‘De integriteit van het openbaar bestuur is niet van nature gegeven. En als ik over dat begrip denk, gaat het mij daarbij niet zozeer om fraude of corruptie in het bestuur, maar vooral om ‘machtsbederf ’ Fraude en corruptie zijn zwaarbeladen termen, die een afgebakende strafrechtelijke inhoud hebben. Machtsbederf is breder, het draagt het element van ontbinding, verval, vervaging van normen, in zich’, zei minister Dales destijds.
Citaat uit de in 1992 door minister C.I. Dales gehouden toespraak voor VNG-congres te Apeldoorn, aangehaald door J.J. van Aartsen ‘Jullie hebben er geen biet van gebakken’ in: ‘Een beetje integer bestaat niet – Minister Ien Dales – Een leven tussen geloof en dienen’, Th. Dragt, L.A. Spaans en J. Peters (red.), ’s-Gravenhage: CAOP 2004, p. 44.
Het gaat hier om het zijn van een betrouwbare overheid. Een overheid waar marktpartijen op kunnen vertrouwen; een overheid die handelt op een betrouwbare, objectieve, transparante en non-discriminatoire wijze. Dit betekent dat de overheid over middelen moet beschikken om niet-integere marktpartijen buiten de deur te houden.
Wet BIBOB
Daarnaast is het ook mogelijk een zogenaamd BIBOB-onderzoek naar een persoon of een rechtspersoon te laten uitvoeren. De Wet BIBOB tracht in een wettelijk kader alle situaties te vatten waar de overheid – in brede zin – in aanraking komt met al dan niet georganiseerde vormen van criminaliteit.
Wet van 20 juni 2002, houdende regels inzake de bevordering van integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur met betrekking tot beschikkingen en overheidsopdrachten (Stb. 2002, 347).
De overheid moet haar eigen integriteit in relatie met derden kunnen borgen. Het betreft hierbij zowel haar bestuurlijke rol als vergunningverlener en subsidieverstrekker, als haar privaatrechtelijke rol als contractspartij bij aanbestedingen en andere verbintenissen.
Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p.2 (MvT Wet BIBOB).
De resultaten van een BIBOB-onderzoek bleken voor de overheid in haar privaatrechtelijke rol niet altijd even bruikbaar.
Zie meer uitgebreid in: Van Romburgh, H.D., ‘Op weg naar een nieuw aanbestedingsrechtelijk kader in Nederland’, a.w., p. 339 e.v.
Uniform Europees Aanbestedingsdocument
In de Aanbestedingswet 2012 is de wetgever aan het niet voldoende kunnen borgen van integriteit tegemoet gekomen. In de Aanbestedingswet 2012 is een ‘Gedragsverklaring aanbesteden’ geïntroduceerd.
In hoofdstuk 4.1. van de Aanbestedingswet 2012 wordt het proces ten aanzien van het afgeven van de Gedragsverklaring aanbesteden beschreven. De beslissing omtrent de afgifte van een Gedragsverklaring aanbesteden wordt aangemerkt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, Awb (artikel 4.3 Aw). Een geschil over het wel of niet verlenen van de verklaring is daarmee geen zaak van de aanbestedende dienst, maar van de Dienst Justis van het ministerie Justitie en Veiligheid.
De Gedragsverklaring aanbesteden heeft een geldigheid van twee jaar.
De Gedragsverklaring aanbesteden geldt als een dwingend bewijs voor aanbestedende diensten dat de uitsluitingsgronden die betrekking hebben op onherroepelijke veroordelingen, als bedoeld in de artikelen 2.86 en 2.87 Aw, niet op die marktpartij van toepassing zijn (artikel 1.20 Aw). Eenzelfde bepaling bevat artikel 2.89 van de wet.