Bij de regels in deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van het begrip uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied. In veel gevallen zal dit de buitengevel of het dak zijn. Dit hoeft echter niet. Onder verwijzing naar de definitie van uitwendige scheidingsconstructie in bijlage I wordt er op gewezen dat wanneer het verblijfsgebied niet aan de gevel grenst bij de toepassing van de regel rekening gehouden mag worden met het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen. Het gaat tenslotte om de geluidsreductie die in het verblijfsgebied of de verblijfsruimte wordt gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat de artikelen 4.102, 4.103 en 4.104 tegelijk van toepassing kunnen zijn. In een dergelijk geval geldt de zwaarste eis. Ook is het mogelijk dat de verschillende leden van een artikel tegelijk van toepassing zijn. Ook in dat geval geldt de zwaarste eis.548
Artikel 4.101 (aansturingsartikel)
Een bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.101 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere bijeenkomstfunctie, de celfunctie, de industriefunctie, de kantoorfunctie, de logiesfunctie, de sportfunctie, de winkelfunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Uit de hoofdregel van artikel 4.4 dat de functionele eis niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen volgt dat de functionele eis niet op deze gebruiksfuncties van toepassing is.549
Artikel 4.102 (bescherming tegen geluid van buiten)
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB.
Deze bepaling bevat de basisregel dat een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB moet hebben. Deze basisregel geldt altijd voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, de gezondheidszorgfunctie en de onderwijsfunctie. Op grond van deze basisregel wordt in het verblijfsgebied bescherming geboden tegen normaal omgevingsgeluid. Uit de andere artikelen van deze paragraaf kan vervolgens blijken dat vanwege specifieke omstandigheden een hogere karakteristieke geluidwering noodzakelijk is.550
Artikel 4.103 (geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten)
De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is:
niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 33 dB; en
niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegestane geluid door activiteiten, bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 35 dB(A), tenzij dit geluid is betrokken bij het bepalen van het gezamenlijke geluid, bedoeld onder a.
Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste lid van toepassing is, is dat lid van overeenkomstige toepassing.
Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en tweede lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de in het eerste en tweede lid bedoelde karakteristieke geluidwering uitgaande van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.
Bij industrie-, weg- en spoorweglawaai is een karakteristieke geluidwering van 20 dB niet voldoende. Gemeenten stellen op basis van de Wet geluidhinder of Tracewet een zogenoemd hogere-waardenbesluit vast waarin de zones zijn opgenomen waarin een hogere geluidbelasting is toegestaan (hoogst toelaatbare geluidbelasting) en nemen deze op in het omgevingsplan. In die zones mag alleen gebouwd worden wanneer de door de aanvrager van een omgevingsvergunning te realiseren karakteristieke geluidwering hoger is dan de in artikel 4.102 gegeven waarde.
Wanneer die zones niet zijn vastgesteld dan geldt alleen artikel 4.102. Is in een dergelijk geval de feitelijke geluidbelasting op de gevel toch groter dan 20 dB +35 dB (A) respectievelijk 20 dB +33 dB dan ligt de oplossing van het probleem niet bij de aanvrager om omgevingsvergunning, maar bij de veroorzaker van het geluid. Het onderscheid in toelaatbare geluidbelasting van een verblijfsruimte voor bedgebruik (bedruimte) en een andere verblijfsruimte is, vergeleken met het Bouwbesluit 2012, vervallen.
Het eerste lid geeft voor verblijfsgebieden in het algemeen aan hoe gehandeld moet worden in die gevallen dat in een omgevingsplan een hoogst toelaatbare geluidbelasting vanwege wegen, spoorwegen of industrieterreinen is aangegeven. Bij de berekening van de karakteristieke geluidwering moet afhankelijk van het soort lawaai worden uitgegaan van dB(A) of dB. Dit verschil komt doordat in de Wet geluidhinder bij industrielawaai nog wordt uitgegaan van de oude op dB(A) gericht bepalingsmethode, terwijl bij weg- of spoorweglawaai al wordt gerekend met een Europees geharmoniseerde bepalingsmethode die uitgaat van dB. In de praktijk gaat het om een verschil van ongeveer 2 dB.
Het eerste lid van artikel 4.103 is aangepast, zodat wordt verwezen naar het gezamenlijke geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw. Dat geluid wordt bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook kan het bepalen van dat geluid in het omgevingsplan worden verschoven naar een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.551
Bij het bepalen van het gezamenlijke geluid wordt meer dan voorheen rekening gehouden met de samenloop van het geluid door verschillende geluidbronsoorten en andere geluidbronnen. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.39 Bkl.552
Bij de toepassing van artikel 4.103 Bbl hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw dat maatgevend is voor de geluidwering van het gebouw. De waarde van het gezamenlijke geluid wordt al bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of, als de bepaling is doorgeschoven, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.553
Als een geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten in het geluid-aandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein én tegelijkertijd ligt in zone 4 in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol of een krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart vastgestelde 35 Ke-geluidzone of 56 dB(A) Lden beperkingengebied bij een andere luchthaven, zijn zowel artikel 4.103 als artikel 4.104 van toepassing. De geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie moet aan beide artikelen voldoen.554
In paragraaf 5.1.4.2 Bkl zijn geluidregels opgenomen voor het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in de omgeving van activiteiten die niet op een industrieterrein worden uitgevoerd. Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van die activiteiten kan een toets aan de binnenwaarde aan de orde zijn die kan leiden tot extra bescherming van die woningen tegen het geluid door die activiteiten. Het eerste lid, onder b, van artikel 4.103 is daarop aangepast door te verwijzen naar het geluid door activiteiten als bedoeld in subparagraaf 5.1.4.2.2 Bkl. Ook in het opschrift is het geluid door activiteiten tot uitdrukking gebracht. De binnenwaarde is 35 dB(A) en is niet aangepast.555
Het tweede lid maakt het mogelijk om als dit gunstiger uitkomt voor de karakteristieke geluidwering op de gevel de geluidbelasting te bepalen volgens het zogenoemde reken- en meetvoorschrift bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder. In een dergelijk geval moet bij de aanvraag om vergunning een berekening van de individuele geluidbelasting op de gevel worden gevoegd.
Het derde lid verklaart het eerste lid ook van toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop dit lid van toepassing is. De uitwendige scheidingsconstructie van een niet-geluidsgevoelige ruimte (ruimte die geen verblijfsgebied of -ruimte is) behoeft niet geluidsisolerend te zijn. Het derde lid regelt dat er tussen een niet-geluidsgevoelige ruimte en geluidsgevoelige ruimte (verblijfsgebied of verblijfsruimte) voldoende geluidsisolatie moet zijn om te voorkomen dat er door geluidsoverdracht via de niet-geluidsgevoelige ruimte, geluidsoverlast in de geluidsgevoelige ruimte ontstaat. Dit betekent dat wanneer een verblijfsgebied aan een zijde grenst aan een ruimte waarvoor geen eisen aan de geluidwering gelden, die scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen, zodanig geluidwerend moet zijn dat in het verblijfsgebied zelf geen geluidoverlast van buiten ontstaat. Een voorbeeld daarvan is de wand tussen een verblijfsgebied en een berging of garage. Voor de berging of garage zelf geldt geen eis voor geluidwerendheid. De inwendige scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten (de berging, garage) en constructieonderdelen moet dan zodanig geluidwerend zijn, dat in het verblijfsgebied ernaast geen geluidsoverlast van wegen, spoorwegen of industrie ontstaat via de berging of garage. Hierbij mag het positieve geluidwerende effect van de berging of garage zelf ook worden meegerekend.
Het vierde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.556
Artikel 4.103a (afbakening maatwerkvoorschriften geluidwering)
Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.103, eerste lid, kan alleen inhouden dat het gezamenlijke geluid opnieuw wordt bepaald.
Het tweede lid van artikel 4.103 Bbl bood al de mogelijkheid om het gezamenlijke geluid opnieuw te bepalen. Die mogelijkheid bestond ook al onder het Bouwbesluit 2012. In dit artikel is deze bevoegdheid duidelijker procedureel ingekaderd door deze vorm te geven als maatwerkvoorschrift. De initiatiefnemer zou een dergelijk maatwerkvoorschrift kunnen aanvragen als het gezamenlijke geluid in het omgevingsplan hoger is dan het actuele geluid, bijvoorbeeld omdat geluidbeperkende maatregelen zijn getroffen aan een belangrijke geluidbron.557
Artikel 4.103b (niet-geluidgevoelige gevel)
Bij een niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij de toepassing van artikel 4.103, eerste lid, aanhef en onder a, uitgegaan van het gezamenlijke geluid op die gevel, verhoogd met 3 dB.
Bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving:
bevat de uitwendige scheidingsconstructie van die gevel geen te openen delen anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
worden aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte niet hoger is dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Op grond van de artikelen 5.78y en 5.78aa Bkl kan de gemeente in het omgevingsplan een gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen respectievelijk niet-geluidgevoelige gevel aanwijzen. Die eis kan nodig zijn in bepaalde stedenbouwkundige situaties waar de grenswaarden voor geluid worden overschreden. De gevolgen van die aanwijzing voor het nieuw te bouwen gebouw worden geregeld in artikel 4.103b. De aanwijzing van de “niet-geluidgevoelige gevel” of “niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen” is vergelijkbaar met de aanwijzing van een “brandvoorschriftengebied” of “explosievoorschriftengebied” die ook op grond van bepalingen in het Bkl gebeurt in het omgevingsplan. Het eerste lid geldt voor alle niet-geluidgevoelige gevels. Het tweede lid geldt alleen voor niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen.558
Doordat wordt verwezen naar de begrippen uit het Bkl, geldt bij de toepassing ook het in artikel 12.11 van dat besluit geregelde overgangsrecht. Een “dove gevel” die onder de Wet geluidhinder is opgenomen in een bestemmingsplan, dat op grond van het overgangsrecht geldt als een onderdeel van het omgevingsplan, geldt onder dit besluit als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. Een gevel waarbij met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van geluidnormen geldt als een niet-geluidgevoelige gevel zonder dat bouwkundige maatregelen vereist zijn.559
Nadat het gebouw met een niet-geluidgevoelige gevel is gebouwd, kan het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel toenemen door wijzigingen aan de geluidbron. Als dat gebeurt, wordt niet meer getoetst aan de standaard- en grenswaarden voor geluid, dus ook niet aan de grenswaarde voor het geluid in geluidgevoelige ruimten (de binnenwaarde). De binnenwaarde is wel leidend bij de bouw van het geluidgevoelige gebouw met een niet-geluidgevoelige gevel, maar onder de Wet geluidhinder werd geen rekening meer gehouden met een mogelijk toename van het geluid in de periode daarna. Dat is nu verbeterd. Om bestand te zijn tegen toename van het geluid als gevolg van wijzigingen aan de geluidbron, maar ook als gevolg van bijvoorbeeld geleidelijke verkeerstoename, bepaalt dit lid dat de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouw met een niet-geluidgevoelige gevel, bij de bouw 3 dB meer geluidwering krijgt. De uitwendige scheidingsconstructie is daarmee toekomstbestendig, want bestand tegen 3 dB toename van het geluid. Dit is in lijn met de werkwijze die bij de toepassing van artikel 3.53, tweede lid, Bkl wordt gehanteerd: daar wordt met het treffen van maatregelen tot 3 dB onder de binnenwaarde een buffer gecreëerd voor een eventuele toekomstige toename van de geluidbelasting. De 3 dB extra geluidwering geldt voor elke niet-geluidgevoelige gevel, ook voor de in het tweede lid bedoelde niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregel.560
In onderdeel a van het tweede lid is bepaald dat de uitwendige scheidingsconstructie geen te openen delen bevat. Onder te openen delen moeten worden verstaan alle constructieonderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie die geopend kunnen worden waardoor de geluidwering vermindert en te veel buitengeluid in de woning kan dringen. Het gaat dan in ieder geval om ramen en deuren maar ook om klepraampjes, inspectieluiken enzovoort. Het openen kan verband houden met de toegang tot de woning (de voordeur) of een buitenruimte, maar ook met bouwkundige eisen die al in het Bbl zijn gesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot de spuiventilatie.561
Op geluidsbelaste locaties worden luchtroosters die nodig zijn voor luchtverversing voorzien van geluiddempers om te kunnen voldoen aan de eisen ten aanzien van de geluidwering. Het openen leidt niet tot te veel buitengeluid in de woning. Deze zogenoemde suskasten worden daarom, net als voorheen, niet beschouwd als te openen deel als bedoeld in dit artikel.562
Een uitzondering is gemaakt voor deuren die onderdeel zijn van een gemeenschappelijke doorgang. Dit betreft bijvoorbeeld gemeenschappelijke toegangsdeuren, tussendeuren en nooduitgangen in een appartementengebouw, maar niet de voordeur van een appartement of de deur naar een bijbehorende buitenruimte. Door in de formulering van deze uitzondering aan te sluiten bij de terminologie die ook het Bbl in dit verband gebruikt, is deze uitzondering overigens bruikbaar voor alle soorten geluidgevoelige gebouwen zoals gedefinieerd in het eerste lid van artikel 3.21 Bkl.563
In artikel 5.78y Bkl wordt geen maximum gesteld aan het geluid op de onder a bedoelde uitwendige scheidingsconstructie zonder te openen delen. Er wordt ook geen maximum gesteld aan het geluid op bouwkundige constructies (de maatregelen) die juist bedoeld zijn om het geluid op (te openen delen in) de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied te verminderen. Als bijvoorbeeld een vliesgevel of een lamellenscherm wordt toegepast, wordt geen eis gesteld aan het geluid op die bouwkundige voorzieningen. Die vliesgevel of dat lamellenscherm of een andere bouwkundige maatregel – moet er wel voor zorgen dat het geluid op te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied wordt beperkt tot de grenswaarde.564
Bewust is in dit artikel steeds een onderscheid gemaakt tussen het bouwkundige begrip “uitwendige scheidingsconstructie” als bedoeld in bijlage I Bbl en het ruimtelijke begrip “gevel” als bedoeld in artikel 3.23 Bkl. Het ruimtelijk begrip “gevel” betreft de buitenzijde van het gebouw. De uitwendige scheidingsconstructie is kort gezegd de gehele constructie tussen die buitenzijde en voor personen toegankelijke besloten ruimten. Soms bestaat deze uit meerdere constructielagen met enige afstand daartussen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij toepassing van vliesgevels, afsluitbare loggia’s en afgeschermde balkons. Bijvoorbeeld bij een loggia wordt het geluid op grond van voornoemd artikel 3.23 beoordeeld op de gevel, dus op de buitenzijde van de loggia (de zijde van het gebouw) en niet op de achterliggende delen van de uitwendige scheidingsconstructie.565
Het tweede lid vervangt in combinatie met artikel 5.78y Bkl de zogenoemde “dove gevel” uit de Wet geluidhinder, waarbij een aantal verbeteringen is doorgevoerd. Onderdeel a is de juridische opvolger van de échte dove gevel, dus een gevel waarin geheel geen te openen delen aanwezig zijn (voorheen artikel 1b, vierde lid, onder a, van de Wet geluidhinder). Onder de Wet geluidhinder werd een dove gevel niet als gevel aangemerkt, waardoor geheel geen toetsing of afweging hoefde plaats te vinden. Net als in de Wet geluidhinder wordt geen maximum gesteld aan de geluidbelasting op de dove gevel. Wat wel verandert is dat onder de Omgevingswet bestuurlijk moet worden afgewogen dat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Gelet op de zeer hoge geluidbelastingen in dit soort situaties – hoger dan de grenswaarde – is een bestuurlijke afweging vanzelfsprekend.566
Naast de échte dove gevel kende de Wet geluidhinder de mogelijkheid voor een bouwkundige constructie met bij uitzondering te openen delen, waarbij voorwaarde was dat die bij uitzondering te openen delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. In de praktijk werd zeer uiteenlopend invulling gegeven aan het begrip “bij uitzondering te openen”, ook wel op zodanige wijze dat feitelijk geen recht werd gedaan aan het uitzonderlijke karakter. De specifieke mogelijkheid die artikel 1b, vierde lid, onder b, van de Wet geluidhinder bood, komt daarom niet op dezelfde wijze terug onder de Omgevingswet. Wel is een uitzondering opgenomen voor deuren die onderdeel zijn van een gemeenschappelijke doorgang (bijvoorbeeld gemeenschappelijke toegangsdeuren, tussendeuren en nooduitgangen in een appartementengebouw, maar niet de voordeur van een appartement of de deur naar een bijbehorende buitenruimte). Daarvoor in de plaats is in het tweede lid de onder b beschreven nieuwe mogelijkheid opgenomen, die beter aansluit bij de behoeften van de uitvoeringspraktijk.567
Onderdeel b van het tweede lid biedt een tweede mogelijkheid tot het treffen van bouwkundige maatregelen. In dit geval bevat de uitwendige scheidingsconstructie wel te openen delen, maar worden aan het gebouw maatregelen getroffen waarmee het geluid op de te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte wordt beperkt tot de grenswaarden. Bij toepassing van deze bepaling mogen ramen en deuren altijd geopend worden, waarbij er geen onderscheid is tussen regelmatig te openen delen zoals de voordeur van een woning en delen die bedoeld zijn om slechts bij uitzondering te openen. Voor de hal of gang maakt het daarbij niet uit of deze is aangeduid als verblijfsgebied of als verkeersruimte. Daarmee is de eenduidigheid en uitvoerbaarheid verbeterd.568
De term “grenswaarden” is in meervoud. Mocht een gebouw door meerdere bronnen worden belast, bijvoorbeeld een bundel van een weg en een spoorweg, dan moet de constructie zo ontworpen worden dat het geluid op te openen delen van elk van die bronnen voldoet aan de grenswaarde voor die bron. De grenswaarden in het Bkl gelden namelijk, anders dan het gezamenlijke geluid, per bron. In het algemeen zal er overigens maar één maatgevende bron zijn. Artikel 5.78u Bkl bevat geen grenswaarde voor het geluid door luchtvaart. De verplichting om het geluid met bouwkundige maatregelen te beperken tot de grenswaarde geldt dus niet voor het geluid door luchtvaart. Het heeft met het oog op de bescherming van de gezondheid wel de voorkeur om de bouwkundige maatregelen zodanig uit te voeren dat ook het geluid door luchtvaart zoveel mogelijk wordt beperkt.569
De in het tweede lid, onder b, bedoelde maatregelen moeten het geluid op te openen delen beperken tot de grenswaarden. Er worden geen andere eisen aan die maatregelen gesteld. De geluidwerende maatregel mag uit elke denkbare bouwkundige constructie bestaan. De geluidwerende constructie mag het geluid op de hele gevel verlagen, maar ook alleen het geluid op het (hele) te openen deel. De geluidwerende constructie kan bestaan uit een beweegbare constructie waarmee de geluidwerende werking kan worden afgestemd op het aanwezige buitengeluid, maar ook uit een vaste constructie die een permanente bescherming biedt tegen het geluid van buiten. Door deze flexibele formulering van de voorwaarde is een vliesgevel mogelijk, maar zijn ook mogelijkheden zoals beglaasde balkons zijn denkbaar. De geluidwerende constructie mag voor elke woning (verdieping, stramien) anders zijn, hoewel dat om architectonische redenen meestal niet wenselijk zal zijn.570
Bij het ontwerpen van de in het tweede lid, onder b, bedoelde maatregelen moet rekening worden gehouden met de eisen die het Bbl ook stelt aan de luchtverversing, spuiventilatie en aanwezigheid van een buitenruimte. Dat geldt met name als de gevel van het geluidgevoelige gebouw zwaar door geluid wordt belast en een balkon of loggia geheel gesloten moet kunnen worden om het geluid op te openen delen voldoende te beperken. Een geluidgedempt luchtrooster of andere bouwkundige oplossing moet ervoor zorgen dat voldoende buitenlucht toe kan stromen terwijl het buitengeluid wel wordt geweerd.571
Er vinden bij een afsluitbare loggia dus twee toetsingen plaats. Voor de bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie wordt uitgegaan van het gezamenlijke geluid op de buitenkant van de loggia. De bepaling volgens NEN 5077 vindt plaats bij een gesloten loggia en gesloten ramen/deuren naar het verblijfsgebied, wel moeten de voorzieningen voor luchtverversing openstaan. De geluidwering van de gehele uitwendige scheidingsconstructies wordt daarbij dus beschouwd om te voldoen aan de eis van artikel 4.103, eerste lid, Bbl. Deze bepaling staat naast artikel 4.103b waarbij moet worden nagegaan of de gesloten loggia voldoende geluidwering geeft om te komen tot de grenswaarde voor de maatgevende geluidbronsoort. Zowel de loggia zelf moet dus een bepaalde geluidwering hebben (om te voldoen aan artikel 4.103b) als de gehele de uitwendige scheidingsconstructie waar de loggia deel van uitmaakt (om te voldoen aan artikel 4.103).572
Artikel 4.103c (overgangsrecht: Wet geluidhinder)
Als de regels voor het bouwwerk deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of voorschriften voor het bouwwerk zijn gesteld in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet, is artikel 4.103b, tweede lid, onder a, van overeenkomstige toepassing op een uitwendige scheidingsconstructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.
Als voor een bouwwerk in het geluidaandachtsgebied, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van een weg, spoorweg of industrieterrein het gezamenlijke geluid, bedoeld in artikel 4.103, eerste lid, onder a, niet is bepaald in een van de in dat onderdeel genoemde besluiten, wordt het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels op basis van:
de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting die op grond van artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de wet, waarbij voor wegen de gehanteerde aftrek op basis van artikel 110g van de Wet geluidhinder wordt opgeteld; of
in gevallen, bedoeld in het eerste lid, de geluidbelasting die ten grondslag ligt aan het omgevingsplan of de omgevingsvergunning, bedoeld in dat lid; en
het geluid van luchtvaart, als dat is opgenomen in het geluidregister, bedoeld in artikel 11.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Dit artikel regelt het overgangsrecht voor de situatie dat een gemeente voor een bepaald gebouw het nieuwe deel van het omgevingsplan nog niet heeft vastgesteld en daarmee de aanduiding “niet-geluidgevoelige gevel” of “niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen” nog niet heeft kunnen opnemen. Het regelt dat een gebouw waarvoor in het tijdelijk deel van het omgevingsplan de aanduiding “dove” gevel is opgenomen moet worden voorzien van een gevel die – behoudens gezamenlijke doorgangen – geen te openen delen heeft. Artikel 12.13g van het Besluit kwaliteit leefomgeving regelt dat de aanduiding “dove gevel” in het tijdelijk deel van het omgevingsplan in beginsel wordt omgezet naar de aanduiding “niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen” in het nieuwe deel. De verplichtingen uit artikel 4.103b, eerste lid, en de mogelijkheden uit artikel 4.103, tweede lid, onder b gelden pas nadat het nieuwe deel van het omgevingsplan is vastgesteld. Daarmee wordt zo dicht mogelijk bij de oude regelgeving gebleven.573
Het eerste lid ziet ook op een situaties waarin “dove gevels” voorgeschreven zijn in een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, die onder nieuw recht geldt als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Per abuis was niet voorzien in overgangsrecht voor die gevallen. Dat wordt met deze aanvulling gecorrigeerd.574
Het tweede lid is een verduidelijking van het overgangsrecht voor de vereiste geluidwering. Onder het nieuwe geluidstelsel onder de Omgevingswet wordt het gezamenlijke geluid van verschillende bronnen opgeteld door het bevoegd gezag en opgenomen in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. Dit gezamenlijke geluid vormt, zoals bepaald in artikel 4.103 van het Bbl, de basis voor het bepalen van de vereiste geluidwering. De berekening van het gezamenlijke geluid gebeurt echter alleen bij de nieuwe toelating van geluidgevoelige gebouwen, bij de aanleg van een weg, spoorweg of industrieterrein of bij de wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein die leidt tot meer geluid. Voor woningen of andere geluidgevoelige gebouwen die planologisch zijn of worden toegelaten onder oud recht, maar die gebouwd worden met toepassing van nieuw recht, zal het gezamenlijke geluid daardoor in de meeste gevallen niet zijn opgenomen in één van de genoemde besluiten. In dat geval moet gedurende de overgangsfase nog gebruik worden gemaakt van de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (verder: hogerewaardebesluiten).575
Uit signalen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat verduidelijking gewenst is van het overgangsrecht hiervoor, dat is opgenomen in het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Artikel IX van dat besluit voorziet erin dat hogerewaardebesluiten onderdeel zijn van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en daardoor gedurende de overgangsfase hun betekenis houden voor het bepalen van de vereiste geluidwering. Het hogerewaardebesluit wordt daarmee onderdeel van het in het omgevingsplan bepaalde geluid, dat op grond van artikel 4.103, eerste lid, onder a, van het Bbl maatgevend is voor de vereiste gevelwering. Dat onderdeel verwijst via de begripsbepaling voor gezamenlijk geluid naar artikel 3.39 van het Bkl. In dat artikel is bepaald dat het geluid van verschillende bronnen energetisch wordt opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Noch in het besluit, noch in de toelichting, werd echter beschreven dat het gezamenlijke geluid in dergelijke gevallen nog berekend moet worden. Het nieuw toegevoegde tweede lid van artikel 4.103c van het Bbl expliciteert dit. Het energetisch optellen is overigens een eenvoudige berekening die een bouwkundige zelf kan uitvoeren zonder een akoestisch adviseur in te schakelen.576
De aanhef van het tweede lid maakt duidelijk dat het alleen van toepassing is als het gebouw gebouwd zal worden in het geluid-aandachtsgebied van een weg, een spoorweg of een industrieterreinen en er nog geen waarde voor het gezamenlijk geluid is opgenomen in een van de drie in artikel 4.103, eerste lid, onder a, van het Bbl genoemde besluiten: het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductie-plafonds als omgevingswaarden. Dit zal vaak het geval zijn als het geluidgevoelige gebouw is toegelaten onder oud recht, tenzij inmiddels onder nieuw recht besluitvorming heeft plaatsgevonden over geluid door wegen, spoorwegen of industrieterreinen in de omgeving. De ligging van het geluidaandachtsgebied komt beschikbaar via het geluidregister. Voor provinciale wegen en industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld geldt de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzone als geluidaandachtsgebied (zoals geregeld in artikel 12.7 Bkl). Aan het al genoemde artikel 3.39 Bkl is ontleend van welke bronnen het geluid betrokken moet worden. Uit onderdeel a van het nieuwe tweede lid blijkt dat het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt betrokken als daarvoor hogerewaardebesluiten zijn vastgesteld. Het kan voorkomen dat voor één gevel meerdere hogere waarden gelden van één geluidbronsoort, bijvoorbeeld twee kruisende gemeentewegen. In dat geval moeten die waarden ook energetisch bij elkaar worden opgeteld. Onder de Wet geluidhinder werd een aftrek toegepast vanwege het stiller worden van wegverkeer. Die werd bijvoorbeeld toegepast bij het toetsen aan de voorkeurswaarden en maximale waarden. Voor het bepalen van de geluidwering werd echter op grond van artikel 3.4, eerste lid, onder e, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 een aftrek van 0 dB gehanteerd. De geluidbelasting in het hogerewaardebesluit moet dus worden vermeerderd met die aftrek.577
Onderdeel b bevat een specifieke regeling voor “dove gevels” in aansluiting op het eerste lid. Daarvoor werden onder de Wet geluidhinder wel geluidberekeningen uitgevoerd ter onderbouwing van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, maar geen hogere waarden vastgesteld. In dat geval kan de geluidbelasting dus niet worden ontleend aan het hogerewaardebesluit, maar aan het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning of onderliggende documenten zoals een akoestisch onderzoek. Dit onderdeel continueert een voorwaarde uit artikel 1b, vierde lid, onder a, van de Wet geluidhinder, dat bepaalde dat voor dove gevels de karakteristieke geluidwering moest worden gebaseerd op de geluidbelasting.578
Onderdeel c bepaalt dat ook het geluid van luchtvaart betrokken moet worden. In artikel 11.52, eerste lid, onder c, van het Bkl, zoals ingevoegd met het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, is geregeld dat daarvoor geluidgegevens in de vorm van 1 Lden-contouren beschikbaar zullen zijn in het voor eenieder toegankelijke geluidregister. Op grond van artikel 15.4, tweede lid, van het Omgevingsbesluit zullen gedeputeerde staten, de Minister van Defensie en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, elk voor de luchthavens waarvoor zij bestuurlijk verantwoordelijk zijn, die gegevens binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn verstrekken. Direct na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel zullen niet voor alle luchthavens dergelijke gegevens beschikbaar zijn. In die periode kan voor het bepalen van de vereiste geluidwering worden volstaan met hogerewaardebesluiten. Daarnaast blijft de verplichting in artikel 4.104 van het Bbl, dat extra geluidwering vereist in het beperkingengebied van een luchthaven, van toepassing. Anders dan in artikel 3.39 van het Bkl is bepaald, hoeft bij toepassing van het in dit nieuwe lid opgenomen overgangsrecht het geluid door windturbines, windparken, buitenschietbanen en springterreinen niet berekend te worden. Het bepalen van dat geluid op een concrete gevel zou in de meeste gevallen akoestische berekeningen vergen en daardoor leiden tot hoge administratieve lasten, terwijl het slechts in incidentele gevallen zou kunnen leiden tot meer geluidwering. Meestal zal dit geluid bij de energetische optelling wegvallen tegen het geluid van de weg, de spoorweg of het industrieterrein. De artikelen 4.103 en 4.103a van het Bbl blijven onverkort van toepassing. Alleen het gezamenlijke geluid wordt niet aan het omgevingsplan ontleend, maar berekend volgens dit lid. De initiatiefnemer kan het bevoegd gezag echter ook verzoeken om met toepassing van artikel 4.103a van het Bbl een maatwerkvoorschrift te stellen, inhoudend dat het gezamenlijk geluid wordt bepaald. Dat gebeurt dan aan de hand van actuele geluidgegevens van geluidbronsoorten en andere activiteiten. Als voor een deel van de verblijfsgebieden in het bouwwerk wel het gezamenlijke geluid is bepaald, maar voor andere verblijfsgebieden niet, zal dat in het algemeen veroorzaakt zijn doordat het geluid op de gevel van die andere verblijfsgebieden voldoet aan de standaardwaarden en er dus geen aanleiding was om het gezamenlijke geluid te berekenen. Bijvoorbeeld omdat die verblijfsgebieden zich aan de geluidluwe zijde bevinden of zijn afgeschermd door andere gebouwen. In dat geval is dit overgangsrecht niet van toepassing en kan voor die verblijfsgebieden worden volstaan met de reguliere geluidwering van artikel 4.102 van het Bbl. Het tweede lid verliest net als het eerste lid zijn betekenis na de overgangsfase. Mogelijk zal het niet worden geschrapt, maar vervangen door een andere overgangsrechtelijke regeling voor de gevallen dat wordt gebouwd in een aandachtsgebied, maar het gezamenlijke geluid nog niet is bepaald. Gezien de verwachte duur van de overgangsfase – tot 31 december 2029 – kan die uitwerking op een later moment plaatsvinden. In onderdeel O is het tweede lid tevens verwerkt in tabel 4.101 van het Bbl.579
Artikel 4.104 (geluidwering bij luchtvaartlawaai)
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart vastgestelde Ke-geluidzone bij een militaire luchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het in tabel 4.104 aangegeven geluidniveau. Als de geluidbelasting ligt tussen de in de eerste kolom opgenomen Ke-waarden, wordt de te bereiken geluidwering bepaald door rechtevenredige interpolatie tussen de in de tweede kolom opgenomen dB-waarden.
Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een voor de luchthaven Schiphol op de kaarten in bijlage 3B, nummer 4, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen gebied of een krachtens de Wet luchtvaart vastgesteld 56 dB(A) Lden beperkingengebied of een vastgestelde 35 Ke-geluidzone bij een burgerluchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering waarmee het karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Daarbij wordt uitgegaan van de krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart bepaalde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie.
Op een inwendige scheidingsconstructie van een gebied als bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn, zijn deze leden van overeenkomstige toepassing.
Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.
In artikel 4.104 is aangegeven hoe moet worden omgegaan met een gebruiksfunctie die in een beperkingengebied als bedoeld in de Luchtvaartwet of Wet luchtvaart ligt. In een beperkingengebied gelden in verband met de nabijheid van een luchthaven ruimtelijke beperkingen vanwege veiligheid en het voorkomen van geluidoverlast. Of er sprake is van een zogenoemd beperkingengebied volgt uit het omgevingsplan. Een gemeente nabij een luchthaven moet de voor het beperkingengebied vastgestelde contouren in het omgevingsplan verwerken. De regelgeving over militaire luchthavens en burgerluchthavens (anders dan Schiphol) in de Wet luchtvaart is gewijzigd met de Wet regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens. Voor militaire luchthavens wordt nog steeds een Ke-geluidscontour bepaald waarbinnen een isolatieplicht bestaat op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen militaire luchthavens 2015 (de opvolger van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 voor wat betreft militaire luchthavens waarvoor op basis van de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit is vastgesteld). Voor de burgerluchthavens wordt de Ke-zone rechtstreeks in de RGV 1997 opgenomen. Voor Schiphol zijn deze contouren al opgenomen in de RGV 1997. Voor de overige burgerluchthavens (Rotterdam Airport, Groningen Airport Eelde, Maastricht Aachen Airport en Lelystad Airport), waarvoor in het verleden op grond van de Luchtvaartwet de Ke-geluidscontouren zijn vastgesteld, gaat dat nog gebeuren.
Het eerste lid richt zich op militaire luchthavens. De in de zonering opgenomen geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie (buitengevel) is bij militaire luchthavens uitgedrukt in Ke. In een beperkingengebied moet de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering hebben van ten minste de in tabel 4.104 genoemde karakteristieke geluidwering. De voorgeschreven karakteristieke geluidwering in dB kan in de tabel worden afgelezen aan de hand van de in het omgevingsplan genoemde Ke-waarde.
Het tweede lid heeft alleen betrekking op de burgerluchtvaart. Bij een burgerluchthaven moet de uitwendige scheidingsconstructie zodanig zijn dat de geluidbelasting in een verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Opgemerkt wordt dat daarbij voor de burgerluchtvaart wordt uitgaan van Lden of de 35 Ke-geluidcontour. Het gebruik van Lden vloeit voort uit de Europese richtlijn over de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai d.d. 25 juni 2002 (richtlijn 2002/49/EG). Daarnaast is in het tweede lid een specifieke verwijzing naar het beperkingengebied bij de luchthaven Schiphol opgenomen. De contouren voor Schiphol volgen namelijk niet uit de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV 1997).
Het derde lid verklaart het eerste en tweede lid ook van toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop deze leden van toepassing zijn. De uitwendige scheidingsconstructie van een niet-geluidsgevoelige ruimte (ruimte die geen verblijfsgebied of -ruimte is) behoeft niet geluidsisolerend te zijn. Het derde lid regelt dat er tussen een niet-geluidsgevoelige ruimte en geluidsgevoelige ruimte (verblijfsgebied of verblijfsruimte) voldoende geluidsisolatie moet zijn om te voorkomen dat er door geluidsoverdracht via de niet-geluidsgevoelige ruimte, geluidsoverlast in de geluidsgevoelige ruimte ontstaat. Dit betekent dat wanneer een verblijfsgebied aan een zijde grenst aan een ruimte waarvoor geen eisen aan de geluidwering gelden, die scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen, zodanig geluidwerend moet zijn dat in het verblijfsgebied zelf geen geluidoverlast van buiten ontstaat. Een voorbeeld van een dergelijk geval is de wand tussen een verblijfsgebied en een berging of garage. Voor de berging of garage zelf geldt geen eis voor geluidwerendheid. De inwendige scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten (de berging, garage) en constructieonderdelen moet dan zodanig geluidwerend zijn, dat in het verblijfsgebied ernaast geen geluidsoverlast ontstaat via de berging of garage. Hierbij mag het positieve geluidwerende effect van de berging of garage zelf, ook worden meegerekend.
Het vierde lid waarborgt dat het geluidniveau aanvaardbaar blijft in elke afzonderlijke verblijfsruimte.580
Artikel 4.105 (tijdelijk bouwwerk)
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB of dB(A) lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.
Dit artikel bepaalt dat op tijdelijke bouwwerken de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing zijn. Daarbij kan voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, worden uitgegaan van een karakteristieke geluidwering die 10 dB of dB(A) lager is. Het eisenniveau is dus bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, 10 dB of dB(A) lager dan bij reguliere nieuwbouw.
Voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn tussen de 10 en 15 jaar, geldt dat de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing zijn en er dus geen sprake is van een lager eisenniveau ten opzichte van reguliere nieuwbouw. Zie ook het eerste lid van artikel 4.8. Onder verwijzing naar de definitie van tijdelijk bouwwerk in bijlage I, wordt er op gewezen dat een tijdelijk bouwwerk ten hoogste een instandhoudingstermijn van 15 jaar (op dezelfde locatie) kan hebben.581
548 Stb. 2018, 291, p. 366 en 367.
549 Stb. 2018, 291, p. 367.
550 Stb. 2018, 291, p. 367.
551 Stb. 2018, 290, p. 106 – 109.
552 Stb. 2020, 557, p. 356.
553 Stb. 2020, 557, p. 357.
554 Stb. 2020, 557, p. 357.
555 Stb. 2020, 557, p. 357.
556 Stb. 2018, 291, p. 367 en 368.
557 Stb. 2020, 557, p. 357.
558 Stb. 2020, 557, p. 357.
559 Stb. 2020, 557, p. 358.
560 Stb. 2020, 557, p. 358.
561 Stb. 2020, 557, p. 358.
562 Stb. 2020, 557, p. 358.
563 Stb. 2020, 557, p. 358 en 359.
564 Stb. 2020, 557, p. 359.
565 Stb. 2020, 557, p. 359.
566 Stb. 2020, 557, p. 359.
567 Stb. 2020, 557, p. 359.
568 Stb. 2020, 557, p. 360.
569 Stb. 2020, 557, p. 360.
570 Stb. 2020, 557, p. 360.
571 Stb. 2020, 557, p. 360.
572 Stb. 2020, 557, p. 360 en 361.
573 Stb. 2020, 557, p. 361.
574 Stb. 2022, 172, p. 97.
575 Stb. 2022, 172, p. 97 en 98.
576 Stb. 2022, 172, p. 98.
577 Stb. 2022, 172, p. 98.
578 Stb. 2022, 172, p. 98 en 99.
579 Stb. 2022, 172, p. 99.
580 Stb. 2018, 291, p. 368 en 369.
581 Stb. 2018, 291, p. 369 en 370.