Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Rmg 2012, hoofdstuk 3
Rmg 2012, bijlage III
De wijze waarop weg- en railverkeerslawaai wordt berekend of gemeten, staat in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg 2012). Het Rmg 2012 bestaat uit een aantal artikelen, gevolgd door in totaal zeven bijlagen. Voor weg- en railverkeersgeluid onder de Wet geluidhinder zijn bijlage III en bijlage IV de belangrijkste bijlagen. Daarin staan de regels voor het berekenen of meten van respectievelijk wegverkeersgeluid en railverkeersgeluid.
Voor akoestische onderzoeken die vanwege een wettelijke verplichting worden uitgevoerd, heeft in het gros van de gevallen het rekenen in de praktijk de voorkeur boven meten. Een van de voornaamste redenen is dat de toets aan de geluidnorm plaatsvindt voor de toekomstige situatie, na realisatie van het betreffende plan. Logischerwijze kan aan een situatie die nog niet bestaat ook nog niet gemeten worden. Een ander argument is dat de geluidbelasting vaak op een groot aantal woningen beoordeeld moet worden. Een meting op alle woningen uit het onderzoeksgebied is dan te tijdsintensief. Daarnaast is het in sommige gevallen lastig om stoorgeluid uit te sluiten, waardoor de beoogde bron niet apart kan worden gemeten.
Desondanks biedt het Rmg 2012 voor wegverkeer de mogelijkheid om de wettelijke toetsing van het geluid op een gevel op basis van een meting uit te voeren. De standaardmethode voor het meten van wegverkeersgeluid is beschreven in hoofdstuk 3 van bijlage III van het Rmg 2012. In deze meetmethode wordt tijdens een korte periode (minimaal 10 minuten) het equivalente geluidniveau op een gevel gemeten. Vervolgens wordt het resultaat omgerekend naar de jaargemiddelde verkeersintensiteiten om het Lden op de gevel te verkrijgen.
Voor railverkeersgeluid zijn er in hoofdstuk 6 van bijlage IV van het Rmg 2012 meetmethodes opgenomen voor het bepalen van de overdrachtsverzwakking en voor het meten van een brugtoeslag (het extra geluid dat een stalen brug veroorzaakt).
Voor het berekenen van zowel wegverkeersgeluid als railverkeersgeluid geeft het Rmg 2012 twee methodes. In de eenvoudigere methode Standaardrekenmethode 1 wordt de geluidbelasting alleen als totaalniveau berekend (dus niet per octaafband). Deze methode mag niet in alle situaties worden toegepast. Situaties waarin afscherming een rol speelt, vallen buiten het toepassingsbereik van Standaardrekenmethode 1.
Standaardrekenmethode 2 wordt daarom in de praktijk veel meer gebruikt. Daarin wordt het geluid spectraal berekend. Dat wil zeggen dat het geluidniveau voor de verschillende frequenties apart wordt berekend (per octaafband) en vervolgens opgeteld om de totale overall geluidbelasting te bepalen.

De rekenmethoden uit het Rmg 2012 hebben, zoals iedere rekenmethode, een bepaald toepassingsbereik. Daarom biedt het rekenvoorschrift de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de rekenmethoden. De gebruiker dient dus ook in de gaten te houden of de betreffende situatie valt binnen het toepassingsbereik van de rekenmethode.
Een onderzoek waarin dit onvoldoende was gemotiveerd, leidde tot de volgende jurisprudentie:

ABRvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1141, Tracébesluit Zuidasdok
In de geluidberekeningen in de akoestische rapporten die ten grondslag liggen aan het tracébesluit is geen rekening gehouden met de openingen tussen de brugdelen en de meerdere reflecties die optreden. Bij deze geluidberekeningen is standaardrekenmethode 2 toegepast. Uit paragraaf 7.3.3. van Rmg 2012, bijlage III leidt de Afdeling af dat bij meerdere reflecties of geluidschermen tegenover elkaar nader onderzoek in de vorm van praktijk- of schaalmodelmetingen mogelijk zou kunnen zijn.
De toelichting van de minister op de rekenmethode tijdens de zitting is door de geluiddeskundige van de appellant bestreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister daarmee onvoldoende inzichtelijk gemaakt of hier standaardrekenmethode 2 kan worden toegepast en zo ja hoe de geluidtoename vanwege reflecties en de open brugdelen is berekend.

Over de te rapporteren gegevens in het akoestisch onderzoek is de volgende uitspraak gedaan:

ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2938, Zuidelijke Ringweg Groningen
In hoofdstuk 1, paragraaf 3, van bijlage I bij het Rmg 2012 zijn inhoudelijke gegevens vermeld die in een akoestisch rapport moeten zijn opgenomen. De minister heeft ter zitting erkend dat de kaarten en gegevens niet voldoende informatie bevatten om het mogelijk te maken dat een deskundige het onderzoek en de in dat verband gehanteerde geometrische gegevens kan controleren en eventueel kan reproduceren. De minister betoogt dat appellanten, althans een door hen in te schakelen deskundige, een afspraak hadden kunnen maken met Rijkswaterstaat om de in het model ingevoerde gegevens te komen bekijken, of dat ze deze data bij Rijkswaterstaat hadden kunnen opvragen. Deze mogelijkheid is echter niet kenbaar gemaakt in het akoestisch rapport, in de stukken bij de bekendmaking of op enige andere wijze. De Afdeling acht deze toelichting daarom ontoereikend. De minister had deze gegevens ook op een andere wijze, bijvoorbeeld digitaal, beschikbaar kunnen stellen en in het rapport kunnen verwijzen naar de digitale beschikbaarheid van deze gegevens. Als die werkwijze op overwegende bezwaren zou stuiten, had de minister kenbaar kunnen maken dat deze gegevens zijn in te zien.