Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Artikel 6.37 (keuring van airconditioningsystemen)

De toegankelijke delen van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditionings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW worden ten minste eenmaal per vijf jaar gekeurd.

De keuring:

bevat een beoordeling van het rendement en de dimensionering van het airconditioningsysteem, gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw; en

houdt rekening met het vermogen van het airconditioningsysteem of het gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem om de prestaties onder typische of gemiddelde werkingsomstandigheden te optimaliseren.

De beoordeling van de dimensionering van het airconditioningsysteem kan achterwege blijven als er sinds de laatste keuring geen wijziging heeft plaatsgevonden van het airconditioningsysteem, het gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.

De keuring wordt op onafhankelijke wijze uitgevoerd door een gekwalificeerde deskundige, waarbij wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels over de kwaliteitseisen waar de keuring en de deskundige aan moeten voldoen.

Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring evenals aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde airconditioningsysteem of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem bevat.

Dit artikel is niet van toepassing op:

een airconditioningsysteem of een gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem:

dat valt onder een overeengekomen energieprestatiecriterium of een contractuele regeling waarin een overeengekomen niveau van energie-efficiëntieverbetering is vermeld; of

dat wordt beheerd door een energieleverancier als bedoeld in de artikelen 1, onder ah, van de Gaswet, 1, onder f, van de Elektriciteitswet 1998 en 1 van de Warmtewet of een netbeheerder als bedoeld in de artikelen 1, onder e, van de Gaswet, 1, onder k, van de Elektriciteitswet 1998 en 1 van de Warmtewet;

mits met de aanpak onder 1° of 2° hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de keuring, bedoeld in het eerste en tweede lid; of

een airconditioningsysteem in een gebouw met een systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in artikel 3.146.

Met dit artikel zijn de artikelen 15 en 16 van de richtlijn energieprestatie van gebouwen geïmplementeerd. Het doel van deze eisen voor airconditioningsystemen is de vermindering van het energiegebruik in gebouwen en de beperking van kooldioxide-emissies. Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW moeten in ieder geval eens in de vijf jaar gekeurd worden (eerste lid). Deze verplichting was eerder opgenomen in het Besluit energieprestatie gebouwen. De keuring omvat een beoordeling van de prestaties van de koudeopwekker, van de capaciteit, de distributie en afgifte van het airconditioningsysteem. Daarbij wordt gekeken of er mogelijkheden zijn voor verbetering van de energieprestatie van het airconditioningsysteem.

In het tweede lid is opgenomen dat de keuring een beoordeling bevat van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw. Dit is conform artikel 15, eerste lid, tweede zin, van de richtlijn.

In artikel 15 van de richtlijn is tevens opgenomen dat de beoordeling van de dimensionering niet herhaald hoeft te worden zolang er tussentijds niets wordt veranderd aan het verwarmingssysteem of de koelingbehoeften van het gebouw. Deze mogelijkheid is overgenomen in het derde lid.

Artikel 16, eerste lid, van de richtlijn vereist dat na elke keuring een keuringsverslag wordt uitgebracht, dat het resultaat bevat van de verrichte keuring en aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. In het tweede lid van artikel 16 is bepaald dat dit keuringsverslag moet worden overhandigd aan de eigenaar of huurder van het gebouw. Beide regels zijn opgenomen in het vierde lid.

Op basis van de resultaten van de keuring en van de aanbevelingen in het keuringsverslag kan de eigenaar of huurder van het gebouw waarin het airconditioningsysteem is geplaatst, bepalen of vervolgacties gewenst zijn. De uitvoering van de vervolgacties behoort overigens niet tot de keuringswerkzaamheden. Door de verbetering en eventuele vervanging van de gekeurde airconditioningsystemen wordt effectief een bijdrage geleverd aan het verminderen van energiegebruik en het beperken van kooldioxide-emissies, ervan uitgaande dat de mate van gebruik van het systeem hetzelfde blijft.

Het vijfde lid vereist dat de keuring op onafhankelijke wijze wordt uitgevoerd door gekwalificeerde of erkende deskundigen. Hierbij moet aan de eisen worden voldaan die zijn opgenomen in de ministeriële regeling bij dit besluit.915

Lid 6 van artikel 6.37 Bbl is zodanig gewijzigd dat een uitzondering op de keuringsplicht niet alleen geldt als het systeem valt onder een energieprestatiecontract, maar voor alle in artikel 14, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, van de EPBD genoemde gevallen. In onderdeel a, onder 1°, is geregeld dat de uitzondering op de keuringsplicht van toepassing is op airconditioningssystemen die expliciet onder een overeengekomen energieprestatiecriterium of een contractuele regeling vallen waarin een overeengekomen niveau van energie-efficiëntieverbetering is vermeld.

In onderdeel a, onder 2°, is opgenomen dat ook airconditioningssystemen die worden beheerd door een energieleverancier of een netbeheerder buiten de keuringsplicht vallen. De reden daarvoor is dat deze systemen in dat geval al onder prestatiemonitoringsmaatregelen aan de systeemzijde zijn onderworpen. Voor de definities van energieleverancier en netbeheerder is aangesloten bij de definities in de Gaswet, Elektriciteitswet en Warmtewet.

Aan deze twee uitzonderingsmogelijkheden is toegevoegd dat die alleen mogen worden gebruikt als met de uitzonderingsmogelijkheden hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de keuring, bedoeld in het eerste en tweede lid.916

In artikel 5.18 Omgevingsregeling staat over de keuring van airconditioningsystemen het volgende:

De keuring van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW, wordt verricht door deskundigen met een diploma EPBD A-airconditioningsystemen en een diploma EPBD-B airconditioningsystemen.

De keuring wordt gedaan volgens de inspectiemethodiek zoals opgenomen in bijlage XI.

Het keuringsverslag van een in het eerste lid bedoelde keuring wordt opgesteld door een deskundige met het diploma EPBD B-airconditioningsystemen.

De deskundige:

registreert de datum van de keuring van het systeem in het bij het systeem behorende logboek;

verstrekt het keuringsverslag binnen vier weken na de keuring aan de opdrachtgever; en

meldt de keuring binnen vier weken nadat deze is verricht af bij een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen instantie.

De deskundige en de opdrachtgever bewaren het keuringsverslag ten minste vijf jaar.

Over een gecombineerde keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen staat het volgende in artikel 5.18a Omgevingsregeling:

Een technisch bouwsysteem dat zowel ruimteverwarming als ruimtekoeling verzorgt en waarbij de warmtegenerator nuttige warmte genereert door het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatie van afvoerlucht of een water- of aardwarmtebron met een warmtepomp wordt alleen gekeurd volgens artikel 6.37 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Een technisch bouwsysteem met een ventiliatiesysteem gecombineerd met zowel een verwarmingssysteem als een airconditioningsysteem wordt alleen gekeurd volgens artikel 6.37 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Een ventilatiesysteem als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt alleen gekeurd als dit het primaire afgiftesysteem is voor ruimteverwarming of ruimtekoeling.

Daarnaast stelt paragraaf 5.1.3.3 Omgevingsregeling eisen aan de vakbekwaamheid van een airconditioningsysteemdeskundige.

915 Stb. 2018, 291, p. 478 en 479.

916 Stb. 2023, 288, p. 88.