Wm art. 11.28
Wm art. 11.3 lid 2
Wm art. 11.32
Bgm art. 7
Wm art. 11.42
Bgm art. 35
De intentie van de wet is, zoals de naam al aangeeft, dat een GPP functioneert als een plafond, en dat daar dus niet aan getornd wordt. Er zijn echter omstandigheden waarin een wijziging van de GPP’s toch aan de orde is. Bij wijziging van GPP’s wordt tevens het geluidregister aangepast.
Procedureel gezien zijn er twee manieren om de GPP’s te wijzigen. Een ambtshalve wijziging van de GPP’s vindt plaats in projecten die onder de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding vallen. De wijziging van de GPP’s vormt dan geen aparte procedure, maar is onderdeel van een tracébesluit, wegaanpassingsbesluit of geluidplan. Voor andere typen projecten moet om de GPP’s te wijzigen een afzonderlijk verzoek worden ingediend. Het gaat dan bijvoorbeeld om projecten waarvoor een verkeersbesluit of wijziging van een bestemmingsplan aan de orde is. Een verzoek tot plafondwijziging kan alleen worden ingediend door de beheerder of door de gemeente. Op een dergelijk verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Minister van I&W is het bevoegd gezag.
Wijziging van het GPP gebeurt in de volgende gevallen:
om een overdrachtsmaatregel in het geluidregister op te nemen;
als uit het akoestisch onderzoek op woningniveau blijkt dat met de geluidreducerende maatregelen die voldoen aan de wettelijke verplichtingen, de geluidbelasting op de woningen niet wordt teruggebracht naar de norm;
als er bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen ten behoeve van de geluidsanering;
als de positie van referentiepunten wordt gewijzigd;
als er geluidreducerende maatregelen worden getroffen waardoor de GPP’s kunnen worden verlaagd, kan er een GPP-verlaging worden doorgevoerd op verzoek van de beheerder of de gemeente. In dit geval gaat het niet om een wettelijke verplichting; de beheerder of gemeente kan er zelf voor kiezen om een dergelijk verzoek tot GPP-verlaging te doen.
Bij een verhoging van het GPP op verzoek gelden twee voorwaarden. Ten eerste moet voor een weg of spoorweg die wordt aangelegd of vervangen, zijn voldaan aan de in de wet gestelde akoestische kwaliteit, tenzij daartegen overwegend technisch bezwaar is. Voor wegdekken betekent dit dat de geluidproductie niet hoger mag zijn dan die van een zoab-wegdek, voor spoorwegen geldt een minimale akoestische kwaliteit van ballastspoor met betonnen dwarsliggers. De tweede voorwaarde is dat een GPP niet mag worden verhoogd als het geldende GPP niet binnen 10 jaar volledig wordt benut. Als dit niet het geval zou zijn, zou er immers geen sprake zijn van een dreigende overschrijding.
Om een verzoek tot GPP-verlaging in te willigen, geldt als voorwaarde dat het gewijzigde plafond naar verwachting niet binnen 10 jaar volledig zal zijn benut. Deze voorwaarde is bedoeld om te zorgen dat er niet binnen 10 jaar opnieuw een plafondwijziging moet worden doorgevoerd.
Voor zowel een ambtshalve wijziging als voor een wijziging op verzoek geldt verder dat tegelijkertijd met de GPP-wijziging ook de geluidsanering moet zijn opgelost. Dit wordt vaak aangeduid als ‘gekoppelde sanering’. Het onderwerp ‘sanering’, en de voorwaarden die gelden voor gekoppelde sanering, worden verder behandeld in hoofdstuk 6.18 t/m 6.21.
Een verzoek tot vaststelling of wijziging van het GPP dient ten minste de volgende gegevens te bevatten:
een aanduiding van het gedeelte van de weg of spoorweg ten aanzien waarvan het verzoek wordt gedaan;
een aanduiding van het referentiepunt ten aanzien waarvan het verzoek wordt gedaan;
de gevraagde hoogte van het geluidproductieplafond;
de te verwachten geluidproductie op het referentiepunt ten minste tien jaar na het indienen van het verzoek;
de maatregelen die naar het oordeel van de beheerder op grond van artikel 11.29, eerste lid, van de wet in aanmerking moeten worden genomen. Conform dat artikel wordt een maatregel niet in aanmerking genomen als die niet financieel doelmatig is of als die stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard;
de maatregelen die naar het oordeel van de beheerder op grond van artikel 11.29, tweede en derde lid, van de wet in aanmerking kunnen worden genomen. Het gaat in die artikelen om maatregelen die niet financieel doelmatig zijn of maatregelen die niet zijn aangewezen als geluidbeperkende maatregel. Op uitdrukkelijk verzoek van de beheerder kunnen dergelijke maatregelen in het register worden opgenomen;
de brongegevens die horen bij de aangevraagde geluidproductieplafonds;
de resultaten van het akoestisch onderzoek;
een verklaring van de beheerder in hoeverre het betreffende gedeelte van de weg of spoorweg voldoet aan eisen met betrekking tot de akoestische kwaliteit;
indien er sprake is van cumulatie: een verslag van afstemming met de beheerders van andere geluidsbronnen over maatregelen die zouden kunnen worden getroffen om de effecten van de samenloop van de geluidbelasting vanwege de weg of spoorweg alsmede een andere geluidsbron te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.