Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CBB:2026:350

De minister heeft met de herziene beslissing op bezwaar de opgelegde boete herroepen. Het beroep van de slachterij wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de slachterij niet langer belang heeft bij beoordeling van haar beroep. Toekenning proceskosten, griffierecht en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat de bestuurlijke fase pas is geëindigd met de herziene besl...

College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CBB:2026:350 text/xml public 2026-07-28T10:05:13 2026-07-24 Raad voor de Rechtspraak nl College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-07-28 AWB 24/242 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2024:387, Overig Wet dieren Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:350 text/html public 2026-07-24T16:55:37 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CBB:2026:350 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-07-2026 / AWB 24/242
De minister heeft met de herziene beslissing op bezwaar de opgelegde boete herroepen. Het beroep van de slachterij wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de slachterij niet langer belang heeft bij beoordeling van haar beroep. Toekenning proceskosten, griffierecht en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat de bestuurlijke fase pas is geëindigd met de herziene beslissing op bezwaar wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten, het griffierecht en de schadevergoeding.

uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/242
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 op het hoger beroep van [naam] B.V., te [vestigingsplaats] (slachterij)
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024, kenmerk ROT 21/6070, in het geding tussen

de slachterij

en

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)

(gemachtigde: S.M. Geerding)
Procesverloop in hoger beroep
De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:387).

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De staatssecretaris heeft met het besluit van 29 juni 2026 de beslissing op bezwaar ingetrokken en vervangen.

Partijen hebben te kennen gegeven af te zien van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft.
Waar gaat deze zaak over 1.1
Op 22 september 2020 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij de schapenstal van de slachterij. In het rapport van bevindingen van 2 oktober 2020 is opgenomen dat de toezichthouder in twee schapenhokken schapen aantrof die geen toegang hadden tot voldoende drinkwater.
1.2
Naar aanleiding van het rapport van bevindingen heeft de staatssecretaris bij besluit van 30 april 2021 aan de slachterij een bestuurlijke boete (boetebesluit) opgelegd van

€ 2.500,- omdat de schapen, die na het uitladen niet onmiddellijk naar de slachtplaats werden gebracht, niet via adequate voorzieningen over voldoende drinkwater konden beschikken. Dit is volgens de staatssecretaris een overtreding van artikel 6.2, eerste lid van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.6, van Verordening (EG) 1099/2009 van de raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.
1.3
Bij het besluit van 29 oktober 2021 (beslissing op bezwaar) heeft de staatssecretaris het bezwaar van de slachterij tegen het boetebesluit ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.
1.4
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, de slachterij niet gevolgd in haar betoog tegen de beslissing op bezwaar. Wel heeft de rechtbank de boete met 10% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft daarom de beslissing op bezwaar vernietigd wat betreft de hoogte van de boete, en ook het boetebesluit herroepen voor zover het hoogte van de boete betreft. Daarnaast heeft de rechtbank de Staat veroordeeld in de proceskosten en griffierechten van de slachterij in beroep. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft de slachterij hoger beroep ingesteld.
1.5
Met het besluit van 29 juni 2026 (herziene beslissing op bezwaar) heeft de staatssecretaris de beslissing op bezwaar ingetrokken en vervangen. In de herziene beslissing op bezwaar heeft de staatssecretaris de bezwaren van de slachterij alsnog gegrond verklaard en het boetebesluit ingetrokken, omdat het Specifiek interventiebeleid Doden van gehouden dieren (het beleid) inmiddels in het voordeel van de slachterij is gewijzigd. De periode voor het aannemen van een herhaalde overtreding is in het beleid teruggebracht van drie jaar naar drie maanden. Omdat in de drie maanden voorafgaand aan de constatering die tot het boetebesluit heeft geleid er geen andere overtredingen zijn vastgesteld die verband houden met het beschermen van het dierenwelzijn bij het doden van dieren, en daarmee verband houdende activiteiten, is er volgens de staatssecretaris geen sprake van een herhaalde overtreding en kan het boetebesluit niet in stand blijven. Daarnaast heeft de staatssecretaris bepaald dat, voor zover de slachterij de boete al heeft betaald, zij het boetebedrag met wettelijke rente terugkrijgt Ook heeft de staatssecretaris de slachterij een proceskostenvergoeding toegekend voor de proceskosten in bezwaar.
1.6
Naar aanleiding van de herziene beslissing op bezwaar heeft het College de slachterij gevraagd of zij haar hoger beroep wil intrekken. De slachterij heeft het hoger beroep gehandhaafd en gezegd dat het hoger beroep alleen wordt ingetrokken wanneer de staatssecretaris verklaart de proceskoten en griffierechten met rente te voldoen. De slachterij heeft verder niet aangegeven welk inhoudelijk belang zij nog heeft bij de behandeling van haar hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep 2.1
Met de herziene beslissing op bezwaar waarin het boetebesluit wordt ingetrokken, komt de staatssecretaris geheel tegemoet aan de bezwaren van de slachterij. Daarom heeft de slachterij geen belang meer bij het oordeel van het College over de uitspraak van de rechtbank. Het College zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. In dat kader wijst het College er de gemachtigde van de slachterij ter voorlichting op, dat het bij een intrekking van het (hoger) beroep, omdat het bestuursorgaan aan de indiener is tegemoetgekomen, mogelijk is om tegelijk met de intrekking een verzoek om een proceskostenvergoeding te doen waarop afzonderlijk uitspraak kan worden gedaan (zie artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht). Dit verzoek en de uitspraak kan zich ook uitstrekken tot een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (zie onder andere de uitspraak van het College van 23 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:296, onder 2).
2.2
Het College zal de staatssecretaris veroordelen in de door de slachterij gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
2.3
De staatssecretaris moet ook het door de slachterij betaalde griffierecht in hoger beroep van € 559,- vergoeden.
2.4
De slachterij heeft verzocht om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat de staatssecretaris het boetebesluit met de herziene beslissing op bezwaar heeft ingetrokken, leest het College in het matigingsverzoek een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarover overweegt het College als volgt.
2.5
In bestraffende zaken met een procedure in drie instanties als hier aan de orde, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 26 februari 2021. Op het moment van deze uitspraak zijn er vijf jaar en bijna zes maanden verstreken sinds het voornemen tot boeteoplegging. Nu het boetebesluit is ingetrokken, zodat matiging van de boete niet aan de orde kan zijn, bedraagt de vergoeding van immateriële schade € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond. Dit betekent dat de slachterij recht heeft op € 1.500,- schadevergoeding.
2.6
Het College stelt vast dat de bestuurlijke fase pas is geëindigd met de herziene beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de termijnoverschrijding in zijn geheel is toe te rekenen aan de bestuurlijke fase. Gelet hierop zal de staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan de slachterij tot een bedrag van € 1.500,-.
2.7
De staatssecretaris moet aan de slachterij naast de in 2.2 vermelde proceskosten, ook de proceskosten vergoeden die zij heeft gemaakt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten heeft het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand. Dat betekent dat de te vergoeden proceskosten in totaal € 2.335,- bedragen.
Beslissing
Het College verklaart

het hoger beroep niet-ontvankelijk.

veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan de slachterij;

draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 559,- voor het hoger beroep aan de slachterij te vergoeden;

veroordeelt de staatssecretaris tot betaling aan de slachterij van een schadevergoeding van € 1.500,-;

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. T. Pavićević en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

w.g. D. Brugman w.g. E.M.M.A. Driessen

Artikel delen