Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:1104

Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Kookactiviteiten. Recht schattenderwijs vaststellen. Schadevergoeding redelijke termijn. Door de kookactiviteiten niet te melden aan het college heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden. De toestemming van 2011 waar appellante op doelt, ziet op een eerdere bijstandsperiode en ging om het destijds ‘af...

Centrale Raad van Beroep 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:1104 text/xml public 2026-09-03T13:29:29 2026-08-26 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-08-11 22/1196 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1104 text/html public 2026-08-26T17:45:47 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:1104 Centrale Raad van Beroep , 11-08-2026 / 22/1196 PW
Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Kookactiviteiten. Recht schattenderwijs vaststellen. Schadevergoeding redelijke termijn. Door de kookactiviteiten niet te melden aan het college heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden. De toestemming van 2011 waar appellante op doelt, ziet op een eerdere bijstandsperiode en ging om het destijds ‘af en toe oppassen’ op de kinderen van X. De kookactiviteiten zijn van een andere aard en met een substantiële omvang en structureel karakter. De stelling van appellante dat het koken te beschouwen is als eenzelfde soort activiteit die valt onder de strekking van de toestemming, zodat de intrekking en terugvordering in strijd zijn met de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, wordt dan ook niet gevolgd.

22/1196 PW, 23/3088 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 februari 2022, 21/370 (aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 september 2023, 22/1750 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

college van burgemeester en wethouders gemeente Venray (college)

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een herziening en terugvordering van bijstand vanwege het niet doorgeven van kookactiviteiten in het gezin van X. Volgens appellante had zij deze activiteiten niet hoeven te melden, omdat zij hier niets mee verdiende en zij in het verleden, in een eerdere periode van bijstandsverlening, toestemming had om af en toe op de kinderen van X te passen, zolang zij eventuele verdiensten daaruit maar zou opgegeven. Appellante krijgt geen gelijk. De kookactiviteiten vallen niet onder de eerder verleende toestemming. Wel krijgt appellante een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 24 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Engelen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. van Santvoort.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving met onderbrekingen en laatstelijk sinds 19 december 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande in aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van een medewerker van de politie over een mogelijke gezamenlijke huishouding van appellante en X is door de sociale recherche een onderzoek verricht. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in de Rapportage Bijzonder Onderzoek van 19 november 2019. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellante in de periode vanaf 19 december 2016 dagelijks kookte voor het gezin van X en zijn zeven kinderen. En verder is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat appellante vanaf januari 2018 gebruik kon maken van een auto van het merk Mercedes-Benz die op naam van X staat.
1.3.
Met een besluit van 30 november 2019 (besluit 1) heeft het college, voor zover van belang, de bijstand van appellante herzien over de periode van 19 december 2016 tot en met 31 december 2017 en de kosten van bijstand van haar teruggevorderd over deze periode tot een bedrag van € 3.916,42,- (bruto). Daarnaast is de bijstand van appellante ingetrokken per 1 januari 2018 en beëindigd per 30 november 2019. Daarbij zijn de kosten van bijstand van haar teruggevorderd over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 tot een bedrag van € 6.016,80,- (bruto) en over de periode van 1 januari 2019 tot en met

30 september 2019 tot een bedrag van €2.843,- (netto).
1.4.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 1, maar met een besluit van 7 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen door het college niet in te lichten over het feit dat zij door te koken op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en dat zij over de periode vanaf 1 januari 2018 door het bezit van de personenauto kon beschikken over een vermogen boven de vermogensgrens.

Uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (aangevallen uitspraak 1)

2. Volgens de rechtbank heeft het college de Mercedes ten onrechte tot het vermogen van appellante gerekend. De rechtbank heeft daarom het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2018, de beëindiging per 30 november 2019 en de hele terugvordering. De herziening over de periode van 19 december 2016 tot en met 31 december 2017 heeft de rechtbank in stand gelaten. De rechtbank heeft het college opgedragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen besluit 1, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2018, de beëindiging per 30 november 2019 en de hele terugvordering. Daarnaast heeft de rechtbank het college veroordeeld in de in beroep gemaakte kosten.

Nader besluit

3. Met een besluit van 11 juli 2022 (nader besluit) heeft het college ter uitvoering van aangevallen uitspraak 1 besluit 1 herroepen voor zover dit zag op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2018, de beëindiging per 30 november 2019 en de terugvordering. In plaats daarvan heeft het college de bijstand over de periode van1 januari 2018 tot en met 30 september 2019 herzien, omdat de werkzaamheden van appellante ook in de periode van 31 december 2017 tot en met 30 september 2019 nog doorgingen. Het college heeft de kosten van bijstand over de periode van 19 december 2016 tot en met 30 september 2019 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 11.914,39,- (bruto).

Uitspraak van de rechtbank Limburg (aangevallen uitspraak 2)

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het nader besluit ongegrond verklaard.

Het standpunt van appellante

4. Appellante is het met aangevallen uitspraak 1 niet eens, voor zover daarbij de herziening over de periode van 19 december 2016 tot en met 31 december 2017 in stand is gelaten. Appellante is het ook niet eens met het nader besluit en aangevallen uitspraak 2. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of bij de aangevallen uitspraken terecht het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de herziening over de periode van 19 december 2016 tot en met 31 december 2017, en het nader besluit in stand zijn gebleven. Hij doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Verder oordeelt de Raad ambtshalve dat niet de rechtbank Limburg, maar de Raad bevoegd is om te beslissen op het beroep tegen het nader besluit. Het beroep tegen het nader besluit slaagt niet. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Rechtbank Limburg niet bevoegd
5.1.
De Raad overweegt ambtshalve dat de rechtbank Limburg niet bevoegd was om op het beroep tegen het nader besluit te beslissen, aangezien er hoger beroep was ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en bij die uitspraak opdracht gegeven was tot het nader besluit. De rechtbank had het beroepschrift tegen het nader besluit door moeten sturen naar de Raad. Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 betrokken.

Herziening van de bijstand
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de perioden van 19 december 2016 tot en met 31 december 2017 en van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2019 (vrijwel) dagelijks heeft gekookt voor X en zijn gezin.
5.3.
Appellante heeft aangevoerd dat zij haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellante heeft in 2010 bij het college gemeld dat zij oppaswerkzaamheden verrichte in het gezin van X. Het college heeft haar daar in juni 2011 toestemming voor gegeven, zolang eventuele verdiensten maar zouden worden opgegeven aan het college. De kookactiviteiten zijn in feite een voortzetting van de oppaswerkzaamheden. Aangezien appellante niet werd betaald voor deze activiteiten, hoefde er ook niets meer te worden gemeld bij het college. Als het college had gewild dat appellante de kookwerkzaamheden wel zou melden, had het college maar duidelijkere afspraken moeten maken met appellante. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.3.1.
Het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die activiteiten worden verricht en ongeacht of uit die activiteiten daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet, is voor de verlening van bijstand niet alleen het inkomen waarover een betrokkene daadwerkelijk beschikt van belang, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Dit is vaste rechtspraak.
5.3.2.
De toestemming van 2011 waar appellante op doelt, ziet op een eerdere bijstandsperiode en ging om het destijds ‘af en toe oppassen’ op de kinderen van X. Naar het college heeft toegelicht was eerder in februari 2010 nog sprake van regelmatig oppassen en heeft appellante in een gesprek op 7 juni 2011 verteld dat zij nog af en toe oppaste. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de kookactiviteiten van een andere aard zijn en met een substantiële omvang en structureel karakter. De stelling van appellante dat het koken te beschouwen is als eenzelfde soort activiteit die valt onder de strekking van de toestemming, zodat de intrekking en terugvordering in strijd zijn met de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, wordt dan ook niet gevolgd. Van appellante had verwacht mogen worden dat zij bij haar aanvraag die heeft geleid tot de toekenning van bijstand met ingang van 19 december 2016 zou hebben gemeld dat zij (vrijwel) dagelijks kookte voor X en zijn omvangrijke gezin. Door deze activiteiten niet te melden aan het college heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden.
5.4.
Het college heeft de hoogte van de terugvordering (schattenderwijs) berekend door de verstrekte bijstandsuitkering te verminderen met een voor deze op geld waardeerbare kookactiviteiten toe te rekenen fictief inkomen uit arbeid. Appellante heeft hierover aangevoerd dat het college bij het schatten van de inkomsten niet had mogen uitgaan van een fictief uurloon ter hoogte van het minimumloon. De activiteiten zijn niet op geld waardeerbaar. Voor zover de activiteiten wel op geld waardeerbaar zijn, gaat het om (activiteiten in het verlengde van) oppaswerkzaamheden en moet worden uitgegaan van een lager uurtarief. Ook had het college bij de vaststelling van het aantal dagen dat werd gekookt rekening moeten houden met het feit dat appellante ook wel eens een dagje weg was of met vakantie ging en dan niet kookte voor het gezin van X. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.4.1.
Uit 5.3.1 en 5.3.2 volgt dat de kookactiviteiten van appellante als op geld waardeerbare activiteiten moeten worden aangemerkt. De Raad gaat verder voorbij aan de stelling dat oppaswerkzaamheden op een lager bedrag gewaardeerd zouden moet worden dan het minimumloon. De activiteiten die appellante verrichtte betroffen immers niet het oppassen op de kinderen van X, maar het koken voor het gezin van X, inclusief X.
5.4.2.
Ook heeft het college bij het maken van een schatting van de verdiensten van appellante geen rekening hoeven te houden met dagen dat zij niet gewerkt zou hebben. Het had op de weg van appellante gelegen om hierover dan controleerbare gegevens te verstrekken. Dat heeft zij niet gedaan en daarom komen deze onzekerheden voor haar rekening en risico. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld.

Het verzoek om schadevergoeding
5.5.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit verzoek wordt ingewilligd om de volgende redenen.
5.5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
5.5.2.
In het geval van appellante ziet de Raad aanleiding om uit te gaan van een langere behandelingsduur. Appellante heeft tijdens de bezwaarprocedure in april 2020, toen bleek dat het vanwege de coronamaatregelen niet mogelijk was om haar op korte termijn in persoon te horen, ingestemd met het verlengen van de beslistermijn met ruim vier maanden. De redelijke termijn moet in dit geval dus voor de gehele procedure worden bepaald op vier jaar en ruim vier maanden. Daaraan wordt toegevoegd dat appellante ter zitting heeft gesteld dat het verzoek om schadevergoeding zich richt op de overschrijding van de redelijke termijn die heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase.
5.5.3.
Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 december 2019 heeft het zes jaar en bijna acht maanden geduurd tot deze uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak met twee jaar en bijna vier maanden is overschreden. In beginsel is passend een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, in dit geval in totaal € 2.500,-. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn uitsluitend heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase, komt deze overschrijding geheel voor rekening van de Staat.
Conclusie en gevolgen
22/1196 PW
5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, bevestigen. Dit betekent dat de herziening van de bijstand over de periode van 19 december 2016 tot en met 31 december 2017 in stand blijft.

23/3088 PW
5.7.
De rechtbank Limburg was niet bevoegd om uitspraak te doen op het beroep tegen het nader besluit. De Raad zal daarom aangevallen uitspraak 2 vernietigen.
5.7.1.
Het beroep tegen het nader besluit slaagt niet. Dit betekent dat de herziening van de bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2019 en de terugvordering in stand blijven.

Verzoek om schadevergoeding
5.8.
Appellante krijgt een schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,- als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten en griffierecht

6. Gelet op 5.1 en 5.7 is in procedure 23/3088 PW ten onrechte griffierecht geheven. De Raad zal de griffier van de Raad opdragen om het in die procedure voldane griffierrecht aan appellante terug te betalen.
6.1.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, heeft appellante recht op een vergoeding van de daarmee samenhangende proceskosten. Deze worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5 voor het indienen van het verzoek) te betalen door de Staat. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

vernietigt aangevallen uitspraak 2;

verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond;

bepaalt dat de griffier van de Raad het in procedure 23/3088 PW voldane griffierecht van € 136,- aan appellante terugbetaalt;

veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 2.500,-;

veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, en O.L.H.W.I. Korte en C.F.E. van OldenSmit als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet

Artikel 17, eerste lid

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. […]

Artikel 31, eerste lid

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. […].

Artikel 32, eerste lid

1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 54, derde lid

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid […], heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. […].

Artikel 58, eerste lid

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […].

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6, eerste lid

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.

Artikel delen