Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:1103

Intrekking en terugvordering van bijstand. Boete. Afwijzing aanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden als arbeidsbemiddelaar. Kasstortingen en bijschrijvingen op bankrekening. Geen dringende redenen. Overschrijding redelijke termijn. Appellant heeft loonstroken overgelegd met namen van personen die werkzaamheden verricht zouden hebben en voor wie hij de be...

Centrale Raad van Beroep 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:1103 text/xml public 2026-09-03T13:27:31 2026-08-26 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-08-11 22/2593 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1103 text/html public 2026-08-26T17:22:10 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:1103 Centrale Raad van Beroep , 11-08-2026 / 22/2593 PW
Intrekking en terugvordering van bijstand. Boete. Afwijzing aanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden als arbeidsbemiddelaar. Kasstortingen en bijschrijvingen op bankrekening. Geen dringende redenen. Overschrijding redelijke termijn. Appellant heeft loonstroken overgelegd met namen van personen die werkzaamheden verricht zouden hebben en voor wie hij de betaling in ontvangst heeft genomen. Daarmee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over de ontvangen bedragen kon beschikken. Door de ontvangst van de bedragen niet te melden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden, die het college ook heeft aangetoond. Van dringende redenen bij de terugvordering of de boete is geen sprake. Wel wordt de boete gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

22/2593 PW, 22/2594 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2022, 20/7607 en 21/6627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 11 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand in verband met het niet melden van kasstortingen en bijschrijvingen en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden als arbeidsbemiddelaar. Een nieuwe aanvraag is afgewezen. Aan appellant is ook een boete opgelegd. Volgens appellant heeft hij alleen maar mensen geholpen en heeft hij er zelf niets aan verdiend. Appellant krijg geen gelijk. Hij had de ontvangst van middelen en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden moeten melden bij het college. Hij heeft verder zijn stellingen niet met controleerbaar bewijs onderbouwd. Wel wordt de boete verlaagd in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.G. Eckhardt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 24 februari 2026. Voor appellant is mr. Eckhardt verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 19 juli 2016 een (aanvullende) bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op 26 november 2019 heeft het college een melding ontvangen van de afdeling Tactische Opsporing Financieel Economisch van de politie Den Haag. Uit deze melding blijkt dat appellant een paar keer is aangehouden terwijl hij in het bezit was van grote bedragen contant geld en dat in de periode van 1 januari 2018 tot en met 27 juni 2019 op zijn bankrekening bedragen tot in totaal € 88.208,75 zijn bijgeschreven. Ook zou appellant samenwonen met X.
1.3.
Naar aanleiding van de melding van 26 november 2019 heeft het college onderzoek verricht naar het recht op bijstand van appellant. In dat kader heeft het college appellant op 10 februari 2020 om gegevens gevraagd, waaronder bankafschriften. Ook heeft het college onderzocht of appellant een gezamenlijke huishouding voert met X. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellant van verschillende werkgevers grote bedragen heeft ontvangen voor door hemzelf of anderen verrichte werkzaamheden. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport dat is gesloten op 2 april 2020.
1.4.
Met een besluit van 9 maart 2020 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 februari 2020 en de kosten van bijstand over februari 2020 van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 904,70. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door het college niet (alsnog) alle benodigde informatie te geven en dat het college daardoor het recht op bijstand niet kan vaststellen.
1.5.
Met een besluit van 2 april 2020 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 19 juli 2016 (lees: 1 december 2016) tot en met 1 mei 2018 herzien en de bijstand ingetrokken over de periode van 2 mei 2018 tot en met 31 januari 2020. Ook heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 1 december 2016 tot en met 31 januari 2020 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 25.284,98. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door het college niet te informeren over de contante stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekeningen van derden, waarover hij kon beschikken vanaf 1 december 2016, en de inkomsten uit het verrichten van op geld waardeerbare arbeid vanaf 2 mei 2018. Over de periode van 1 december 2016 tot en met 1 mei 2018 waren de inkomsten lager dan de bijstandsnorm en heeft het college het recht op aanvullende bijstand vastgesteld. Over de periode van 2 mei 2018 tot en met 31 januari 2020 waren de inkomsten hoger dan de bijstandsnorm en had appellant om die reden geen recht op bijstand.
1.6.
Met een besluit van 16 april 2020 (besluit 3) heeft het college het bedrag van de terugvordering over de periode van 1 december 2016 tot en met 31 december 2019 gebruteerd en de totale terugvordering vastgesteld op € 33.138,47.
1.7.
Op 31 maart 2020 heeft appellant een aanvraag om bijstand gedaan met als ingangsdatum 1 februari 2020. Met een besluit van 29 april 2020 (besluit 4) heeft het college deze aanvraag onder verwijzing naar besluit 2 afgewezen. Appellant heeft niet aangetoond dat er sprake is van zodanig gewijzigde feiten en omstandigheden dat hij nu wel aan de voorwaarden voor het recht op bijstand voldoet.
1.8.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 tot en met 4, maar met een besluit van 26 oktober 2020 (bestreden besluit 1) heeft het college deze besluiten gehandhaafd. Wel heeft het college de in besluit 2 gemaakte schrijffout hersteld en de datum van 19 juli 2016 in dat besluit vervangen door 1 december 2019.
1.9.
Met een brief van 20 januari 2021 heeft het college appellant geïnformeerd over het voornemen om aan hem een boete op te leggen wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Met een besluit van 9 maart 2021 (besluit 5) heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 1.818,24, omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
1.10.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 5, maar met een besluit van 6 september 2021 (bestreden besluit 2) heeft het college de boete gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, in die zin dat de Raad ambtshalve de boete in verband met overschrijding van de redelijke termijn met 15% verlaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De intrekking per 1 februari 2020
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft geen inkomsten ontvangen. Hij heeft enkel belangeloos bemiddeld tussen enkele werkgevers en mensen die anders moeilijk aan het werk zouden kunnen komen. Daarnaast heeft hij wel degelijk gemeld een gezamenlijke huishouding te voeren met X. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Appellant heeft in de periode van 1 februari 2020 tot en met 9 maart 2020, de datum waarop besluit 1 is genomen, werkzaamheden verricht als arbeidsbemiddelaar. Dit zijn onmiskenbaar op geld waardeerbare werkzaamheden. Door deze werkzaamheden niet te melden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Doordat hij geen inzage heeft gegeven in de precieze omvang van en zijn verdiensten uit deze werkzaamheden, kan het college het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2020 tot en met 9 maart 2020 niet vaststellen.
4.1.2.
De Raad gaat daarbij voorbij aan de vraag of appellant aan het college heeft gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voert met X. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd, is het voeren van een gezamenlijke huishouding niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd.

De herziening per 1 december 2016 tot en met 1 mei 2018 en de intrekking per 2 mei 2018 tot en met 31 januari 2020
4.2.
Niet in geschil is dat in de periode van 1 december 2016 tot en met 31 januari 2020 op de bankrekeningen van appellant en op bankrekeningen op naam van X en van Y bedragen zijn gestort en zijn bijgeschreven. Evenmin is in geschil is dat appellant gebruik maakte van deze bankrekeningen. Verder is niet in geschil dat de ontvangen bedragen in de periode van 2 mei 2018 tot en met 31 januari 2020 per maand steeds hoger waren dan de bijstandsnorm.
4.3.
Appellant heeft gesteld dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden door de ontvangst van de bedragen niet te melden. Hij kon over deze bedragen niet beschikken, omdat dit geld was dat hij had ontvangen om door te betalen aan derden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak.
4.3.2.
Appellant heeft loonstroken overgelegd met namen van personen die werkzaamheden verricht zouden hebben en voor wie hij de betaling in ontvangst heeft genomen. Daarmee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over de ontvangen bedragen kon beschikken. Appellant heeft namelijk al geen enkel controleerbaar gegeven verschaft over de mate waarin, aan wie en op grond waarvan de ontvangen bedragen daadwerkelijk zouden zijn doorbetaald.
4.3.3.
Door de ontvangst van de bedragen niet te melden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Hierdoor heeft hij over de periode van 1 december 2016 tot en met 1 mei 2018 te veel en over de periode van 2 mei 2018 tot en met 31 januari 2020 ten onrechte bijstand ontvangen. Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht om de bijstand over de periode van 1 december 2016 tot en met 1 mei 2018 te herzien en over de periode van 2 mei 2018 tot en met 31 januari 2020 in te trekken.

De terugvordering
4.4.
Appellant heeft de (hoogte van de) terugvordering als zodanig niet betwist. Hij heeft echter aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Hij wordt geconfronteerd met een vordering van meer dan € 30.000,-, een bedrag dat hij nooit zal kunnen terugbetalen. Hij komt hierdoor in grote financiële moeilijkheden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.4.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.4.3.
Op grond van wat appellant naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Appellant heeft wel gesteld dat hij in grote financiële problemen komt door de terugvordering, maar hij heeft dat niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Het gaat weliswaar om een hoog terugvorderingsbedrag, maar dat komt nu eenmaal doordat appellant langdurig onterecht bijstand heeft ontvangen omdat hij de werkzaamheden en ontvangen bedragen in die lange periode in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld. Voor zover de nadelige gevolgen van de terugvordering zijn gelegen in de financiële gevolgen daarvan, is van belang dat appellant bij de invordering als schuldenaar de bescherming heeft van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij komt dat appellant na tien jaar aflossen het college kan verzoeken om kwijtschelding van de dan nog resterende vordering.

De afwijzing van de aanvraag van 31 maart 2020
4.5.
In dit geval gaat het om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand na een eerdere intrekking van de bijstand. Het college heeft de beoordeling van de aanvraag beperkt tot de vraag of appellant heeft aangetoond dat er een wijziging van omstandigheden is, in die zin dat hij over de te beoordelen periode wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Daarom zal de toetsing van het bestreden besluit ook daartoe worden beperkt. Verwezen wordt naar eerdere rechtspraak. De intrekking van de bijstand over de laatste periode van bijstandverlening is gebaseerd op de grond dat dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen.
4.5.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college op basis van de door hem ingeleverde stukken het recht op bijstand had kunnen vaststellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.2.
Appellant heeft geen objectieve en controleerbare gegevens overgelegd waarmee hij inzicht heeft gegeven in de volledige omvang van zijn werkzaamheden. Door dit niet te doen heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hieruit volgt dat appellant niet heeft aangetoond dat er een wijziging is van omstandigheden waardoor het recht op bijstand nu wel is vast te stellen.

De boete
4.6.
Appellant heeft aangevoerd dat, voor zover er al sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, hem van deze schending geen verwijt gemaakt kan worden. Hij heeft alleen maar mensen willen helpen en wist niet dat de door hem gebruikte constructie niet zou mogen onder de PW. Het college mocht hem daarom geen boete opleggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.1.
Het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft namelijk niet bij het college gemeld dat hij bedragen heeft ontvangen en dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Dit is overwogen onder 4.1.1 en 4.3 tot en met 4.3.3. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Gelet alleen al op de omvang van de door hem ontvangen bedragen had het hem zonder meer duidelijk moeten zijn dat hij de ontvangst van deze middelen had moeten melden. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen. Dit volgt uit artikel 18a, eerste lid, van de PW.
4.7.
Appellant heeft ook een beroep gedaan op dringende redenen om van het opleggen van een boete af te zien. Hij heeft daarbij gesteld dat de boete in combinatie met de terugvordering te hoog is gezien zijn financiële omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.1.
De boete is door het college al gematigd in verband met de draagkracht van appellant. De opgelegde boete van € 1.818,24 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant bekende omstandigheden. Voor de samenloop van de boete met de terugvordering en de gevolgen daarvan verwijst de Raad naar wat hij hiervoor onder 4.4 en volgende heeft overwogen. Daarbij komt dat op grond van deze uitspraak (zie onder 4.8) de boete verder wordt gematigd.

Overschrijding redelijke termijn
4.8.
Ingeval een boete is opgelegd, wordt ambtshalve getoetst of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen.
4.8.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.8.2.
De procedure over de boete heeft vanaf het kenbaar maken aan appellant van het voornemen tot boeteoplegging op 20 januari 2021 tot de datum van deze uitspraak vijf jaar en bijna zeven maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn in dit geval overschreden met bijna negentien maanden. Al eerder heeft de Raad overwogen dat een dergelijke overschrijding aanleiding geeft voor het verminderen van de boete en hoe de vermindering wordt bepaald. Bij een overschrijding van de redelijke termijn in een boeteprocedure wordt per half jaar overschrijding de boete met 5% verlaagd. Dit leidt voor appellant tot een matiging van de boete met 20%, zodat de boete moet worden vastgesteld op een bedrag van 0,80 x € 1.818,24, zijnde € 1.454,59. Een boete tot dat bedrag is passend en geboden.
Conclusie en gevolgen 4.9.
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De intrekking, herziening, terugvordering en afwijzing van de aanvraag blijven in stand. Maar de aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank daarbij het bedrag van de boete van € 1.818,24 in stand heeft gelaten. De Raad zal het bedrag van de boete zelf vaststellen op € 1.454,59.

5. Omdat appellant zelf geen beroep heeft gedaan op overschrijding van de redelijke termijn en de Raad dit ambtshalve heeft beoordeeld en het hoger beroep voor het overige niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 september 2021 ongegrond is verklaard;

verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2021 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij de hoogte van de boete is gehandhaafd;

herroept het besluit van 9 maart 2021 voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt het bedrag van de boete vast op € 1.454,59 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 21 september 2021;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, en O.L.H.W.I. Korte en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet

Artikel 17, eerste lid

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.[…].

Artikel 18a, eerste lid

Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 18a, tweede lid

In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of studietoeslag als bedoeld in artikel 36b is ontvangen.

Artikel 18a, zevende lid

Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 31, eerste lid

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. […].

Artikel 32, eerste lid

1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 54, derde lid

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. […]

Artikel 58, eerste lid

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 58, zevende lid

In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd:

gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

[…]

Artikel 58, achtste lid

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6, eerste lid

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.

ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1957 (onder 6.2.5).

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3657 (onder 4.16.1).

Artikel delen