Bgh art. 1.4 en 1.4a
Voor railverkeer is er eveneens sprake van een zone waarbinnen een toets volgens de Wet geluidhinder plaatsvindt. Zoals toegelicht in paragraaf 5.1.6 zijn er in wettelijke zin drie categorieën voor railverkeer. Hier zullen we voor alle drie de gevallen de zonering beschrijven. Voor spoorwegen die op de plafondkaart staan, is de zone alleen van belang voor de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone. De zone is niet van toepassing voor aanleg of wijziging van een spoorlijn; dat is immers geregeld in hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer. Voor spoorwegen die niet op de plafondkaart staan, is de zone van belang voor zowel nieuwbouw als voor de aanleg of wijziging van een spoorlijn.
Voor de spoorwegen die op de geluidplafondkaart staan, geldt dat de breedte van de zone afhangt van de hoogte van het geluidproductieplafond. Het geluidproductieplafond dat is vastgesteld voor een specifieke locatie is te vinden in het geluidregister. Nadere informatie over dit onderwerp staat in paragraaf 6.4 . De breedte van de zone is gespecificeerd in onderstaande tabel.
|
Hoogte van het geluiproductieplafond |
Breedte van de zone [m] |
|
GPP < 56 dB |
100 |
|
56 dB ≤ GPP < 61 dB |
200 |
|
61 dB ≤ GPP < 66 dB |
300 |
|
66 dB ≤ GPP < 71 dB |
600 |
|
71 dB ≤ GPP < 74 dB |
900 |
|
GPP ≥ 74 dB |
1200 |
Omdat de breedte van de zone verschilt per referentiepunt, kan de breedte van de zone langs de spoorweg dus variëren. De manier waarop zones met verschillende breedte op elkaar aansluiten, is op een vergelijkbare manier geregeld als voor wegverkeer. De bredere zone loopt door langs het deel van de spoorweg waarvoor een smallere zonebreedte geldt. Dit gebeurt over een lengte van 1/3 van de (breedste) zonebreedte.
Daar waar de spoorweg eindigt, loopt de zone in het verlengde van de spoorweg door over een afstand die gelijk is aan de zonebreedte op dat punt.
Een van de factoren die bepalend zijn voor de hoogte van het geluidproductieplafond is de eventuele aanwezigheid van een overdrachtsmaatregel (bijvoorbeeld een geluidscherm). Als een dergelijke maatregel aanwezig is en in het register is opgenomen, leidt dit tot een lager geluidproductieplafond, wat op basis van bovenstaande tabel zou leiden tot een smallere zone. Echter, voor hoogbouw heeft een dergelijke afschermende voorziening minder effect. Daarom is bepaald dat achter een overdrachtsmaatregel de zone niet wordt versmald. De zone houdt daar de omvang van de (breedste) zone direct naast de afschermende voorziening.
Voor spoorwegen die op de zonekaart staan, is in de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder per traject aangegeven wat de omvang van de zone is.
Voor overige spoorwegen, dat wil zeggen spoorwegen die niet op de geluidplafondkaart en ook niet op de zonekaart staan, geldt de zone voor wegverkeer (zie tabel in paragraaf 5.2.5.1).