangbevoegdheid van een instemmingsorgaan is geregeld.

1794 Brief van de Unie van Waterschappen aan de minister van Infrastructuur en Milieu inzake Consultatie AMvB’s en Aanvullingswet grondeigendom Ow, (14 oktober 2016), p. 6.

1795 D. Hanema en G. Blekkenhorst, De betekenis van de Omgevingswet voor waterschappen, een verkenning; Lexnova advies en onderzoek, 2018.

1796 Zie bijvoorbeeld de artikelen 3.16 en 3.19 van het Ontwerp Ob (grondslag: artikelen 16.15, 16.16 van de Ow).