Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Artikel 2.13 (verordening bouwproducten)

Handelen in strijd met de plichten die voortvloeien uit de verordening bouwproducten is verboden.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst een instelling aan die adviezen uitbrengt over de geschiktheid van technische beoordelingsinstanties als bedoeld in artikel 29 van de verordening bouwproducten.

Een technische beoordelingsinstantie toont aan de instelling aan dat zij voor de productgebieden, bedoeld in bijlage IV, tabel 1, bij de verordening bouwproducten, voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in tabel 2 van die bijlage.

De instelling stelt een procedure op voor de aanmelding en de beoordeling van en het toezicht op technische beoordelingsinstanties en maakt jaarlijks een actueel overzicht van aangemelde technische beoordelingsinstanties openbaar.

De aanmeldende autoriteit, bedoeld in artikel 40 van de verordening bouwproducten, brengt advies uit aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de geschiktheid van aangemelde instanties als bedoeld in artikel 39 van die verordening.

De aangemelde instantie toont aan dat zij voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 43 van de verordening bouwproducten.

De instelling en de aanmeldende autoriteit informeren Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onverwijld als zij van oordeel zijn dat een technische beoordelingsinstantie of een aangemelde instantie de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft of niet meer aan de voorwaarden voor die aanwijzing voldoet.

Een prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten wordt in de Nederlandse taal verstrekt.

Instructies en informatie als bedoeld in de artikelen 11, zesde en achtste lid, 13, vierde en negende lid, en 14, tweede en vijfde lid, van de verordening bouwproducten zijn in de Nederlandse taal gesteld.

 

Gedragingen in strijd met de verordening zijn verboden. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is op grond van dit artikel belast met de handhaving van dit verbod. De minister heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport hiervoor gemandateerd. Volgens de Wet economische delicten is handelen in strijd met de verordening een strafbaar feit.151

Onder de Woningwet is een deel van de regels over CE-markeringen van bouwproducten en kwaliteitsverklaringen bouw opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en een ander deel in de daarmee samenhangende ministeriële Regeling Bouwbesluit 2012. Naar huidig inzicht is het gewenst deze regels bij elkaar in één document op te nemen. Dat bevordert de toegankelijkheid en inzichtelijkheid van die regels. Daarom worden nu ook de regels die voorheen in de ministeriële regeling over deze onderwerpen waren opgenomen, door deze wijziging opgenomen in het Bbl. Inhoudelijk blijven zij ongewijzigd.152

Artikel 2.14 (toepassing CE-markering en kwaliteitsverklaringen bouw)

Als een bouwproduct waarop een CE-markering als bedoeld in artikel 8 van de verordening bouwproducten is aangebracht, aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die verordening.

Als een bouwproduct moet voldoen aan bepaalde prestaties die niet onder een in artikel 2, elfde lid, van de verordening bouwproducten bedoelde geharmoniseerde norm vallen, zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.

Als een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt uitgevoerd voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproces is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.

 

In het eerste lid van dit artikel is bepaald wanneer aan de eisen van dit besluit is voldaan. Een CE-markering biedt een zogenoemd vermoeden van conformiteit. Met andere woorden, de toezichthouder mag er in beginsel en zonder verdere controle op vertrouwen dat de prestaties zoals aangegeven in de prestatieverklaring correct zijn. Wanneer een fabrikant bijvoorbeeld in de prestatieverklaring verklaart dat de druksterkte van een partij bakstenen x N/mm² bedraagt en in de constructieberekeningen voor een bouwwerk wordt uitgegaan van bakstenen met deze sterkte, dan vormt de prestatieverklaring op dat punt voldoende bewijs.

In het tweede lid is bepaald dat alleen voor die gevallen waarin er geen geharmoniseerde norm is (en dus ook geen CE-markering) een kwaliteitsverklaring bouw voldoende bewijs vormt dat aan de eisen van dit besluit is voldaan. Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor prestaties met betrekking tot de essentiële kenmerken die zijn opgenomen in een Europese technische specificatie de CE-markering het enige merkteken is dat kenbaar maakt dat het product in overeenstemming met deze prestaties is. Alleen zolang er geen geharmoniseerde norm is of de fabrikant geen Europese technische beoordeling heeft laten uitvoeren, mag deze fabrikant nog gebruik mag maken van een kwaliteitsverklaring bouw op die onderdelen waarvoor al wel een CE-markering bestaat. Op het moment dat die geharmoniseerde norm beschikbaar komt of wanneer een Europese technische beoordeling is afgegeven voor dat product, moet de kwaliteitsverklaring bouw alsnog vervallen. Op dat moment kan alleen nog een kwaliteitsverklaring bouw worden afgegeven voor die kenmerken die niet in de CE-markering zijn opgenomen. Kwaliteitsverklaringen bouw mogen niet worden gebruikt als alternatief voor de CE-markering, en ook niet als aanvullend bewijs voor een prestatie op een essentieel kenmerk dat valt onder de CE-markering.

In het derde lid is een soortgelijke eis opgenomen voor een bouwproces, voor die gevallen dat er geen harmoniseerde norm (en dus ook geen CE-markering) is die op dat proces toeziet. Als een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het proces wordt uitgevoerd voldoet aan de eisen van dit besluit, dan is daaraan voldaan als dat bouwproces is toegepast in overeenstemming met een op die eisen toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.153

 

Artikel 2.15 (erkenning kwaliteitsverklaringen bouw)

Kwaliteitsverklaringen bouw als bedoeld in artikel 2.14, tweede en derde lid, worden afgegeven op basis van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt de voorwaarden vast waaronder kwaliteitsverklaringen bouw worden afgegeven.

 

Met dit artikel is verduidelijkt dat kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 2.14, tweede en derde lid, alleen mogen worden afgegeven op grond van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.154

Artikel 2.15a (Verordening (EU) 2019/1020)

Het is verboden een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is in de handel te brengen in strijd met artikel 4, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020.

Het is een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening (EU) 2019/1020 verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 4, derde en vierde lid, van verordening (EU) 2019/2010.

Het is een gemachtigde als bedoeld in artikel 3, onder 12, van verordening (EU) 2019/1020 verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 5, tweede lid, tweede zin, van verordening (EU) 2019/1020.

Het is een marktdeelnemer verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020.

Het is een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij verboden met betrekking tot een product waarop de verordening bouwproducten van toepassing is, te handelen in strijd met artikel 7, tweede lid, van verordening 2019/1020.

 

Er is een verbod om te handelen in strijd met bepaalde artikelen van de markttoezichtverordening. Het verbod is toegespitst op de Verordening bouwproducten.155 Die verordening valt onder de reikwijdte van de markttoezichtverordening en wordt uitgevoerd in het Bbl. De bepaling in het Bbl heeft uitsluitend betrekking op eisen die voortvloeien uit de Verordening bouwproducten en op de wijze waarop toezicht en handhaving plaatsvindt ten aanzien van die eisen. De verboden in het Bbl zien op de artikelen 4, 5 en 7 van de markttoezichtverordening.156

Het stelsel van kwaliteitsborging houdt vereenvoudigd het volgende in. Voor bouwwerken uit gevolgklasse 1 (o.a. grondgebonden woningen) is geen omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit vereist. In de plaats daarvan moet de initiatiefnemer een bouwmelding onder kwaliteitsborging bij de gemeente indienen. In de bouwmelding staat welke kwaliteitsborger tijdens de bouw toezicht houdt en aan de hand van welk instrument voor kwaliteitsborging (beoordelingsmethodiek) hij toezicht houdt. Bij de bouwmelding moet een risicobeoordeling en een borgingsplan van de kwaliteitsborger. In de risicobeoordeling staat welke bouwtechnische risico’s de kwaliteitsborger ziet en in het borgingsplan schrijft de kwaliteitsborger op hoe hij met die risico’s omgaat. Zonder verklaring van de kwaliteitsborger dat het gerealiseerde bouwwerk bouwtechnisch voldoet, is geen rechtsgeldige gereedmelding mogelijk en mag het bouwwerk van rechtswege niet in gebruik worden genomen.157

Artikel 2.16 (normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

In dit artikel is – in lijn met gelijkluidende artikelen uit hoofdstukken 3 tot en met 7 van het Bbl – ingevoegd, waaruit blijkt wie moet voldoen aan de regels in deze afdeling. Gezien het zeer algemene karakter van de andere regels in hoofdstuk 2, was in dit hoofdstuk eerder nog geen artikel over de normadressaat opgenomen. Op grond van dit artikel moet aan de regels van deze afdeling worden voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Daaronder wordt ook degene verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander. Dit is in lijn met de uitleg die in hoofdstuk 4 (nieuwbouw) in het Bbl aan het gelijkluidende artikel is gegeven. Bij het bouwen van een nieuw bouwwerk zijn in het algemeen de opdrachtgever en de bouwer van het bouwwerk de partijen die aan deze regels moeten voldoen. In de praktijk kan het dus betekenen dat er bij een bepaalde activiteit meerdere personen tegelijk onder de werking van de regels vallen. Het bevoegd gezag kan een ieder die (laat) bouwt (en) aanspreken. Wie in de praktijk hieraan gevolg moet geven zal in een dergelijk geval ook afhangen van de tussen betrokkenen gemaakte (privaatrechtelijke) afspraken.158

Artikel 2.17 (bouwactiviteiten die onder het stelsel van kwaliteitsborging vallen)

Categorieën bouwwerken als bedoeld in artikel 7ab, eerste lid, van de Woningwet zijn bouwactiviteiten die vallen onder gevolgklasse 1 als bedoeld in het tweede lid.

Een bouwactiviteit valt onder gevolgklasse 1 als:

de bouwactiviteit geen rijksmonument, voorbeschermd rijksmonument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument betreft;

de bouwactiviteit alleen ten dienste staat van een gebruiksfunctie als bedoeld in het derde lid;

de bouwactiviteit niet betreft een bouwwerk waar voor het in gebruik nemen of gebruiken van het bouwwerk een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, is vereist;

bij de bouwactiviteit geen gelijkwaardige maatregel wordt toegepast in verband met een in dit besluit uit het oogpunt van constructieve veiligheid of brandveiligheid gestelde regel;

bij de bouwactiviteit geen toepassing is gegeven aan NEN 6060 of NEN 6079 bij het bepalen van de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment;

de bouwactiviteit niet betreft een bouwwerk dat behoort tot een geval waarin een milieubelastende activiteit vergunningplichtig is op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, is:

een niet in een woongebouw gelegen grondgebonden woonfunctie, niet zijnde een woonfunctie voor zorg of een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, en nevenfuncties daarvan;

een woonfunctie en nevenfuncties daarvan, voor zover het bouwwerk een drijvend bouwwerk betreft;

een niet in een logiesgebouw gelegen grondgebonden logiesfunctie;

een industriefunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, voor zover het bouwwerk uit niet meer dan twee bouwlagen bestaat;

een industriefunctie als nevengebruiksfunctie van een andere gebruiksfunctie, voor zover gelegen in een bijbehorend bouwwerk van niet meer dan twee bouwlagen;

een bovengronds gelegen bouwwerk geen gebouw zijnde voor een infrastructurele voorziening bestemd voor langzaam verkeer, voor zover niet gelegen over een rijks- of provinciale weg en met een te overbruggen afstand van niet meer dan 20 meter; of

een ander bovengronds gelegen bouwwerk geen gebouw zijnde dat niet hoger is dan 20 meter, met uitzondering van een infrastructurele voorziening bestemd voor verkeer anders dan bedoeld onder f en bouwwerken met een waterkerende functie.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwactiviteiten die verbouwen betreffen.

 

In dit artikel is het bepaalde in artikel 7ab, tweede lid, van de Woningwet uitgewerkt. Dit artikel somt limitatief op welke typen te bouwen bouwwerken onder gevolgklasse 1 vallen. Aan de hand van vijf criteria wordt bepaald of een te bouwen bouwwerk valt onder deze gevolgklasse. 159

1. Geen beschermd monument

Beschermde monumenten en archeologische monumenten vallen buiten het stelsel van kwaliteitsborging. Het gaat hierbij niet alleen om de rijksmonumenten maar ook om de krachtens of overeenkomstig een gemeentelijke of provinciale verordening aangewezen beschermde monumenten en archeologische monumenten en de monumenten en archeologische monumenten waarvoor de aanwijzingsprocedure nog niet is afgerond (voorbeschermde monumenten).160

2. Gebruiksfuncties

Het bouwwerk dient in de tweede plaats uitsluitend een van de in het tweede lid aangewezen gebruiksfuncties te hebben. Daarbij dient te worden gekeken naar de gebruiksfunctie van het gehele bouwwerk. Een combinatie van gebruiksfuncties is daarbij niet mogelijk. Dergelijke bouwwerken zullen vallen onder een hogere (nog vast te stellen) gevolgklassen. Het bouwwerk dient te worden gebruikt voor een van de volgende functies:

 

bewoning en nevenfuncties daarvan. Daarbij dient de woning geen onderdeel te zijn van een appartementencomplex en op de grond gebouwd te zijn (grondgebonden). Dat betekent dat een woning in een flatgebouw, of op een kantoorgebouw, een parkeerdek of een winkelpand hier niet onder valt. Verder zijn zorgwoningen (woonfunctie voor zorg) en woningen bestaande uit meer dan vijf wooneenheden (woonfunctie voor kamergewijze verhuur) die afzonderlijk worden bewoond, uitgezonderd. Een nevenfunctie is volgens de definitie een gebruiksfunctie die ten dienste staat van de woonfunctie. Gedacht kan worden aan een garage, schuur of kantoor aan huis.

het bewonen, en bijbehorende nevenfuncties, van een woonboot.

het verblijven in een recreatiewoning.

het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden, en bijbehorende nevenfuncties. Het gebouw dient daarbij niet meer dan twee bouwlagen, begane grond en eerste verdieping, te hebben. Gedacht kan worden aan kassen, bedrijfshallen en werkplaatsen. Nevenfunctie kunnen bijvoorbeeld een kleine kantoorfunctie of bijeenkomstfunctie, zoals een kantine, zijn.

Een gebruiksfunctie als bedoeld onder d als nevenfunctie van een andere gebruiksfunctie, voor zover gelegen in een bijbehorend bouwwerk van niet meer dan twee bouwlagen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de (uitbreiding van) een magazijn bij een winkel. Een dergelijk magazijn valt separaat gebouwd onder de lichte industriefunctie en daarmee onder gevolgklasse 1. Door dit voorschrift valt een magazijn ook onder gevolgklasse 1 als het geblouwd wordt bij een gebruiksfunctie die zelf niet onder gevolgklasse 1 valt.

Bij deze gebruiksfunctie kan worden gedacht aan bijvoorbeeld bruggen voor voetgangers, fietsers, rolstoelgangers en bromfietsers.

Hierbij gaat het om andere bouwwerken dan die voor infrastructurele bouwwerken voor langzaam verkeer als bedoeld onder f, die niet hoger zijn dan 20 meter. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld kademuren en voorzieningen voor het overbruggen van hoogteverschillen, gemalen en afvalcontainers (voor zover niet vergunningvrij). Bouwwerken als tv-masten of windmolens zijn hiervan als gevolg van de beperking in de hoogte uitgezonderd. Waterkerende constructies, zoals stuwen en sluizen, zijn ook uitgesloten van gevolgklasse 1.161

 

3. Geen gebruiksmelding of vergunning voor brandveilig gebruik

In de derde plaats gaat het om bouwwerken waarvoor geen gebruiksmelding voor brandveilig gebruik is vereist. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat onder de gebruiksmeldingsplicht ook kunnen vallen: bouwwerken die geen gebouw zijn, zoals tribunes, tenten en andere bouwwerken, die in het kader van bijvoorbeeld evenementen worden geplaatst.162

4. Geen toepassing gelijkwaardige oplossing brand- en constructieve veiligheid

Verder is in het vierde criterium geregeld dat bouwwerken ten aanzien waarvan voor het bouwen of verbouwen een gelijkwaardige oplossing wordt toegepast ten aanzien van brand- en constructieve veiligheid, ook niet onder gevolgklasse 1 vallen. Daarmee werkt in het kader van de vaststelling van de gevolgklasse de uitzondering voor gelijkwaardige oplossingen wordt gesteld voor de gebruiksmelding, niet door ten aanzien van de regels met betrekking tot brand- en constructieve veiligheid.163

 

5. Geen omgevingsvergunning nodig uit oogpunt van bescherming van het milieu

Het vijfde criterium is dat voor de inrichting of het mijnbouwwerk waartoe het bouwwerk behoort, geen omgevingsvergunning voor het in werking hebben van de inrichting is vereist. Deze vergunning is vereist uit oogpunt van de bescherming van het milieu. Bouwwerken die onderdeel zijn van dergelijke inrichtingen worden volgens de Eurocodes in de hoogste gevolgklasse (CC3) geplaatst als het gaat om constructieve veiligheid. Om deze reden worden bouwactiviteiten aan deze bouwwerken niet onder gevolgklasse 1 gebracht.164

In het tweede lid, onder e, is opgenomen dat een bouwactiviteit niet onder gevolgklasse 1 valt als toepassing is gegeven aan NEN 6060 of NEN 6079 bij het bepalen van de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment. Dit is een verbijzondering van een gelijkwaardige maatregel die niet bestaat. Onder het Bbl is met aansturing van NEN 6060 of NEN 6079 geen sprake meer van gelijkwaardigheid en zouden grote brandcompartimenten dus wel onder gevolgklasse 1 vallen, wat niet de bedoeling is. Dit onderdeel regelt daarom dat een bouwactiviteit niet onder gevolgklasse 1 valt als toepassing is gegeven aan NEN 6060 of NEN6079. Verschillen verband houdende met de terminologie en verwijzingen zijn bijvoorbeeld monumenten, nevengebruiksfunctie, de verwijzing naar de vergunningplicht voor een milieubelastende activiteit en bouwactiviteiten die onder gevolgklasse 1 vallen.165

In de internetconsultatieversie van het Ingebruiknamebesluit Bbl wordt artikel 2.17 Bbl als volgt gewijzigd:

 

Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

In de aanhef wordt na “Een bouwactiviteit valt onder gevolgklasse 1 als” ingevoegd: op grond van artikel 2.25 of artikel 2.26 hierop het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten van toepassing is en”.

Onderdeel a komt te luiden:

de bouwactiviteit geen gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument betreft;

In onderdeel e wordt na de puntkomma ingevoegd: en

Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

In de aanhef wordt “De gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid” vervangen door “Een gebruiksfunctie als bedoeld in het tweede lid”.

In de onderdelen f en g wordt “meter” vervangen door “m”.

 

Aan de aanhef van artikel 2.17 lid 2 Bbl zal worden toegevoegd dat een bouwactiviteit alleen kan vallen onder gevolgklasse 1 als het een bouwactiviteit betreft die op grond van artikel 2.25 of 2.26 vergunningplichtig is. Dit om te verduidelijken dat vergunningvrije bouwactiviteiten niet alsnog onder de meldingsplicht vallen.

Artikel 2.18 (bouwmelding)

Onverminderd artikel 7.7 is het verboden een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.17 uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de bouwwerkzaamheden te melden.

Als de bouwactiviteit niet begint binnen een jaar na de melding, is het verboden de bouwactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan opnieuw te melden.

Een melding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

 

Bouwactiviteiten die onder gevolgklasse 1 vallen, zijn meldplichtig. In het Bbl is niet expliciet vermeld wie de bouwmelding moet doen. Op grond van de Awb zullen dit partijen zijn die hierbij belang hebben zoals de opdrachtgever/initiatiefnemer, de aannemer of een gemachtigde van een van beiden. Het tweede regelt dat de melding één jaar geldig is en dat daarna opnieuw een melding moet worden gedaan. In dat jaar gelden de regels zoals die golden ten tijde van de melding, zie artikel 8.3 Bbl, voor dit overgangsrecht. Het derde lid staat dat een of meerdere bouwactiviteiten op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen tegelijk kunnen worden gemeld. Dit geldt ook voor het gereedmelden van de bouwactiviteit, die kan ook zien op een of meerdere bouwactiviteiten (artikel 2.21).166

In de internetconsultatieversie van het Ingebruiknamebesluit Bbl wordt artikel 2.18 Bbl als volgt gewijzigd:

Onder vernummering van het eerste tot en met derde lid tot tweede tot en met vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 geldt voor een bouwactiviteit die valt onder gevolgklasse 1 niet het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten.

In het tweede lid (nieuw) wordt “een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.17 uit te voeren” vervangen door “een bouwactiviteit als bedoeld in het eerste lid te verrichten”.

 

Aan artikel 2.18 Bbl wordt een nieuw eerste lid toegevoegd dat regelt dat meldingsplichtige bouwactiviteiten niet alsnog bouwtechnisch vergunningplichtig zijn.

Artikel 2.19 (gegevens en bescheiden bij bouwmelding)

Een melding als bedoeld in artikel 2.18 wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die het bouwwerk bouwt;

als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: de naam, het adres en het telefoonnummer van de gemachtigde;

als de melding elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de degene die het bouwwerk bouwt of de gemachtigde;

de dagtekening;

het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

een beschrijving van de bouwactiviteit, met inbegrip van de gebruiksfunctie van het bouwwerk;

gegevens betreffende de kwaliteitsborger en het te gebruiken instrument voor kwaliteitsborging, bedoeld in artikel 7ab, derde lid, van de Woningwet;

een risicobeoordeling van het bouwproject met het oog op het voorkomen of beperken van risico’s die van invloed kunnen zijn op het voldoen aan de regels voor de bouwactiviteit, bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5; en

het borgingsplan, bedoeld in artikel 3.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voor zover van toepassing wordt in de risicobeoordeling ten minste rekening gehouden met bijzondere lokale omstandigheden, zoals die zijn vastgesteld in lokaal beleid, anderszins kenbaar zijn gemaakt of redelijkerwijs bekend zijn.

Dit artikel bepaalt welke gegevens en bescheiden bij de bouwmelding moeten worden verstrekt door degene die het bouwwerk bouwt of laat bouwen (zie artikel 2.16). De initiatiefnemer draagt zorg voor het bij de bouwmelding aanleveren van diverse gegevens en bescheiden, waaronder de risicobeoordeling en het borgingsplan. De gemeente kan op basis van deze gegevens en bescheiden haar toezichts- en handhavingsstrategie voor dit concrete project inrichten. Deze gegevens en bescheiden geven de gemeente inzicht in de locatie, het type bouwwerk, het toe te passen instrument voor kwaliteitsborging en de kwaliteitsborging. Bij de melding moet daarnaast een risicobeoordeling zoals bedoeld in artikel 2.19 en het borgingsplan zoals bedoeld in artikel 3.80 Bkl worden gevoegd. Zowel de risicobeoordeling die als basis dient voor het borgingsplan van de kwaliteitsborging als het borgingsplan zelf moeten worden ingediend met de melding. De twee documenten zijn aparte indieningsvereisten, maar deze documenten zullen in de praktijk allebei in het voortraject zijn vastgesteld door de kwaliteitsborger. De risicobeoordeling moet concreet ingaan op de specifieke bouwtechnische risico’s die bij het bouwproject spelen. Daartoe moet in ieder geval rekenschap worden gegeven van de wijze waarop eventuele bekende bijzondere lokale omstandigheden hierin zijn meegenomen. Deze beoordeling moet volledig zijn bij indiening. Het hoe met deze risico’s wordt omgegaan is een zaak van de bouwer en de kwaliteitsborger. Uiteraard werken de eerder geconstateerde risico’s hier wel in door, maar op de werkzaamheden van de kwaliteitsborger zelf heeft de gemeente geen inhoudelijke bemoeienis.167

 

Een onvolledige melding waarbij een onderdeel, zoals de risicobeoordeling ontbreekt of niet voldoet aan de gestelde eisen168, is in juridische zin geen melding. Dit betekent dat de bouw niet mag beginnen totdat die melding wel volledig is. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om een correcte en volledige melding te doen waardoor het verbod om te bouwen na vier weken wordt opgeheven en de bouw kan beginnen. Eerst zal een nieuwe melding gedaan moeten worden waarna – indien deze wel volledig is – de vierwekentermijn start. Op een melding volgt – los van een eventuele niet-inhoudelijke ontvangstbevestiging vanuit het digitale systeem – geen bevestiging of goedkeuring van het bevoegd gezag. Als het bevoegd gezag echter constateert dat er zaken ontbreken of onjuist zijn, bijvoorbeeld het ontbreken of onvolledig zijn van een risicobeoordeling, ligt het in de rede dat het bevoegd gezag op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur de initiatiefnemer hiervan in kennis stelt binnen de termijn van vier weken.169

 

Eventueel kan dit direct gepaard gaan met de waarschuwing van het bevoegd gezag dat zonder het alsnog doen van een volledige melding de bouw niet kan beginnen en dat kan worden gehandhaafd op het beginnen met de bouwwerkzaamheden zonder voorafgaande melding. Indien de initiatiefnemer binnen de termijn van vier weken geen signaal van de gemeente ontvangt dat de melding onvolledig is, ontstaat er in beginsel een gerechtvaardigd vertrouwen dat de melding procedureel correct is gedaan en dat met de bouwwerkzaamheden mag worden begonnen. Dit neemt niet weg dat de bouwwerkzaamheden en het bouwwerk te allen tijde aan de bouwtechnische eisen moeten voldoen en bij afwijking daarvan, ongeacht de inhoud van de oorspronkelijke melding, een handhavingstraject kan worden gestart gericht op herstel. Een handhavingsinstrument zal uiteraard afgestemd moeten worden op de ernst van de overtreding.170

Artikel 2.20 (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)

Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, worden gegevens en bescheiden verstrekt over specifieke bouwwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd als dit bijzonder is aangewezen met het oog op het voorkomen en of beperken van risico’s die van invloed kunnen zijn op het voldoen aan de regels voor de bouwactiviteit, bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om in bijzondere situaties waarin bepaalde specifieke risico’s spelen die van invloed kunnen zijn op het voldoen van de bouwactiviteit aan de bouwtechnische regels a) meer informatie op te vragen tijdens de bouw, en b) informatie op te vragen over de momenten van het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden (zoals het storten van het beton). Dit met het oog op het verder versterken van de informatiepositie van het bevoegd gezag en zodat de toezichts- en handhavingsstrategie voor het concrete project goed kan worden ingericht. De gemeente kan verzoeken om informatie te verstrekken over specifieke bouwwerkzaamheden. Dit kan na het ontvangen van de melding maar ook tijdens de bouw. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt om in bijzondere situaties aanwezige informatie over bepaalde onderdelen van de werkzaamheden op te vragen, inclusief het moment van uitvoering van met bepaalde risico’s samenhangende werkzaamheden. Het verzoeken om informatie is alleen mogelijk als dat in het bijzonder is aangewezen met het oog op het voorkomen van of beperken van risico’s. In de regel zal de bevoegdheid om aanvullende informatie op te vragen alleen ingezet hoeven te worden als er sprake is van bijzondere lokale omstandigheden die in de risicobeoordeling (als bedoeld in artikel 2.19) zijn opgenomen én waar later in het proces het bevoegd gezag nog aanvullende informatie noodzakelijk acht. In het overgrote deel van de gevallen zal de informatie die eerder in het proces bij de melding en de daarbij behorende risicobeoordeling is ingediend voldoende zijn. Op basis van de verkregen informatie kan het bevoegd gezag vervolgens zijn toezichts- en handhavingstaak verder inrichten en zo nodig het reguliere handhavingsinstrumentarium hierbij inzetten.171

Artikel 2.21 (gereedmelding bouwactiviteit)

Het is verboden het bouwwerk of de bouwwerken die onderdeel uitmaken van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.17 in gebruik te nemen zonder dit ten minste twee weken voor het feitelijk in gebruik nemen te melden.

De melding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden van de gerealiseerde activiteit:

de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die de bouwmelding, bedoeld in artikel 2.18 heeft gedaan;

de dagtekening;

het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waar de bouwactiviteit is uitgevoerd;

de verklaring van de kwaliteitsborger, bedoeld in artikel 3.86, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbij voor zover van belang, wordt ingegaan op maatregelen om bouwtechnische risico’s te voorkomen of te beperken als bedoeld in artikel 3.80, tweede lid, van dat besluit;

gegevens en bescheiden waaruit de gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en de afmetingen en de bezetting van alle ruimten, inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie blijkt;

gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde eisen in relatie tot:

1°. de belasting en belastingcombinaties van de constructieve delen hiervan en van het geheel;

2°. de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen van de bouwconstructie;

3°. de luchtverversing;

4°. de energiezuinigheid;

5°. de milieuprestatie;

gegevens en bescheiden over de brandveiligheid als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, onder d, onder 4° en 5°; en

gegevens en bescheiden over toegepaste gelijkwaardige maatregelen.

 

Bij de gereedmelding van een bouwactiviteit dient de informatie, genoemd in het tweede lid, bij het bevoegd gezag aangeleverd te worden. De gereedmelding kan zien op een of meerdere bouwactiviteiten. De aan te leveren gegevens en bescheiden zijn noodzakelijk bij de bouw van het bouwwerk en bij oplevering dus al beschikbaar. Ze hoeven niet apart opgesteld te worden. De beschikbare informatie wordt (digitaal) aan het bevoegd gezag aangeleverd. Het is daardoor niet noodzakelijk een bewaarplicht voor de eigenaar te introduceren. Een belangrijk onderdeel van deze informatie is de verklaring van de kwaliteitsborger over het gerealiseerde bouwwerk. Daarin legt de kwaliteitsborger vast dat de bouwactiviteit naar zijn oordeel voldoet aan de bouwtechnische voorschriften. Bij de gereedmelding krijgt de gemeente de verklaring van de kwaliteitsborger dat gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de bouwactiviteit voldoet aan de bouwtechnische voorschriften. Daarnaast ontvangt de gemeente het dossier bevoegd gezag met informatie die nodig is voor het toezicht op het alsdan gerealiseerde bouwwerk. In aanvulling hierop wordt, voor zover van belang, ook informatie verstrekt waarin wordt ingegaan op de getroffen maatregelen om bouwtechnische risico’s te voorkomen of te beperken. De exacte vorm van deze informatie zal afhankelijk zijn van de specifieke maatregelen en zal inzicht moeten geven in het eindresultaat van het betreffende onderdeel van de bouwactiviteit en de controle die daarop is uitgevoerd. Daar waar de maatregelen betrekking hebben op de in de onderdelen f tot en met l genoemde onderdelen zal die informatie veelal grotendeels invulling geven aan de bedoelde gegevens en bescheiden.

 

De aanduiding van gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en afmetingen en maximale bezetting van alle ruimten inclusief het totaal oppervlak per gebruiksfunctie heeft een tweeledig doel. Ten eerste wordt onomstotelijk vastgelegd wat de gebruiksfunctie van (delen van) het gebouw is zodat de van toepassing zijnde voorschriften kunnen worden vastgesteld. Ten tweede dient de informatie om bij het gebruik van het bouwwerk te kunnen beoordelen of er voldaan wordt aan de eisen met betrekking tot de ventilatiecapaciteit, vluchtroutes en andere aan personen gerelateerde eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, alsmede de controle op hoeveel personen er in het bouwwerk aanwezig mogen zijn. Met betrekking tot de genoemde aspecten moet informatie worden aangeleverd waaruit blijkt wat het uiteindelijke eindresultaat van de bouwactiviteiten is.

 

Met betrekking tot de constructie dienen bij oplevering de (detail) tekeningen en berekeningen overgelegd te worden waaruit blijkt hoe de constructie is uitgevoerd, om in de toekomst bijvoorbeeld bij eventuele calamiteiten te kunnen beoordelen of sprake is van instortingsgevaar. Het gaat hierbij, voor zover van toepassing, om de uitgangspunten, de gewichts- en stabiliteitsberekening, schematisering en het grondonderzoek van de gerealiseerde situatie, inclusief detailtekeningen en -berekeningen. Het spreekt voor zich dat het bij verbouw gaat om de gegevens met betrekking tot de constructie die zien op de verbouwing en niet op de delen die niet worden verbouwd. Wel dient uit de aangeleverde gegevens en bescheiden duidelijk te zijn op welke wijze krachtsafdracht naar de bestaande constructie plaatsvindt.

Ten behoeve van luchtverversing bestaat het dossier bevoegd gezag uit het ventilatieprincipe en de plaats van toe- en afvoervoorzieningen. Dat aan de vereiste capaciteit wordt voldaan kan worden aangetoond via een ventilatieberekening of resultaten van metingen.

Ten behoeve van energiezuinigheid en milieuprestatie moet respectievelijk een BENG-berekening en milieuprestatieberekening op basis van de gerealiseerde situatie worden aangeleverd.

Voor de gegevens en bescheiden inzake de brandveiligheid dient in het dossier bevoegd gezag dezelfde informatie opgenomen te worden als bij een gebruiksmelding. Zie voor een toelichting op de gegevens en bescheiden de toelichting op artikel 6.8 van het Bbl.172

 

Omdat een gelijkwaardige maatregel tijdens het gebruik in stand gehouden dient te worden, dient ook te worden opgegeven welke gelijkwaardige oplossing is gebruikt. Hierbij hoeft niet de gehele onderbouwing aangegeven te worden, maar alleen welke oplossing is toegepast en waarvoor die is toegepast zodat bezien kan worden of die oplossing tijdens het gebruik nog aanwezig is en overeenkomstig het oorspronkelijke ontwerp functioneert. Gelijkwaardige maatregelen brand en constructies zijn overigens van gevolgklasse 1 uitgezonderd.173

Over de termijn van twee weken tussen gereedmelding en de feitelijke ingebruikname wordt opgemerkt dat hier in de praktijk op een aantal manieren mee omgegaan kan worden. Als eerste is het van belang dat deze termijn, die wettelijk is vastgesteld, op een werkbare manier door partijen in het bouwproces wordt ingebouwd. De gereedmelding kan worden gedaan op het moment dat het resultaat van de bouwactiviteit aan de bouwtechnische regels van het Bbl voldoet en de verklaring van de kwaliteitsborger er is. Andere zaken die voor de privaatrechtelijke oplevering in orde moeten zijn maar geen effect hebben op de verklaring van de kwaliteitsborger, kunnen nog later uitgevoerd worden. Ten slotte wordt opgemerkt dat het mogelijk is dat de gemeente reeds voor het einde van de twee weken werkdagen aangeeft dat het dossier bevoegd gezag in orde is en er geen bezwaar bestaat tegen eerdere ingebruikname van het bouwwerk. Vroegtijdig overleg tussen gemeente en opdrachtgever is hiervoor van belang.

Het ontbreken van een verklaring van de kwaliteitsborger is in beginsel een privaatrechtelijke kwestie tussen de opdrachtgever en de kwaliteitsborger. Het is echter verboden een bouwwerk in gebruik te nemen als dit niet ten minste twee weken voor het feitelijk in gebruik nemen is gemeld bij het bevoegd gezag en daarbij geen volledig dossier, waaronder de verklaring van de kwaliteitsborger, is aangeleverd. Dit betekent dat het bevoegd gezag kan handhaven als er sprake is van een overtreding van de regels over de gereedmelding. Een eventueel handhavingsinstrument moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding. De vraag is vervolgens of en welk handhavingsinstrument in dat geval proportioneel is. Daarvoor zijn geen algemene regels te geven. Dat is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij aan de rechtspraak uitzonderingen op de beginselplicht tot handhaving kunnen worden ontleend, zoals bij concreet zicht op legalisatie en onevenredigheid van handhaven. Deze uitzondering op de beginselplicht tot handhaving bestaat ook onder de wet. Of en zo ja op welke wijze het bevoegd gezag tot handhaving over moet gaan is dus sterk afhankelijk van de specifieke situatie en de reden van het achterwege blijven van de verklaring. Dat geldt ook voor de fase tijdens de bouw. In dit besluit is geregeld dat, indien de kwaliteitsborger tijdens de bouw afwijkingen constateert die aan het verstrekken van een verklaring in de weg staan, een kwaliteitsborger daarover informatie verstrekt aan het bevoegd gezag. Dit biedt het bevoegd gezag vervolgens de mogelijkheid om een afweging te maken of en welk handhavingsinstrument het meest geëigend is.

De toezichthouders van de gemeente kunnen hun toezichtsbevoegdheden inzetten door informatie en medewerking af te dwingen. De gemeente kan zo nodig een last onder dwangsom opleggen of een ander handhavingsinstrument inzetten. De werkwijze is vergelijkbaar met bijvoorbeeld een sloopmelding of een melding brandveilig gebruik in de huidige situatie. Als een bouwwerk in gebruik is genomen zonder voorafgaande melding dan zal eerst kunnen worden aangegeven dat de melding alsnog gedaan moet worden. Wordt dit vervolgens niet gedaan dan kan handhaving worden overwogen zoals hiervoor beschreven.

Bij geschil over de handhaving is het uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of het handhavingsbesluit in stand kan blijven.174

 

In de internetconsultatieversie van het Ingebruiknamebesluit Bbl wordt na artikel 2.21 Bbl de volgende bepaling ingevoegd:

 

Artikel 2.21a (besluit tot ingebruikname)

1. Het bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen van het verbod op ingebruikname van het bouwwerk of de bouwwerken, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, die onderdeel uitmaken van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.17, als:

a. de melding, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onvolledig is vanwege het ontbreken van de verklaring, bedoeld in artikel 2.21, tweede lid, onder d; en

b. het herstel van de gebreken die een verklaring, bedoeld in artikel 2.21, tweede lid, onder d in de weg staan, niet proportioneel is in relatie tot de doelen van de regels waaraan niet wordt voldaan.

2. Het bevoegd gezag verstrekt aan de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw, bedoeld in artikel 7ak van de Woningwet, een afschrift van de ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, die zijn verleend.

In de Nota van Toelichting bij de internetconsultatieversie staat over de invoering van de mogelijkheid van het nemen van een ingebruiknamebesluit door de gemeente het volgende.

In artikel 2.21a Bbl is de huidige werkwijze van gemeenten geëxpliciteerd door te regelen dat indien bij de gereedmelding een verklaring van de kwaliteitsborger ontbreekt, de gemeente een ingebruiknamebesluit kan nemen als herstel van de gebreken leidt tot een disproportionele last in relatie tot de doelen van de regels waaraan niet wordt voldaan. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij minimale afwijkingen van de regels in de hoofdstukken 4 en 5 van het Bbl. Met een dergelijk besluit is het verbod tot ingebruikname zonder gereedmelding uit artikel 2.21 lid 1 Bbl niet langer van toepassing. Hieraan kunnen de eigenaren en eventuele volgende eigenaren zekerheid ontlenen. De werkwijze wordt hiermee vergelijkbaar met eventuele strijdigheden bij bouwactiviteiten onder een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Is sprake van strijdigheid dan zal de gemeente in eerste instantie de initiatiefnemer sommeren om herstel uit te (laten) voeren. Als een initiatiefnemer van mening is dat herstel niet proportioneel is dan kan hij een verzoek tot ontheffing van het verbod op gebruik vragen aan de gemeente. Als uit de hierbij aangeleverde gegevens en bescheiden volgt dat inderdaad sprake is van disproportionaliteit dan kan de gemeente hiertoe besluiten.

De bevoegdheid tot het toestaan van ingebruikname via een ingebruiknamebesluit is alleen mogelijk als slechts de verklaring van de kwaliteitsborger ontbreekt in het dossier bevoegd gezag. Dit betekent dat alle gegevens en bescheiden van het bouwwerk beschikbaar zijn en informatie over de strijdigheid beschikbaar is. De gemeente kan bij de afweging om al dan niet positief te besluiten gebruik maken van dit dossier en van de informatie die op grond van de informatieplicht die voortvloeit uit 3.86 Besluit kwaliteit leefomgeving door de kwaliteitsborger aan de gemeente is aangeleverd. Mocht deze informatie ontbreken dan kan de gemeente verzoeken dit alsnog aan te leveren of anders het verzoek weigeren en zo nodig overgaan tot handhaving.

Bij de afweging of een resterende strijdigheid al dan niet leidt tot disproportionele kosten in geval van herstel kan de gemeente gebruik maken van beschikbare jurisprudentie op dit gebied. Een overzicht daarvan is door de VNG opgenomen in de Handreiking Toezicht en handhaving Wkb.175 Vanzelfsprekend zal bij deze afweging het belang van derden meegewogen worden en zal bij gevaar voor derden niet snel tot een ontheffing kunnen worden besloten. Derden die belanghebbend zijn bij een besluit tot ingebruikname kunnen hiertegen bezwaar maken.

 

Ook is in dit onderdeel geregeld dat de gemeente een afschrift van ingebruiknamebesluiten aan de toelatingsorganisatie moet sturen. Het doel hiervan is monitoring van het gebruik van het ingebruiknamebesluit en de motiveringen die aan ontheffingen ten grondslag liggen. Het maakt daarmee onderdeel uit van de taak van de toelatingsorganisatie op grond van artikel 7ak lid 2, onder g, van de Woningwet: het monitoren en evalueren van het functioneren van het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen.

 

151 Stb. 2018, 291, p. 235.

152 Stb. 2020, 400, p. 1515. Zie ook P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 124 – 136.

153 Stb. 2018, 291, p. 235 en 236. Zie ook P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 124 – 134.

154 Stb. 2018, 291, p. 236.

155 Zie ook P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017, p. 117 – 119.

156 Stb. 2023, 88, p. 4.

157 P.M.J. de Haan, ‘Definitieve kwaliteitsborging bouw onder de Omgevingswet’, TBR 2022/53, P.M.J. de Haan, ‘Update Wet kwaliteitsborging voor het bouwen’, BR 2023/10, P.M.J. de Haan, ‘De handhaving onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen uitgewerkt?’, Gst. 2020/105, en P.M.J. de Haan, De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften in het publieke bouwrecht. Constructieve veiligheid nader beschouwd (diss. Nijmegen), ’s-Gravenhage: Instituut voor bouwrecht 2017.

158 Stb. 2022, 145, p. 81.

159 Stb. 2022, 145, p. 71.

160 Stb. 2022, 145, p. 71.

161 Stb. 2022, 145, p. 71 en 72.

162 Stb. 2022, 145, p. 72.

163 Stb. 2022, 145, p. 73.

164 Stb. 2022, 145, p. 73.

165 Stb. 2022, 145, p. 81.

166 Stb. 2022, 145, p. 81 en 82.

167 Stb. 2022, 145, p. 82.

168 P.M.J. de Haan & H.C.W.M. Moesker, ‘De risicobeoordeling bij de vergunningaanvraag Wkb’, TBR 2017/92, en J.J.P. van Dalen & P.M.J. de Haan, ‘Het nieuwe Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen en de positie van de risicobeoordeling, BR 2021/38.

169 Stb. 2022, 145, p. 82.

170 Stb. 2022, 145, p. 83.

171 Stb. 2022, 145, p. 83. Zie ook J.J.P. van Dalen & P.M.J. de Haan, ‘Het nieuwe Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen en de positie van de risicobeoordeling, BR 2021/38.

172 Stb. 2022, 145, p. 83 en 84.

173 Stb. 2022, 145, p. 84 en 85.

174 Stb. 2022, 145, p. 85. Zie ook H.C.W.M. Moesker & P.M.J. de Haan, ‘Juridische status reactie op een gereedmelding Wkb’, TBR 2017/70.

175 Handreiking Toezicht en handhaving Wet kwaliteitsborging bouw, Handelingsperspectieven voor gemeente. Versie 2. VNG, januari 2024