Wm art. 11.20, 11.21 en 11.22
Bgm art. 29
Hoe gaat het proces van naleving in zijn werk? Om dit te verduidelijken, starten we met een wetsartikel dat de essentie van de systematiek weergeeft:
Wm art. 11.20: ‘De beheerder draagt zorg voor de naleving van de geluidproductieplafonds’
Dit betekent concreet dat de beheerder erop moet toezien dat de geluidproductieplafonds niet worden overschreden. Bij een dreigende overschrijding moet de beheerder onderzoeken met welke maatregelen een overschrijding voorkomen wordt. Als geluidreducerende maatregelen die nodig zijn om een overschrijding te voorkomen financieel niet doelmatig zijn, of als er andere overwegende bezwaren tegen de maatregelen zijn, kan de beheerder verzoeken om de plafonds te verhogen.
Jaarlijks berekenen de beheerders de geluidbelasting voor het voorgaande jaar op alle referentiepunten. In die berekening wordt uitgegaan van de actuele situatie voor wat betreft verkeersintensiteiten, wegdektype of type bovenbouwconstructie. Voor afschermende maatregelen geldt dat ze alleen meetellen in de berekening voor de naleving als ze in het geluidregister zijn opgenomen.
Het resultaat van de berekening wordt vergeleken met het vastgestelde geluidproductieplafond. Als de berekende geluidproductie minder dan 0,5 dB onder het GPP ligt, moet de beheerder aangeven wanneer een overschrijding van het GPP wordt verwacht. Als dit binnen 5 jaar is, moet de beheerder bovendien aangeven op welke manier hij de overschrijding wil voorkomen.
Een verslag van de bevindingen wordt ieder jaar op uiterlijk 1 oktober naar de Minister gestuurd. In dat nalevingsverslag staan de resultaten voor het voorafgaande kalenderjaar. Daarna wordt het nalevingsverslag openbaar gemaakt op internet via de websites van de beheerders. Het verslag is dus ook voor burgers toegankelijk.
Wanneer burgers van mening zijn dat de GPP’s niet worden nageleefd en daarop actie willen ondernemen, kunnen ze echter geen bezwaar of beroep aantekenen tegen het nalevingsverslag. Het nalevingsverslag is namelijk geen besluit in de zin van de Awb. Wel kunnen burgers in een dergelijk geval een verzoek tot handhaving indienen bij de minister. Een weigering om handhavend op te treden is namelijk wel een besluit in de zin van de Awb. Daartegen kan dus wel bezwaar en beroep worden ingesteld.
Voor jurisprudentie m.b.t. een verzoek tot handhaving van de GPP’s: zie ABRvS, 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:391, ABRvS, 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1725 en ABRvS, 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1001.
Binnen de werkruimte, dat wil zeggen zolang het GPP niet wordt overschreden, heeft de beheerder een zekere vrijheid die bijvoorbeeld gebruikt kan worden om de maximumsnelheid te verhogen. Dit is bevestigd in jurisprudentie:
ABRvS 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3877, Verkeersbesluit A13 bij Rotterdam
De zaak betreft een verhoging van de maximumsnelheid van 80 naar 100 km/h. De rechtbank Rotterdam vernietigde dat verkeersbesluit naar aanleiding van bezwaren van onder meer Milieudefensie. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister ten onrechte gebruikgemaakt van de wettelijke ruimte van 1,5 decibel extra geluid boven op de berekende geluidsproductie. Die extra geluidruimte van 1,5 decibel zou volgens de rechtbank niet structureel mogen worden gebruikt.
De minister besloot vervolgens om de maximumsnelheid terug te brengen naar 80 km/u, maar ging wel in beroep vanwege deze uitleg van het GPP-systeem. De minister betoogt dat het oordeel van de rechtbank, dat de 1,5 dB zogenoemde werkruimte slechts tijdelijk mag worden gebruikt en niet mag worden gebruikt voor het nemen van een verkeersbesluit, berust op een onjuiste uitleg van de Wet milieubeheer. Uit artikel 11.45, eerste lid, noch uit de Memorie van Toelichting volgt dat de verhoging met 1,5 dB slechts tijdelijk mag zijn en niet het gevolg mag zijn van verhoging van de maximumsnelheid. De Raad van State onderschrijft deze uitleg.
Ook de volgende uitspraak geeft inzicht in de vrijheid die een beheerder heeft in de naleving van de GPP’s:
ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:342, Tracébesluit Doorstroomstation Utrecht
In deze zaak betoogt appellant dat in het tracébesluit ten onrechte is uitgegaan van de inzet van stillere goederentreinen. Het tracébesluit gaat uit van een verdeling van 20% lawaaiig goederenmaterieel (categorie 4 van het Rmg 2012), en 80% stil goederenmaterieel (categorie 11 van het Rmg 2012).
Die verwachting is onder meer gebaseerd op de regelgeving in Duitsland, waar een groot deel van de passerende goederentreinen naartoe gaat of vandaan komt. Dit is echter niet het belangrijkste argument: de staatssecretaris beschouwt vooral de geluidproductieplafonds als waarborg tegen onaanvaardbare geluidhinder. De Raad van State onderschrijft dit. De spoorweggebruiker dient te voldoen aan de geluidproductieplafonds. Wanneer minder stil goederenmaterieel wordt ingezet dan waarvan is uitgegaan, betekent dit dat er minder treinen kunnen rijden. De geluidproductieplafonds worden dan immers eerder bereikt.