Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Hoewel de naam van de Wet geluidhinder anders doet vermoeden, bevat deze wet zeker geen uitputtende regeling voor geluidhinder. Veel onderdelen van de oorspronkelijke Wet geluidhinder zijn in de loop van de tijd overgeheveld naar andere wetgeving, zoals de Wet milieubeheer en de Wabo. De Wet geluidhinder heeft daardoor een relatief beperkte en afgebakende reikwijdte.

De Wet geluidhinder bevat alleen regels over de geluidbelasting binnen gezoneerde gebieden. Dit zijn kort gezegd industrieterreinen, wegen en spoorwegen. Daarnaast bevat de Wet geluidhinder de mogelijkheid om ook andersoortige gebieden waar ernstige geluidhinder optreedt te zoneren, maar daar wordt weinig gebruik van gemaakt.

De systematiek van geluidzonering wordt langzaamaan vervangen door een systeem van geluidproductieplafonds. Dit is ingezet door de wetgevingsoperatie Samen Werken in de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid (SWUNG). Dit systeem van geluidproductieplafonds wordt in twee fasen geïmplementeerd voor de verschillende typen projecten. Voor de rijkswegen en het grootste deel van de spoorwegen zijn deze regels op 1 juli 2012 opgenomen in de Wet milieubeheer (zie hoofdstuk 6). Deze wetswijziging is bekend als onderdeel van SWUNG I. Sindsdien bevat de Wet geluidhinder geen regels meer voor de aanleg en wijziging van deze rijkswegen en spoorwegen. Het bouwen van gevoelige objecten nabij een rijksweg of spoorweg is nog wel geregeld in de Wet geluidhinder, op dezelfde manier als dat voor provinciale en gemeentelijke wegen het geval is.

SWUNG 2 zal tot gevolg hebben dat ook voor een groot deel van de overige wegen en spoorwegen alsmede de industrieterreinen een systeem van geluidproductieplafonds gaat gelden. Met dit deel van de wetgevingsoperatie is enige tijd gemoeid. Inmiddels is duidelijk dat dit zijn beslag zal krijgen in de Omgevingswet. Tot die tijd geldt voor deze infrastructuur en industrieterreinen het systeem van geluidzonering.

Geluidzonering

De Wet geluidhinder werkt met een systeem van zonering. Zo bepaalt de Wet geluidhinder dat aan weerszijden van een weg of spoorweg een zone moet worden vastgesteld waarbinnen een bepaalde maximale geluidbelasting vanwege de weg mag optreden. De breedte van de zone hangt voor wegverkeer af van het aantal rijstroken of sporen en de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied. Voor railverkeer is de breedte van de zone afhankelijk van de waarde van het geluidproductieplafond (zie paragraaf 5.2.5.2). De zone is 200 tot 600 meter breed voor wegverkeer en 100 tot 1200 meter breed voor railverkeer. De Wet geluidhinder bevat concrete normen voor de geluidbelasting die mag worden ondervonden door woningen die zich binnen de zone bevinden. De normen voor andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen zijn uitgewerkt in het Besluit geluidhinder.

Voor industrieterreinen geldt een soortgelijke systematiek. Op het moment dat op een bedrijventerrein de vestiging van zogeheten ‘grote lawaaimakers’

Wetsartikel invoegen.

niet is uitgesloten, kwalificeert dat terrein als ‘industrieterrein’ in de zin van de Wet geluidhinder. Om het industrieterrein heen dient dan een zone te worden vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de 50 dB(A) etmaalwaarde niet te boven gaat. Deze zone wordt vastgelegd in een bestemmingsplan, waarop de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

De Wet geluidhinder bevat voorts een regeling voor het vaststellen van hogere waarden. Daarmee kunnen binnen de zone alsnog gevoelige objecten worden gerealiseerd, mits de maximaal te vergunnen hogere waarde niet wordt overschreden.

De systematiek van de Wet geluidhinder wordt verder toegelicht in hoofdstuk 7.

Cumulatieve toets industrielawaai

De Wet geluidhinder gaat niet over de individuele vergunningverlening aan bedrijven, althans niet rechtstreeks. Voor industrielawaai regelt de Wet geluidhinder namelijk alleen de cumulatieve geluidbelasting “vanwege het industrieterrein”. Dit is dus de totale geluidbelasting van alle op het industrieterrein gevestigde bedrijven. Dat zijn niet alleen de grote lawaaimakers, maar ook alle andere bedrijven. Sommige bedrijven zullen een omgevingsvergunning milieu nodig hebben, andere bedrijven vallen onder het regime van het Activiteitenbesluit en kunnen met een melding volstaan. Het geluid van al deze bedrijven samen telt mee voor de cumulatieve geluidbelasting op de zonegrens.

Deze cumulatieve geluidsbelasting kan dus worden beïnvloed door de vestiging van bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Zij kunnen zich zonder voorafgaande toets aan de Wet geluidhinder op een gezoneerd industrieterrein vestigen.

Voor de Wet geluidhinder is het om het even of de maximale geluidsbelasting op de zonegrens wordt veroorzaakt door één bedrijf of door tien bedrijven gezamenlijk. Deze systematiek levert in de praktijk problemen op. Een industrieterrein kan “akoestisch vol” zijn, terwijl er nog wel uitgeefbare kavels zijn. Gemeenten die willen sturen op de verdeling van geluidruimte zullen daarom gebruik moeten maken van andere instrumenten dan de Wet geluidhinder. In hoofdstuk 10 gaan wij in op de mogelijkheden die er zijn om de geluidruimte op een industrieterrein te verdelen en te reserveren.

Toetsingskader individuele vergunningverlening

Individuele toetsing aan de Wet geluidhinder vindt alleen plaats voor bedrijven die over een omgevingsvergunning milieu dienen te beschikken. Dit kan een grote lawaaimaker zijn, maar ook een ander vergunningplichtig bedrijf. Op het moment dat een omgevingsvergunning milieu wordt aangevraagd, wordt deze via artikel 2.14 Wabo getoetst aan de Wet geluidhinder. Als de geluidsbelasting van het bedrijf op een bepaald punt op de zonegrens een overschrijding oplevert van de maximale waarde van 50 dB(A), dan is dat een weigeringsgrond voor de vergunning.

Een positieve toetsing aan de zonegrens betekent overigens niet dat de omgevingsvergunning milieu dan zonder meer moet worden verleend. De toets is immers beperkt tot een cumulatieve toets van het equivalente geluidsniveau. Piekniveaus worden bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten. De integrale beoordeling van de aanvaardbaarheid van de te vergunnen geluidniveaus gebeurt daarom op dezelfde manier als bij andere inrichtingen die niet op een gezoneerd industrieterrein zijn gelegen (zie hoofdstuk 8).