Menu

Filter op
content
PONT Omgeving



Bgh art. 3.9


en


4.22





Wgh art. 104a lid 1, 2, 3 en 5

In het akoestisch onderzoek wordt nagegaan of het mogelijk is om met geluidmaatregelen de geluidbelasting terug te brengen naar de op dat moment geldende norm. Bij het verlenen van een eventuele hogere waarde komt de vraag kijken of er sprake is van (onder andere) financiële bezwaren.

Om te zorgen dat er eenduidig en objectief wordt omgegaan met financiële bezwaren, is in 2010 het zogenaamde doelmatigheidscriterium in werking getreden. Dit criterium is vastgelegd in de Regeling doelmatigheid geluidsmaatregelen Wet geluidhinder.

Deze ministeriële regeling moet worden toegepast voor:

  • tracébesluiten;

  • wegaanpassingsbesluiten op grond van de Spoedwet wegverbreding (A);

  • wegaanpassingsbesluiten en Geluidplannen op grond van de Spoedwet wegverbreding (B);

  • autonome saneringsprojecten;

  • gekoppelde geluidsanering/reconstructie van een weg.

Financiële bezwaren tegen een pakket van geluidmaatregelen worden getoetst door middel van een afweging tussen de kosten van de maatregel(en) en het budget dat ervoor beschikbaar is. Het budget en de kosten die horen bij een maatregelpakket worden daarbij niet uitgedrukt in euro’s, maar in zogenaamde reductiepunten en maatregelpunten. De afweging over de doelmatigheid gebeurt per cluster. Een cluster is een groep geluidgevoelige bestemmingen die profijt zou kunnen hebben van een aaneengesloten geluidbeperkende maatregel.

Vanaf een bepaalde drempelwaarde van de geluidbelasting krijgt een object binnen een cluster zogenaamde reductiepunten. Het aantal toegekende reductiepunten loopt op met een toenemende geluidbelasting. De gesommeerde reductiepunten binnen een cluster vormen het budget.

Voor andere geluidgevoelige objecten dan woningen geldt voor de bepaling van de reductiepunten het volgende:

  • elke vijftien strekkende meter geluidbelaste gevel van een geluidsgevoelig object per bouwlaag telt als één woning;

  • een woonwagenstandplaats telt als één woning;

  • een ligplaats voor een woonschip telt als één woning.

Vervolgens moet worden nagegaan welke maatregelen nodig zijn om de doelstelling (oftewel de grenswaarde) te bereiken. De maatregelen waarvoor een doelmatigheidsafweging kan worden gemaakt, zijn opgesomd in een bijlage bij de Regeling. Daarbij is aangegeven hoeveel maatregelpunten (kosten) per type maatregel in de afweging in rekening worden gebracht. Als het aantal benodigde maatregelpunten hoger is dan het budget dat aan reductiepunten beschikbaar is voor dat cluster, zijn er financiële bezwaren tegen dat maatregelpakket.

De doelstelling van het akoestisch onderzoek is allereerst om alle geluidbelastingen terug te brengen naar de grenswaarde. Verdergaande maatregelen zijn niet nodig.
Daarnaast wordt aan de maatregel of het maatregelpakket als voorwaarde gesteld dat het aantal maatregelpunten niet hoger mag zijn dan het totaal aan reductiepunten dat beschikbaar is voor dat cluster. Als het aantal benodigde maatregelpunten hoger is dan het budget dat aan reductiepunten beschikbaar is, is dat maatregelpakket financieel niet doelmatig.

Als blijkt dat de kosten van een maatregelpakket waarmee de grenswaarden worden bereikt wel hoger zijn dan het budget, wil dat niet per se zeggen dat de maatregelen volledig achterwege kunnen blijven. In dat geval zal worden nagegaan of het mogelijk is om te kiezen voor een minder omvangrijk maatregelpakket, waarvan de kosten wel binnen het budget passen.

Een cruciaal begrip binnen het doelmatigheidscriterium is de term ‘geluidreductie’. Dit begrip is hier namelijk anders gedefinieerd dan in het ‘gewone’ taalgebruik. De term ‘geluidreductie’ staat voor de totale afname van de geluidbelastingen van die geluidgevoelige objecten die binnen het cluster liggen. Bij het bepalen van de geluidreductie geldt de grenswaarde per woning als ondergrens. Afnamen van de geluidbelasting beneden deze waarde tellen niet mee voor de bepaling van de geluidreductie in de zin van het doelmatigheidscriterium. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het voor de afweging van de financiële doelmatigheid niet zinvol is om maatregelen toe te passen die de geluidbelasting verder terugbrengen tot onder de toetswaarde. Een dergelijke maatregel ‘kost’ dan wel meer maatregelpunten, maar levert geen verdere verhoging van de geluidreductie op, en is daarom niet doelmatig.

Een ander fundamenteel begrip binnen deze methode is de ‘situatie zonder maatregelen (ook wel ‘standaard akoestische kwaliteit’). Deze is gedefinieerd als de situatie waarin geen andere maatregelen aanwezig zijn (dus ook geen bestaande maatregelen), én:

  • voor wegverkeer: met een wegdek met de akoestische kwaliteit van dicht asfaltbeton, dan wel het feitelijk aanwezige wegdek als dat lawaaiiger is;

  • voor railverkeer: waarin een spoorweg een bovenbouwconstructie heeft van langgelast spoor op houten dwarsliggers, dan wel de feitelijk aanwezige bovenbouwconstructie als die lawaaiiger is.

De situatie zonder maatregelen vormt de basis voor de doelmatigheidsafweging. Alle maatregelen, dus zowel bestaande als toekomstige maatregelen, worden gezamenlijk afgewogen ten opzichte van de situatie zonder maatregelen. De doelmatigheid van bestaande en toekomstige maatregelen wordt op deze manier integraal afgewogen. Dit betekent logischerwijze dat de reductiepunten worden toegekend op basis van de situatie zonder maatregelen. Ook de geluidreductie wordt berekend ten opzichte van de situatie zonder maatregelen.

Er zijn situaties denkbaar waarbij er wel voldoende budget beschikbaar is, maar waar de effectiviteit van (het verder uitbreiden van) een bepaalde maatregel gering is. Een voorbeeld hiervan is een geluidscherm dat hoger is dan de bouwhoogte van de woningen die achter het scherm liggen. In dat geval heeft het verder ophogen van het scherm nauwelijks meer een verdere verlaging van de geluidbelasting tot gevolg. Het doelmatigheidscriterium heeft voor dergelijke situaties een aparte bepaling opgenomen. Die bepaling zegt dat een maatregelpakket niet financieel doelmatig is als er ook een alternatief maatregelpakket beschikbaar is, dat een nagenoeg gelijke geluidreductie realiseert, minder maatregelpunten kost en waarbij de benodigde extra maatregelpunten voor de duurdere maatregel niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie die ermee bereikt wordt.

De wettelijke teksten geven overigens niet aan wat er getalsmatig wordt verstaan onder de term ‘nagenoeg gelijke geluidreductie’ of wanneer de extra kosten getalsmatig al dan niet ‘in redelijke verhouding staan’ tot de extra geluidreductie. Dat betekent dat de uitvoerder van het akoestisch onderzoek een zekere interpretatievrijheid heeft. Daarom is het zaak om bij toepassing van deze regel een zorgvuldige onderbouwing op te nemen. Daarin dient te worden gemotiveerd dat de goedkopere maatregel voldoet aan de in de wet aangegeven voorwaarden, en dat de duurdere maatregel daarom niet financieel doelmatig is.

Voor de bouw van geluidschermen zijn twee beperkingen van kracht. Ten eerste wordt een scherm alleen in overweging genomen als het, al dan niet in combinatie met een bronmaatregel, een verlaging van de geluidbelasting van minstens 5 dB realiseert op ten minste één geluidgevoelig object in het cluster. Ten tweede geldt dat een scherm dat minder dan 10 jaar oud is onder bepaalde voorwaarden niet hoeft te worden afgebroken. Als het bestaande scherm niet ophoogbaar is en het nieuw te plaatsen scherm een vrijwel gelijke geluidreductie realiseert als het bestaande scherm, wordt het bestaande scherm gehandhaafd.

Toepassing van het doelmatigheidscriterium is wettelijk verplicht in de volgende gevallen:

  • als het gaat om een saneringsprogramma;

  • als het gaat om maatregelen aan een niet-plafondweg vanwege een Tracébesluit, wegaanpassingsbesluit of geluidplan dat is opgesteld voor een plafondweg.

In andere typen projecten is het niet verplicht (maar wel toegestaan) om gebruik te maken van het doelmatigheidscriterium.

Binnen het kader van de Wet milieubeheer is een vergelijkbaar doelmatigheidscriterium van kracht. Dat criterium staat niet in een losse regeling, maar staat deels in het Besluit geluid milieubeheer en deels in de Regeling geluid milieubeheer. De werking van beide doelmatigheidscriteria is gelijk; op details zijn er enkele verschillen. Eén verschil betreft de drempelwaarde van de geluidbelasting waarbij voor een object reductiepunten worden toegekend. In het doelmatigheidscriterium onder Wgh begint dit boven de 48 dB; onder de Wm start de toekenning van reductiepunten bij geluidbelastingen van meer dan 50 dB. Dit houdt verband met het verschil in voorkeurs(grens)waarde tussen de Wgh en de Wm. Een ander verschil tussen de twee criteria betreft de lijst met geluidbeperkende maatregelen waarvoor een doelmatigheidsafweging kan worden gemaakt. De regeling onder de Wgh bevat bijvoorbeeld enkele wegdektypen die bij hogere snelheden niet worden toegepast als geluidmaatregel.