Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in 2010 is de omgevingsvergunning ingevoerd. De omgevingsvergunning kan worden verleend voor zaken die daarvoor via verschillende vergunningen werden geregeld, zoals de bouwvergunning, de kapvergunning, de milieuvergunning e.d. De aanvrager kan ervoor kiezen om voor een bepaald project meerdere toestemmingen tegelijkertijd aan te vragen. In dat geval hoeft hij slechts één aanvraag in te dienen bij één loket (burgemeester en wethouders). De aanvrager kan er ook voor kiezen om de toestemmingen apart aan te vragen. Dit kan alleen niet als er sprake is van onlosmakelijke samenhang van die toestemmingen. Dat is bijvoorbeeld het geval als het bouwen van een hal tevens ook het oprichten van een milieu-inrichting is. Een ander voorbeeld is het verbouwen van een pand dat tegelijkertijd ook het veranderen van een monument inhoudt. Er is één situatie waarbij sprake is van onlosmakelijke samenhang, terwijl het toch mogelijk is om de toestemmingen apart aan te vragen. Dat betreft activiteiten die in strijd zijn met een bestemmingsplan. Hiervoor kan de planologische toestemming voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten worden aangevraagd. Hierbij kan gedacht worden aan het bouwen van een appartementencomplex met een parkeergarage. De aanvrager kan hiervoor één omgevingsvergunning aanvragen. Hij kan er ook voor kiezen om eerst planologische toestemming te vragen (omgevingsvergunning ex art. 2.1 lid 1 onderdeel c Wabo) en pas als daarover duidelijkheid is de overige toestemmingen (omgevingsvergunning ex art. 2.1 lid 1 onderdeel a Wabo voor het bouwen en art. 2.1 lid 1 onderdeel b Wabo voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden voor de aanleg van de openbare ruimte).

Een omgevingsvergunning waarbij toestemming wordt gegeven om in strijd met het bestemmingsplan een project te realiseren kan voor verschillende gevallen aan de orde zijn. Het kan gaan om situaties waarin het bestemmingsplan zelf een omgevingsvergunning voorschrijft (art. 2.12 lid 1 onderdeel a sub 1 Wabo). Het kan ook gaan om de zogenoemde planologische kruimelgevallen, die in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zijn aangegeven (art. 2.12 lid 1 onderdeel a sub 2 Wabo). Ten slotte kan het gaan om situaties die niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening worden geacht. Of dit het geval is moet blijken uit een ruimtelijke onderbouwing (art. 2.12 lid 1 onderdeel a sub 3 Wabo). Welk type omgevingsvergunning wordt verleend bepaalt welke procedure moet worden toegepast en welke inhoudelijke eisen aan de motivering van het vergunningsbesluit worden gesteld.

Bij verlening van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt de aanvraag getoetst aan het geldende bestemmingsplan, redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening. Betreft de omgevingsvergunning een toestemming voor het aanleggen van werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden, dan kan deze geweigerd worden bij strijd met een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Mochten de aanvragen voor deze bouwwerken c.q. werken en werkzaamheden strijd opleveren met die besluiten, dan worden de aanvragen automatisch gezien als een aanvraag om af te mogen wijken van die besluiten. Op de aanvraag wordt een besluit genomen en er is beroep mogelijk, eerst bij de rechtbank, daarna bij de Afdeling Bestuursrechtspraak. Voor omgevingsvergunningen die in strijd zijn met een ruimtelijk besluit en waarvoor artikel 2.12 lid 1 onderdeel a sub 3 Wabo wordt toegepast, moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure van artikel 3.10 Wabo worden toegepast. Dit is een zienswijzeprocedure die vergelijkbaar is met de bestemmingsplanprocedure, met dien verstande dat er sprake is van dubbele rechtsbescherming (eerst de rechtbank, dan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State). Voor andere omgevingsvergunningen geldt de reguliere voorbereidingsprocedure. Deze procedure is veel korter. Mocht echter het bevoegd gezag een termijn niet halen, dan ontstaat er een vergunning van rechtswege, ongeacht of aan voorwaarden uit het beleid of het bestemmingsplan is voldaan.

Parkeren zal vooral aan de orde zijn bij een omgevingsvergunning waarbij toestemming wordt verleend voor een project dat in strijd is met het bestemmingsplan, bij een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of bij een omgevingsvergunning voor het aanleggen van werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. In het kader van de bouwomgevingsvergunning toetst de gemeente de aanvraag aan de bouwverordening en het bestemmingsplan waarin is geregeld welke parkeereis geldt. De parkeereis geeft aan hoeveel parkeerplaatsen er binnen de contouren van een bouwopgave moeten worden gerealiseerd teneinde te kunnen voldoen, al dan niet samen met benutting van reeds bestaande parkeervoorzieningen, aan de totale normatieve parkeerbehoefte – inclusief de mogelijkheden tot dubbelgebruik – volgend uit de samenstelling van functies en hun gebruikers.

Handhaving

Als een parkeereis opgelegd wordt in de afgifte van de omgevingsvergunning, zal dit door de gemeente gehandhaafd moeten worden en dan met name het feitelijk gebruik volgens de bestemming en de regels van het bestemmingsplan. Het komt veelvuldig voor dat de bewoners een garage ombouwen tot kamer of juist een deel van de tuin inrichten als parkeerplaats. Deze publiekrechtelijke handhaving van de parkeerbestemming en -gebruiksregels verloopt via hoofdstuk 5 Awb en hoofdstuk 5 Wabo.