Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CBB:2026:362

Aan de vervoerder is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels drie jaren waren verstreken en er in die tijd geen overtredingen zijn vastgesteld en dwangsommen verbeurd. De vervoerder heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep...

College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CBB:2026:362 text/xml public 2026-08-04T10:17:05 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-08-04 23/1947 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht Wet dieren Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:362 text/html public 2026-08-03T12:46:20 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CBB:2026:362 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-08-2026 / 23/1947
Aan de vervoerder is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels drie jaren waren verstreken en er in die tijd geen overtredingen zijn vastgesteld en dwangsommen verbeurd. De vervoerder heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht (artikel 8:75a Awb). Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de vervoerder zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.

uitspraak


COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1947
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam] Transporten B.V., te [vestigingsplaats] (vervoerder)
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen)

en

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)

(gemachtigde: mr. F. Peters van Neijenhof)
Samenvatting
In deze uitspraak beslist het College, na de intrekking van het beroep, op het verzoek van de vervoerder om een proceskostenvergoeding. Het College veroordeelt daarbij de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep, omdat de minister door het dwangsombesluit op te heffen gedeeltelijk aan de vervoerder tegemoet is gekomen.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen en omdat partijen, gelet op het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te kennen hebben gegeven geen gebruik te willen maken van hun recht om ter zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

2 Het beroep van de vervoerder was gericht tegen het besluit op bezwaar van

9 oktober 2023, waarin de minister het bezwaar van de vervoerder tegen de last onder dwangsom (dwangsombesluit) van 25 april 2023 ongegrond heeft verklaard.

3 In het dwangsombesluit heeft de minister de vervoerder opgedragen om per direct het oneigenlijk gebruikmaken van middelen bij het transport van dieren te staken, te laten staken en gestaakt te houden. Wanneer de vervoerder hier niet of niet volledig aan voldoet, verbeurt hij per geconstateerde overtreding een dwangsom. Aan de last is geen looptijd verbonden.

4 Met het besluit van 12 maart 2026 heeft de minister het dwangsombesluit opgeheven (opheffingsbesluit). Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat inmiddels drie jaren zijn verstreken sinds het opleggen van het dwangsombesluit. In deze tijd zijn geen overtredingen vastgesteld en heeft de vervoerder geen dwangsommen verbeurd.

5 Omdat het dwangsombesluit is opgeheven, heeft het College de vervoerder gevraagd welk belang hij heeft bij de beoordeling van zijn beroep (procesbelang). De vervoerder heeft hierop schriftelijk laten weten dat hij geen procesbelang meer heeft en het beroep intrekt met het verzoek om vergoeding van de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en vergoeding van griffierecht.

6 De minister heeft op het verzoek gereageerd. Volgens de minister hoeft hij de proceskosten niet te vergoeden, omdat het dwangsombesluit niet is ingetrokken, maar is opgeheven. De minister stelt zich op het standpunt dat het dwangsombesluit nog steeds rechtmatig is, maar dat het om de omstandigheden genoemd onder 4 niet langer redelijk is om het dwangsombesluit nog in stand te houden. Het opheffingsbesluit is niet genomen naar aanleiding van de aangevoerde beroepsgronden. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is volgens de minister daarmee geen sprake.

7 In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.

8 Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit, en de vervoerder zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Dat laatste mag namelijk van de vervoerder worden verwacht. Ook is hier niet doorslaggevend of de tegemoetkoming (kennelijk) is gebaseerd op andere gronden dan de aangevoerde beroepsgronden. Gelet op het vorenstaande is voldaan aan het in artikel 8:75a van de Awb gestelde vereiste dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.

9 In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren. De proceskosten in beroep worden daarom in dit geval met toepassing van het Bpb vastgesteld op € 934,- (1 punt ter waarde van € 934,- voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1,0).

10 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 365,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. Daarvoor is niet nodig dat de minister bij uitspraak wordt opgedragen het griffierecht te vergoeden.
Beslissing
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de vervoerder tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. C.T. Aalbers en mr. W.J.A.M van Brussel, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. E.M.M.A. Driessen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Artikel delen