Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:1101

Toekenning bijzondere bijstand. Woonkostentoeslag. Beleid. Onjuiste vaststelling draagkracht. Opdracht nieuw besluit. Het college heeft de draagkracht van appellant terecht met toepassing van de eerste volzin van art. 6.3 lid 11 van de toepasselijke beleidsregels vastgesteld voor zover het gaat om het loon van het fastfood bedrijf, maar niet voor zover het gaat om het loon van het vervoersbedri...

Centrale Raad van Beroep 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:1101 text/xml public 2026-09-03T13:23:29 2026-08-26 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-08-11 24/1578 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1101 text/html public 2026-08-26T17:28:47 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:1101 Centrale Raad van Beroep , 11-08-2026 / 24/1578 PW
Toekenning bijzondere bijstand. Woonkostentoeslag. Beleid. Onjuiste vaststelling draagkracht. Opdracht nieuw besluit. Het college heeft de draagkracht van appellant terecht met toepassing van de eerste volzin van art. 6.3 lid 11 van de toepasselijke beleidsregels vastgesteld voor zover het gaat om het loon van het fastfood bedrijf, maar niet voor zover het gaat om het loon van het vervoersbedrijf en de beschrijvingen van derden. In zoverre had het college de draagkracht moeten vaststellen met toepassing van de tweede volzin van dat artikellid.

24/1578 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

31 mei 2024, 23/8159 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

Datum uitspraak: 11 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de aan appellant toegekende bijzondere bijstand voor woonkosten (woonkostentoeslag). Het college is er aanvankelijk van uitgegaan dat appellant met zijn inkomsten een deel van de woonkosten zelf kon betalen. In bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant voldoende inkomsten had om alle woonkosten te betalen. Daarbij is het college uitgegaan van de inkomsten die appellant ontving in de maand waarin hij de aanvraag om een woonkostentoeslag had ingediend. Appellant voert aan dat dit niet juist is, omdat hij wisselende inkomsten had. Appellant krijgt hierin gelijk. Het college heeft de draagkracht van appellant niet op de juiste wijze vastgesteld. Het college zal in een nieuw besluit opnieuw de draagkracht moeten vaststellen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bozbiyik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant huurde vanaf 1 december 2022 een woning op een adres te [woonplaats] voor € 720,- per maand. In die maand heeft zijn broer bedragen bijgeschreven op zijn bankrekening en ontving hij loon van [fastfood bedrijf] en [vervoersbedrijf] . Op 21 december 2022 heeft appellant een aanvraag om een woonkostentoeslag ingediend bij het college.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 29 maart 2023 afgewezen op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet had verstrekt. Nadat appellant op 5 april 2023 een nieuwe aanvraag had ingediend, bleek dat hij de in het kader van zijn eerste aanvraag gevraagde gegevens wel tijdig had ingeleverd. Om die reden heeft het college alsnog de aanvraag van 21 december 2022 beoordeeld. In het kader daarvan heeft het college vastgesteld dat de maximale woonkostentoeslag € 363,55 bedraagt. Ook heeft het college de draagkracht van appellant vastgesteld. Daarover staat in een rapport van 23 juni 2023 het volgende. Op de bankrekening van appellant zijn in de periode van oktober 2022 tot en met december 2022 bedragen bijgeschreven van respectievelijk € 205,-, € 170,- en € 380,-. Het gemiddelde daarvan is € 251,66 per maand en dat bedrag wordt in de draagkrachtberekening meegenomen. Daarin wordt ook meegenomen het gemiddelde loon van € 1.017,34 dat appellant in januari en februari 2023 van [fastfood bedrijf] heeft ontvangen. Ten slotte wordt het gemiddelde inkomen van appellant uit zijn werk bij [vervoersbedrijf] in de periode van oktober tot en met december 2022 meegenomen – oktober en november: € 0,- en in december 2022: € 216,25 – tot een bedrag van € 72,08. Uitgaande van het totale inkomen van appellant op jaarbasis van € 15.901,44 en de voor appellant geldende bijstandsnorm op jaarbasis van € 12.445,44, heeft appellant op jaarbasis ruimte in zijn inkomen van € 3.456,- om zijn woonkosten te voldoen en per maand € 288,-. De draagkracht van appellant is dus € 288,- per maand. Gelet op de maximale woonkostentoeslag van € 363,55 per maand heeft appellant recht op een woonkostentoeslag van € 75,55 per maand.
1.3.
Met een besluit van 26 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 30 oktober 2023 (bestreden besluit), heeft het college het besluit van 29 maart 2023 herzien en aan appellant een woonkostentoeslag toegekend van € 75,55 per maand over de periode van 1 december 2022 tot en met 31 januari 2024. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. De berekening van de draagkracht was niet correct. Voor die berekening moet worden uitgegaan van de inkomsten van appellant in december 2022. In die maand ontving hij bijschrijvingen van in totaal € 380,-, loon van [fastfood bedrijf] van € 1.046,21 inclusief € 76,74 vakantiegeld, en loon van [vervoersbedrijf] van € 108,15. Het inkomen van appellant over december 2022 was dus € 1.534,36. Dat moet worden afgezet tegen 100% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande in december 2022 van € 1.046,73 exclusief vakantiegeld / € 1.101,82 inclusief vakantiegeld. Gelet op het verbod van ‘reformatio in peius’ wordt de toegekende woonkostentoeslag niet gewijzigd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de woonkostentoeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot zijn oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.2.
Het college heeft voor de toepassing van de beoordelingsruimte de Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2020 (Beleidsregels) vastgesteld. Bij woonkosten wordt op grond van artikel 6.3, zesde lid, aanhef en onder d, het inkomen boven de bijstandsnorm volledig als draagkracht aangemerkt. Op grond van het elfde lid, eerste volzin, wordt voor de vaststelling van de draagkracht uitgegaan van de inkomens- en vermogenssituatie in de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend. Als die situatie in deze maand geen juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen gedurende de draagkrachtperiode, wordt op grond van de tweede volzin uitgegaan van het gemiddelde inkomen gedurende het aan de bedoelde maand voorafgaande kwartaal, half jaar of jaar. Dit hangt af van de vraag welke periode het juiste inzicht geeft in het te verwachten inkomen. Op grond van artikel 6.4, eerste en tweede lid, van de Beleidsregels wordt de draagkracht vastgesteld voor een jaar, dat ingaat op de eerste dag van de maand waarin bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

Vaststelling draagkracht
4.3.
In dit geval is de aanvraag ingediend in december 2022, zodat de draagkrachtperiode loopt van 1 december 2022 tot 1 december 2023.
4.4.
Wat appellant aanvoert komt er in de eerste plaats op neer dat in het bestreden besluit zijn draagkracht om de volgende reden onjuist is vastgesteld. Hij had wisselende inkomsten, zodat zijn inkomsten in december 2022 – de maand waarin hij bijzondere bijstand had aangevraagd – geen juist inzicht gaf in het te verwachten inkomen van hem in de draagkrachtperiode. Met toepassing van de tweede volzin van artikel 6.3, elfde lid, van de Beleidsregels had het college moeten uitgaan van het gemiddelde inkomen per maand in het kwartaal voorafgaand aan december 2022. Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft de draagkracht van appellant niet op de juiste wijze vastgesteld. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.4.1.
Voorop moet worden gesteld dat in de Beleidsregels niet is gedefinieerd of toegelicht wanneer het inkomen in de maand van de aanvraag een juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen in de draagkrachtperiode. Wel heeft het college in het verweerschrift dat hij heeft ingediend in het kader van de voorlopige voorzieningprocedure in bezwaar tot uitdrukking gebracht dat het bij wisselende inkomsten zo kan zijn dat het inkomen in de aanvraagmaand geen juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen in de draagkrachtperiode.

[fastfood bedrijf]
4.4.2.
Appellant was vanaf 12 december 2022 werkzaam bij [fastfood bedrijf] op basis van een arbeidsovereenkomst van een jaar. In de arbeidsovereenkomst staat dat appellant werkzaam is gedurende (gemiddeld) vijf uur per week tegen een bruto uurloon van € 11,30 en dat het aantal arbeidsuren tijdelijk kan worden uitgebreid als de werknemer dat zelf wil en de werkgever hier behoefte aan heeft. Uit de in het dossier aanwezige loonstroken van december 2022 en januari en februari 2023 blijkt dat het loon van [fastfood bedrijf] in die maanden netto, inclusief ontvangen vakantiegeld, respectievelijk € 1.046,71, € 1.216,24 en € 1.050,34 bedroeg. Uitgaande van deze gegevens valt niet in te zien dat het loon van [fastfood bedrijf] van december 2022 geen juist inzicht gaf in het te verwachten inkomen van appellant bij [fastfood bedrijf] in de draagkrachtperiode. Voor de vaststelling van de draagkracht van appellant is het college dus in ieder geval terecht uitgegaan van het loon van [fastfood bedrijf] over december 2022.

[vervoersbedrijf]
4.4.3.
Op basis van wat voor soort arbeidsovereenkomst appellant bij [vervoersbedrijf] in dienst was blijkt niet uit de beschikbare gegevens. Wel blijkt uit de bij de aanvraag door appellant overgelegde ‘Tax summary’s’ van [vervoersbedrijf] over de maanden september 2022 tot en met december 2022 dat appellant in ieder geval al vanaf september 2022 in dienst was van [vervoersbedrijf] , maar pas in december 2022 loon heeft ontvangen. Uit de beschikbare bankafschriften blijkt niet dat appellant in januari en februari 2022 loon van [vervoersbedrijf] heeft ontvangen. Gelet op deze gegevens is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant bij [vervoersbedrijf] wisselende inkomsten had en dus ook dat het loon van [vervoersbedrijf] in december 2022 van € 108,- geen juist inzicht gaf in het te verwachten loon van [vervoersbedrijf] in de draagkrachtperiode.

Bijschrijvingen
4.4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat, zoals ook al is vermeld in 1.2, appellant in de maanden oktober, november en december 2022 bijschrijvingen van derden heeft ontvangen tot bedragen van respectievelijk € 205,-, € 170,- en € 380,-. Tussen partijen is niet in geschil dat bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als inkomen van appellant in die maanden en als zodanig moeten worden betrokken bij de vaststelling van zijn draagkracht. Alleen al omdat de bijschrijvingen maandelijks fluctueerden, rechtvaardigt dit de conclusie dat het in zoverre ging om wisselende inkomsten en dus ook dat de bijschrijvingen in december 2022 tot een totaalbedrag van € 380,- geen juist inzicht gaven in de te verwachten bijschrijvingen in de draagkrachtperiode.
4.4.5.
Uit 4.4.1 tot en met 4.4.4 volgt dat het college de draagkracht van appellant terecht met toepassing van de eerste volzin van artikel 6.3, elfde lid, van de Beleidsregels heeft vastgesteld voor zover het gaat om het loon van [fastfood bedrijf] , maar niet voor zover het gaat om het loon van [vervoersbedrijf] en de beschrijvingen van derden. In zoverre had het college de draagkracht moeten vaststellen met toepassing van de tweede volzin van dat artikellid.

Beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
4.5.
Zoals ter zitting is besproken komt wat appellant verder heeft aangevoerd erop neer dat het college met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de Beleidsregels had moeten afwijken. Appellant verwijst hiervoor naar zijn precaire financiële situatie, de huidige hyperinflatie en de economische ontwikkelingen.
4.5.1.
Gelet op 4.4.5 en wat hierna in 4.7 is overwogen zal de Raad deze beroepsgrond onbesproken laten, omdat niet duidelijk is waar een juiste berekening van de draagkracht van appellant toe zal leiden.
Conclusie en gevolgen 4.6.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
4.7.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad ook niet zelf in de zaak voorzien. De vaststelling van de draagkracht van appellant in het rapport van 23 juni 2023 is namelijk niet in overeenstemming met artikel 6.3, elfde lid, van de Beleidsregels en de Raad heeft te weinig gegevens om te kunnen vaststellen welke periode het juiste inzicht geeft in het inkomen van appellant, voor zover het gaat om het loon bij [vervoersbedrijf] en de bijschrijvingen, en om vervolgens vast te stellen wat in die periode in zoverre het gemiddelde inkomen van appellant is. Het college zal daar onderzoek naar moeten doen en aan de hand daarvan en van het loon van [fastfood bedrijf] van december 2022 de draagkracht van appellant moeten vaststellen. Op basis daarvan zal het college moeten beoordelen of en, zo ja, tot welk bedrag appellant recht op woonkostentoeslag heeft. Daarom zal de Raad het college opdragen een nieuwe, inhoudelijke beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
4.8.
De Raad wijst hierbij nog op het volgende. Als de nieuwe vaststelling van de draagkracht leidt tot een lager bedrag aan woonkostentoeslag dan het college heeft toegekend met het besluit van 26 juni 2023, dan zal het college daarmee op dezelfde manier moeten omgaan als hij heeft gedaan in het te vernietigen bestreden besluit. Verder zal het college, indien en voor zover de nieuwe vaststelling van de draagkracht niet leidt tot toekenning van de maximale woonkostentoeslag, moeten beoordelen of en, zo ja, in hoeverre er aanleiding is om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van artikel 6.3 van de Beleidsregels.
4.9.
Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil zal de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellant een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 3.736,- (2 punten voor het indienen van het beroep en hoger beroep en 2 punten voor het bijwonen van de zittingen in beroep en hoger beroep, met een waarde van € 934,- per punt). Ook krijgt appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 oktober 2023;

draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;

bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Claessens in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels
Participatiewet

Artikel 35, eerste lid

1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

(…)

Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2020

Artikel 6.3, zesde lid, aanhef en onder d en elfde lid

6. In afwijking van het eerste lid wordt het inkomen boven de bijstandsnorm volledig als draagkracht aangemerkt wanneer de bijzondere bijstand aangevraagd is voor:

d. woonkosten;

(…)

11. Voor de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van de inkomens- en vermogenssituatie in de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend. Indien de situatie in deze maand geen juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen gedurende de draagkrachtperiode, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen gedurende het aan de bedoelde maand voorafgaande kwartaal, half jaar of jaar. Dit is afhankelijk van de vraag welke periode het juiste inzicht geeft in het te verwachten inkomen.

Artikel 6.4, eerste en tweede lid

1. De draagkracht wordt vastgesteld voor de periode van een jaar.

2. Het draagkrachtjaar start op de eerste dag van de maand waarin voor het eerst bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

(…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel delen