In de Aanbestedingswet 2012 kunnen een achttal procedures worden onderscheiden. In dit hoofdstuk komen deze achtereenvolgens aan de orde.
Geschikt en proportioneel
De Gids Proportionaliteit stelt in Voorschrift 3.4 A dat per opdracht moet worden bezien welke aanbestedingsprocedure voor die opdracht geschikt en proportioneel is.
De Gids Proportionaliteit geldt sedert 1 juli 2016 ook voor de speciale-sectorbedrijven.
Stcrt. 2016, 32830.
Voor de speciale sectorbedrijven was het regime ten aanzien van proportionaliteit aanvankelijk milder. Voor de speciale sectorbedrijven geldt overigens in het geheel een soepeler aanbestedingsregime. De bepalingen van deel 1 van de wet gelden uitdrukkelijk ook voor de speciale-sectorbedrijven.
Bij de keuze voor een te volgen aanbestedingsprocedure moet het op grond van artikel 1.4, eerste lid, Aw gaan om een objectieve keuze. Die keuze moet de aanbestedende dienst naar belanghebbenden kunnen motiveren (artikel 1.4, derde lid, Aw). In de Gids is aangegeven dat de aanbestedende dienst bij het maken van zijn keuze in ieder geval acht dient te slaan op de volgende aspecten:
de omvang van de opdracht;
de transactiekosten voor zowel de aanbestedende dienst als van de marktpartijen;
het aantal potentiële gegadigden;
het gewenste eindresultaat;
de complexiteit van de opdracht; en
het type van opdracht en het karakter van de markt.
Gids Proportionaliteit, Voorschrift 3.4.A.
Dit zijn allemaal aspecten van een opdracht die de inkopers van de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf dwingen een grondige kennis van de markt te hebben waarin zij de opdracht willen plaatsen. Deze aspecten zouden niet uit een Gids Proportionaliteit moeten volgen, maar vooral moeten voortvloeien uit de professionaliteit van de inkopers bij de aanbestedende diensten.
Opdrachten boven de Europese aanbestedingsdrempel
De delen 2, 2a en 3 van de Aw zijn alleen van toepassing op opdrachten van aanbestedende diensten, onderscheidenlijk speciale-sectorbedrijven met een geraamde waarde die de Europese drempelwaarden overschrijdt. Bij opdrachten met een geraamde waarde onder de drempel gelden de delen 2, 2a en 3 derhalve niet, maar gelden wel de regels en de normen als neergelegd in deel 1 van de wet.
Op grond van artikel 2.25 Aw past de aanbestedende voor het plaatsen van een overheidsopdracht met een geraamde waarde boven de Europese drempelwaarde in beginsel steeds de openbare of niet-openbare procedure toe. De aanbestedende diensten mogen, naast de openbare en niet-openbare procedure, ook medediningsprocedure met onderhandeling (artikel 2.30 Aw), de concurrentiegerichte dialoog (artikel 2.28 Aw) of de nieuwe procedure van het innovatiepartnerschap (2.31a Aw) volgen. De Europese wetgever heeft deze laatste drie (nieuwe) procedures toegevoegd om meer innovatie uit te lokken. Met de introductie van deze drie op innovatie gerichte procedures heeft de Europese wetgever de behoefte aan flexibiliteit gehonoreerd.
Overweging 42 richtlijn 2014/24/EU.
De drie procedures staan weliswaar achter elkaar, maar zijn verschillend in hun toepasbaarheid.
De onderhandelingsprocedure zonder aankondiging mag door aanbestedende diensten alleen in een limitatief aantal in de wet genoemde gevallen worden toegepast. De prijsvraag is eveneens een bijzondere procedure. Hieronder zal ook op deze procedure nader worden ingegaan.
Opdrachten onder de Europese aanbestedingsdrempel
De nationale procedure en de meervoudige onderhandse procedure zijn specifieke procedures voor overheidsopdrachten met een geraamde waarde onder de Europese aanbestedingsdrempel.