De burgemeester is op grond van art. 176a lid 1 Gemeentewet bevoegd om “door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats tijdelijk te doen ophouden”. Dit is een vorm van wettelijke vrijheidsberoving die – ter onderscheiding van de strafrechtelijke mogelijkheid daartoe – ‘bestuurlijke ophouding’ wordt genoemd. Volgens het tweede lid van art. 176a Gemeentewet mag de burgemeester deze bevoegdheid slechts uitoefenen:
Tijdelijke ophouding van personen in opdracht van de burgemeester is ook mogelijk op grond van artikel 154a Gemeentewet.
Enkele verschillen tussen de bevoegdheden gegeven in art. 154a en 176a Gemeentewet:
Beide vormen van ophouding zijn met een aantal juridische waarborgen omgeven, zie de artikelen 154a lid 3 t/m 13 en 176a lid 3 Gemeentewet.
Een andere bevoegdheid van de burgemeester is het aanwijzen van een bepaald gebied binnen de gemeente als veiligheidsrisicogebied. Deze bevoegdheid kan de burgemeester alleen uitoefenen wanneer de gemeenteraad hem bij verordening (in de regel is dit de APV) daartoe machtigt, zo blijkt uit art. 151b lid 1 Gemeentewet. Bovendien is aanwijzing als veiligheidsrisicogebied alleen toegestaan “bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan”. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied is ook van toepassing op de in het aangewezen gebied gelegen “voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven”. De officier van justitie kan in een veiligheidsrisicogebied bepaalde opsporingsbevoegdheden op grond van de Wet wapens en munitie toepassen, zoals het openen van verpakkingen en reisbagage en het onderzoeken van vervoersmiddelen en kleding op de aanwezigheid van wapens of munitie.
Verder is de burgemeester bevoegd tot het invoeren van cameratoezicht op openbare en andere aangewezen plaatsen die voor iedereen toegankelijk zijn. Uit art. 151c lid 1 Gemeentewet blijkt dat de burgemeester ook deze bevoegdheid slechts kan uitoefenen nadat de gemeenteraad hem daartoe bij verordening heeft gemachtigd. De duur van het cameratoezicht wordt door de burgemeester bepaald. Het bekijken en bewaren van de vastgelegde beelden is aan regels gebonden, zo blijkt uit art. 151c Gemeentewet. Ook is in dat artikel bepaald dat de aanwezigheid van een of meer camera’s op duidelijke wijze kenbaar moet zijn voor iedereen die de desbetreffende openbare plaats betreedt.
Behalve de Gemeentewet zijn er tal van andere wetten die aan de burgemeester bevoegdheden toekennen in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Enkele voorbeelden zijn: de Politiewet (die in de volgende paragraaf aan de orde komt), de Wet openbare manifestaties, de Wet Publieke Gezondheid, de Wet Veiligheidsregio’s, de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur en de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen.