Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:1114

Het Uwv heeft terecht geweigerd om appellant een vergoeding meerkosten verzekering en meerkosten motorrijtuigenbelasting en een kilometervergoeding toe te kennen. De door appellante gewenste vervoersvoorzieningen zijn in beginsel inkomensafhankelijk. Dit is uitsluitend anders als het gaat om vervoersvoorzieningen die gezien de aard van die voorziening, ongeacht het inkomen, niet algemeen gebrui...

Centrale Raad van Beroep 3 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:1114 text/xml public 2026-09-03T13:45:00 2026-08-28 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-08-26 25/1439 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1114 text/html public 2026-09-03T13:41:14 2026-09-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:1114 Centrale Raad van Beroep , 26-08-2026 / 25/1439 WIA
Het Uwv heeft terecht geweigerd om appellant een vergoeding meerkosten verzekering en meerkosten motorrijtuigenbelasting en een kilometervergoeding toe te kennen. De door appellante gewenste vervoersvoorzieningen zijn in beginsel inkomensafhankelijk. Dit is uitsluitend anders als het gaat om vervoersvoorzieningen die gezien de aard van die voorziening, ongeacht het inkomen, niet algemeen gebruikelijk zijn. In dit geval is de auto van appellant, een stationwagon, algemeen gebruikelijk.

25/1439 WIA, 25/1440 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 juni 2025, 23/786, 23/7978 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken om de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant over het jaar 2023 een vergoeding meerkosten verzekering en meerkosten motorrijtuigenbelasting en een kilometervergoeding toe te kennen. Volgens appellant is het Uwv er ten onrechte van uitgegaan dat voor hem de inkomensafhankelijke regeling geldt. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv de gevraagde vergoedingen terecht heeft geweigerd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. van Helden, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 juni 2026. Partijen hebben via een online beeldverbinding aan de zitting deelgenomen. Voor appellant heeft mr. Van Helden hieraan deelgenomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is rolstoelafhankelijk en heeft een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die niet tot uitbetaling komt vanwege de hoogte van de inkomsten van appellant. Met ingang van 15 juli 2017 heeft appellant een rolstoeltaxivergoeding toegekend gekregen voor woonwerkverkeer en leefvervoer. Per 21 augustus 2017 is aan appellant een bruikleenauto toegekend met aanpassingen zoals handsegmentgas en een speciale zitting. Op 16 januari 2019 is de eerder door het Uwv toegekende bruikleenauto vervangen door een andere bruikleenauto voor het woonwerkverkeer. Met een besluit van 20 december 2019 heeft het Uwv op basis van de inkomenssituatie van appellant en de feitelijke uitoefening van zijn werk (het gebruik van de auto is inherent aan de functie van appellant) vastgesteld dat appellant niet meer in aanmerking komt voor bruikleen van de auto. Het Uwv is met appellant overeengekomen dat appellant de auto kan overnemen en dat appellant in aanmerking komt voor vergoeding van meerkosten. Bij besluit van 20 januari 2020 is appellant in aanmerking gebracht voor een kilometervergoeding voor het vervoer naar en van zijn werk, waarbij de netto vergoeding is vastgesteld op € 0,- per dag. Met een besluit van 22 januari 2020 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor vergoeding van de meerkosten van de motorrijtuigenbelasting en de autoverzekering voor het jaar 2020.
1.2.
Met een besluit van 23 februari 2021 heeft het Uwv de kilometervergoeding met ingang van 1 maart 2021 beëindigd. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de kilometervergoeding voor woonwerkverkeer inkomensafhankelijk is en dat het inkomen van appellant boven de inkomensgrens ligt. Dit besluit is met de beslissing op bezwaar van 15 september 2021 in zoverre gewijzigd dat de beëindiging ingaat per 1 september 2021. Met een besluit van 3 maart 2021 heeft het Uwv aan appellant een vergoeding meerkosten autoverzekering en motorrijtuigenbelasting toegekend voor het jaar 2021. Met een besluit van 2 februari 2022 is de vergoeding meerkosten autoverzekering en motorrijtuigenbelasting toegekend voor het jaar 2022.
1.3.
Op 21 oktober 2022 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van de meerkosten autoverzekering en motorrijtuigenbelasting voor het jaar 2023. Met het besluit van 31 oktober 2022 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Met het besluit van 31 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2022 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant voor het woonwerkvervoer gebruik maakt van een zelf aangeschafte BMW 320D stationwagen, die is aangepast op zijn beperkingen. Dit betreft een personenauto en niet een bijzonder type auto, zoals een bus of rolstoelbus. Dat de personenauto is aangepast, maakt niet dat sprake is van een bijzonder type auto. Dit betekent dat de vergoeding van de meerkosten inkomensafhankelijk is. Het (gezins)inkomen van appellant komt boven de inkomensgrens uit, waardoor hij niet in aanmerking komt voor de gewenste vergoedingen. Dat appellant voor de jaren 2020 en 2021 wel in aanmerking is gebracht voor de vergoeding van de meerkosten autoverzekering en motorrijtuigenbelasting, is onjuist geweest. Voor het jaar 2020 heeft appellant deze vergoeding ontvangen in verband met gedane toezeggingen. Dat vanwege eerder gemaakte fouten de vergoedingen eerder wel zijn verstrekt, betekent volgens het Uwv niet dat deze fouten moeten worden herhaald.
1.4.
Op 5 oktober 2023 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een kilometervergoeding. Met het besluit van 16 oktober 2023 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat het bruto (gezins)inkomen van appellant boven de inkomensgrens ligt. Bij besluit van 8 november 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2023 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat uitsluitend recht bestaat op een kilometervergoeding voor een eigen personenauto als het (gezins)inkomen onder de inkomensgrens ligt en dat is bij appellant niet het geval. Dat appellant een zeer bijzondere auto heeft, waarvoor hij een aparte aantekening heeft op zijn rijbewijs, maakt niet dat moet worden afgeweken van de inkomensafhankelijke regeling.
1.5.
Appellant heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant als gevolg van ziekte fysieke beperkingen heeft en daarom is aangewezen op aanpassingen in zijn auto. Deze aanpassingen, te weten de aangepaste (stuur)bediening en de aangepaste bestuurdersstoel, maken niet dat de BMW 3 waarin appellant rijdt moet worden aangemerkt als een bijzonder type auto in de zin van de toepasselijke regelgeving. Omdat geen sprake is van een bijzonder type auto, geldt voor appellant het uitgangspunt dat vergoeding van meerkosten voor autoverzekering en motorrijtuigenbelasting en een kilometervergoeding inkomensafhankelijk is.
2.2.
De rechtbank heeft verder in haar oordeel betrokken dat het Uwv tot twee keer toe aan appellant een gewone personenauto (eerst een Toyota Yaris en daarna een BMW 1 ) in bruikleen heeft verstrekt, waarin aanpassingen zijn aangebracht. De verstrekking van een bijzonder type auto, zoals een rolstoelbus, is in het geval van appellant niet noodzakelijk geacht. De BMW 3 stationwagen is, net als de Toyota Yaris en de BMW 1 , een normale personenauto, die door eenieder kan worden aangeschaft en waarin door eenieder gereden kan worden. Dat appellant, zoals hij stelt, is aangewezen op het gebruik van een stationwagen, maakt ook niet dat sprake is van een bijzonder type auto. Een stationwagen is namelijk een algemeen verkrijgbare uitvoering.
2.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv niet is verplicht om de meerkosten verzekering en meerkosten motorrijtuigenbelasting te blijven vergoeden. Van een onvoorwaardelijke toezegging door het Uwv deze vergoeding te blijven verstrekken, is geen sprake. Aan appellant is voorafgaand aan de beslissing op bezwaar van 2 februari 2022 al bericht dat deze vergoeding in het verleden ten onrechte aan hem is toegekend, dat de vergoeding over 2022 nog wel wordt toegekend, maar dat opvolgende aanvragen worden afgewezen. Reeds hierom kon en mocht appellant er niet op vertrouwen dat het Uwv deze vergoeding zou blijven verstrekken.
2.4.
De stelling van appellant dat hij onevenredig wordt benadeeld als het Uwv de vergoeding meerkosten verzekering en meerkosten motorrijtuigenbelasting niet langer betaalt, wordt niet gevolgd. Volgens de rechtbank heeft de wetgever expliciet gekozen voor het toepassen van een inkomensgrens als het gaat om het al dan niet toekennen van een vervoersvoorziening. Gelet op deze expliciete keuze kan niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, worden aangenomen dat appellant onevenredig in zijn belangen is geschaad.
2.5.
Appellant heeft ook niet kunnen en mogen aannemen dat het Uwv zonder meer zou overgaan tot hervatting van de kilometervergoeding. In het besluit van 20 januari 2020, waarnaar appellant in dit verband heeft verwezen, is geen toezegging gedaan dat de kilometervergoeding zal worden voldaan zolang appellant bij zijn ‘huidige’ werkgever in dienst is. Hierbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in het besluit van 20 januari 2020 aan appellant een netto vergoeding van € 0,- per dag is toegekend. Bij besluit van 23 februari 2021 heeft het Uwv de kilometervergoeding per 1 maart 2021 beëindigd vanwege een te hoog (gezins)inkomen. De einddatum is na bezwaar in het voordeel van appellant verlegd naar 1 september 2021. Niet is gebleken dat appellant na 1 september 2021 nog een kilometervergoeding heeft ontvangen.
2.6.
Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellant op onevenredige hardheid niet slaagt. De rechtbank begrijpt dat het door appellant als niet redelijk wordt ervaren dat hij meer kosten moet maken om naar zijn werk te reizen dan zijn ‘gezonde’ collega’s, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat appellant onevenredig hard wordt getroffen door deze regelgeving. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en de daarmee verband houdende regelgeving tot doel hebben de arbeidsmogelijkheden te vergroten, niet om alle (financiële) belemmeringen van werkenden met een arbeidsbeperking weg te nemen. Dat appellant door de weigering van een kilometervergoeding per maand minder dan het minimumloon verdient, heeft hij niet onderbouwd.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Met de rechtbank wordt vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant als gevolg van ziekte fysieke beperkingen heeft en daarom is aangewezen op vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA. Verder zijn partijen het met elkaar eens dat het (gezins)inkomen van appellant uitkomt boven de inkomensgrens die in de toepasselijke regelgeving is gesteld.

Bijzonder type auto
4.2.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellant in aanmerking komt voor de door hem gevraagde vergoeding over het jaar 2023 van de meerkosten van de motorrijtuigenbelasting en de autoverzekering en voor een kilometervergoeding. In dit verband speelt de vraag of de aangepaste auto van appellant moet worden aangemerkt als een gewone personenauto met aanpassingen of als een bijzonder type auto, als bedoeld in de toepasselijke regelgeving. Dit onderscheid is van belang omdat de inkomensgrens niet van toepassing is als sprake is van een bijzonder type auto.
4.3.
De gronden die appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn grotendeels een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Op grond van artikel 35 van de Wet WIA kan het Uwv vervoersvoorzieningen verstrekken die tot doel hebben dat de persoon met een structurele functionele beperking die arbeid in dienstbetrekking verricht, zijn werkplek kan bereiken. Bij het Reïntegratiebesluit zijn nadere regels gesteld met betrekking tot artikel 35 van de Wet WIA. In artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit is bepaald dat vervoersvoorzieningen, als bedoeld in artikel 35, van de Wet WIA, niet worden verleend of dat deze worden beëindigd, indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, uitkomt boven een bepaald bedrag. In artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, van het Reïntegratiebesluit is bepaald dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt bij de verlening van nader te bepalen vervoersvoorzieningen. In artikel 12, eerste lid en onder 3, van de Reïntegratieregeling is bepaald dat artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit niet van toepassing is bij de toekenning van een vervoersvoorziening die betreft een vergoeding van de meerkosten van de aanschaf en het gebruik van een bijzonder type auto die samenhangt met ziekte of gebrek, voor zover deze meerkosten niet meer bedragen dan het verschil tussen de kosten van de aanschaf en het gebruik van de auto die door het Uwv wordt beschouwd als een referentieauto en de kosten van de aanschaf en het gebruik van een auto die door het Uwv zou zijn toegekend indien er sprake zou zijn geweest van een bruikleensituatie.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat de door appellant gewenste vervoersvoorzieningen die op grond van artikel 35 van de Wet WIA worden verstrekt, in beginsel inkomensafhankelijk zijn. De achterliggende reden, zoals blijkt uit de Nota van Toelichting bij het Reïntegratiebesluit, is dat slechts voorzieningen worden verleend die niet tevens als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken. Het stellen van een inkomensgrens met betrekking tot de verlening van vervoersvoorzieningen vormt een nadere invulling van het in dit Besluit neergelegde algemene uitgangspunt dat geen subsidie voor kosten van voorzieningen wordt gegeven en geen voorzieningen worden toegekend indien deze algemeen gebruikelijk zijn. Vanaf een bepaald inkomen, wordt het bezit en gebruik van een auto voor het vervoer van en naar het werk als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Met het oog hierop is voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van de werksituatie gekozen voor een inkomensgrens.
4.6.
Dit is uitsluitend anders als het gaat om vervoersvoorzieningen die gezien de aard van die voorziening, ongeacht het inkomen, niet algemeen gebruikelijk zijn. Zoals blijkt uit de Toelichting bij de Reïntegratieregeling wordt van de desbetreffende voorzieningen over het algemeen alleen gebruik gemaakt in de situatie dat de betrokkene een handicap heeft. Uit deze Toelichting blijkt ook dat de regelgever onderscheid heeft gemaakt tussen een ‘bijzonder type auto’ en de auto die als een referentieauto wordt beschouwd. Een ‘bijzonder type auto’ is bijvoorbeeld een auto in een bestelbusuitvoering waarin iemand zittend in een rolstoel kan worden vervoerd. De referentieauto bestaat uit een beschrijving van alle personenauto’s inclusief de daarin aanwezige faciliteiten die verkrijgbaar zijn voor een bepaald bedrag.
4.7.
Of sprake is van een ‘bijzonder type auto’ of van de referentieauto is dus afhankelijk van het antwoord op de vraag of de auto zelf wel of niet algemeen gebruikelijk is. De auto van appellant, ten tijde in geding een BMW 320D stationwagon, is een normale personenauto die algemeen gebruikelijk is en wordt dus beschouwd als een referentie-auto. Dat in de auto specifiek voor appellant aanpassingen zijn aangebracht, maakt niet dat daardoor sprake is van een ‘bijzonder type auto’. De aanpassingen zelf zijn weliswaar niet algemeen gebruikelijk, het Uwv heeft voor deze aanpassingen daarom een vergoeding verstrekt, maar de aanpassingen kunnen ook weer ongedaan worden gemaakt, zoals bij de verkoop van een eerdere auto van appellant ook is gebeurd. Ook kunnen de voor appellant noodzakelijke aanpassingen worden aangebracht in iedere andere personenauto (al dan niet in de uitvoering van een stationwagon). Een ‘bijzonder type auto’, zoals een rolstoelbus, is niet algemeen gebruikelijk, ook zonder eventueel nog aan te brengen aanpassingen. Alleen die personen voor wie een referentieauto als gevolg van structurele functionele beperkingen niet volstaat, zijn daarop aangewezen. Met de rechtbank wordt daarom geoordeeld dat de auto van appellant geen ‘bijzondere type auto’ is als bedoeld in de Reïntegratieregeling. Omdat geen sprake is van een bijzonder type auto, heeft appellant geen recht op de door hem gewenste vervoersvoorzieningen omdat zijn (gezins)inkomen, zoals appellant heeft bevestigd, uitkomt boven de voor hem van toepassing zijnde inkomensgrens.

Belangenafweging/evenredigheid
4.8.
Zoals overwogen in 4.4 en 4.5 is het algemene uitgangspunt van deze regelgeving dat geen voorziening wordt toegekend als deze algemeen gebruikelijk is. Over de vraag wanneer een voorziening algemeen gebruikelijk is, heeft de regelgever in het Reïntegratiebesluit en in de Reïntegratieregeling al de afweging gemaakt dat de hoogte van het inkomen daartoe in beginsel bepalend is. Daarnaast heeft de regelgever voorzien in een uitzondering. Bij de toepassingsvoorwaarden van deze uitzondering heeft de regelgever onderscheid gemaakt tussen enerzijds de referentieauto en anderzijds het bijzonder type auto. De regelgever heeft voorts beschreven wat een referentieauto is en een voorbeeld gegeven van een bijzonder type auto. Tot slot heeft de regelgever de afweging gemaakt dat als voor vervoersvoorzieningen ten behoeve van de werksituatie uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van een bijzonder type auto, deze voorziening niet algemeen gebruikelijk is, ook als het inkomen hoger is dan de inkomensgrens. Op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift heeft dus al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. De bestreden besluiten berusten dus op een gebonden bevoegdheid van het Uwv. Dit betekent voorts dat daarmee in beginsel ook de evenredigheid van de bestreden besluiten is gegeven. De te nemen besluiten volgen namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor één of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden voor betrokkene onredelijk bezwarend is. De door appellant gestelde bijzondere omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat de bestreden besluiten voor hem onredelijk bezwarend zijn. Hiervoor is van belang dat de kosten van de aanpassingen in de auto die voor appellant vereist zijn en de kosten om deze aanpassingen weer ongedaan te maken, steeds door het Uwv zijn vergoed, evenals de kosten voor (het behalen van) het bijzondere rijbewijs. Daarnaast heeft appellant zelf de keuze welke personenauto hij aanschaft en welk bedrag hij hiervoor wenst uit te geven. Tot slot wordt in dit verband opgemerkt dat appellant sinds 2020 al feitelijk geen kilometervergoeding meer heeft ontvangen.

Verboden onderscheid

5. Appellant heeft aangevoerd dat bij het hanteren van de toepasselijke regelgeving een verboden onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten gehandicapten. Hij heeft zich daarbij beroepen op artikel 1 van het Twaalfde protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 14 van het EVRM en artikel 5 in verbinding met artikel 27 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (VNGehandicaptenverdrag). Appellant stelt hiermee een verschil in behandeling aan de orde tussen personen die aangewezen zijn op een niet algemeen gebruikelijk vervoermiddel en personen voor wie een algemeen gebruikelijk vervoermiddel, met aanpassingen, toereikend is. Deze grond slaagt niet.
5.1.
In het VNGehandicaptenverdrag zijn onder meer in artikel 5, eerste en tweede lid, nondiscriminatiebepalingen opgenomen die vergelijkbaar zijn met de nondiscriminatiebepalingen in het EVRM. In artikel 2 van het VNGehandicaptenverdrag is bepaald dat het verbod van discriminatie alle vormen van discriminatie omvat, met inbegrip van de weigering van redelijke aanpassingen.
5.2.
In artikel 5, derde lid, van het VNGehandicaptenverdrag is bepaald dat de verdragsstaten, teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag, aldus artikel 5, vierde lid, van het Verdrag. In artikel 27 van dit Verdrag is het recht van personen met een handicap op werk neergelegd.
5.3.
In verschillende Nederlandse wet en regelgeving zijn voorzieningen opgenomen voor mensen met een handicap, waaronder voorzieningen om deelname aan het arbeidsproces te bevorderen. Met de hier aan de orde zijnde wet en regelgeving is niet beoogd (financiële) compensatie te bieden voor het soort of de mate van structurele functionele beperkingen, maar geldt, zoals hiervoor is uiteengezet, in het Reïntegratiebesluit en de Reïntegratieregeling als uitgangspunt dat een voorziening niet wordt toegekend als deze – ook voor personen zonder handicap – algemeen gebruikelijk is. Appellant is in een positie gebracht die vergelijkbaar is met die van een gezonde persoon in zijn inkomenspositie: hij heeft een vergoeding ontvangen voor de aanpassingen aan zijn auto en omdat het, los van zijn handicap, voor iemand van zijn inkomenspositie algemeen gebruikelijk wordt geacht dat hij met de auto naar het werk gaat, ontvangt hij daarvoor geen vergoeding.
5.4.
Voor de gehandicapte die is aangewezen op een bijzonder type auto, die dus niet algemeen gebruikelijk is, zijn specifieke maatregelen getroffen die nodig zijn om hun feitelijke gelijkheid te bespoedigen. Nog daargelaten de vraag of appellant zich in een vergelijkbare situatie bevindt als de gehandicapte met een bijzonder type auto, is van een door de wetgever gemaakt verboden onderscheid geen sprake. Mede in het licht van artikel 5, vierde lid, van het Verdrag kan niet worden gezegd dat de wetgever met de toepasselijke wetgeving de grenzen van zijn beoordelingsmarge die hij in dit soort zaken heeft te buiten is gegaan.
Conclusie en gevolgen 5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. SmitColenbrander als voorzitter en F.M. Rijnbeek en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
<?linebreak?>(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) B. Ucurum
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels (van toepassing ten tijde in geding)

Artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA:

Het Uwv kan aan de persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht (…), op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel, of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid (…).

Artikel 35, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA:

Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden verstaan vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek (…) kan bereiken.

Artikel 35, vijfde lid, van de Wet WIA:

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Deze nadere regels zijn vastgelegd in het Reïntegratiebesluit (Staatsblad 2005, 622).

Artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit:

Vervoersvoorzieningen, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, aanhef en onder a, en derde lid van de Wet WIA (…), worden niet verleend of worden beëindigd, indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, (…) meer bedraagt dan 261 maal 70% van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Artikel 5, derde lid, van het Reïntegratiebesluit:

Onder vervoersvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan een bruikleenauto, een taxikostenvergoeding en een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen auto of van een bruikleenauto.

In artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, van het Reïntegratiebesluit:

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt bij de verlening van nader te bepalen vervoersvoorzieningen.

Deze ministeriële regeling is de Reïntegratieregeling (Stcrt. 2005, 249)

Artikel 12, eerste lid, onder 3, van de Reïntegratieregeling:

Artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit is niet van toepassing bij de toekenning van een vervoersvoorziening die betreft een vergoeding van de meerkosten van de aanschaf en het gebruik van een bijzonder type auto die samenhangt met ziekte of gebrek, voorzover deze meerkosten niet meer bedragen dan het verschil tussen de kosten van de aanschaf en het gebruik van de auto die door het Uwv wordt beschouwd als een referentie-auto en de kosten van de aanschaf en het gebruik van een auto die door het Uwv zou zijn toegekend indien er sprake zou zijn geweest van een bruikleensituatie.

Artikel 5 van het van het VN-Gehandicaptenverdrag: Gelijkheid en non-discriminatie

1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder aanziens des persoons recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet.

2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid effectieve wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook.

3. Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht.

4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag.

Artikel 27 van het van het VN-Gehandicaptenverdrag

Werk en werkgelegenheid 1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op werk, op voet van gelijkheid met anderen; dit omvat het recht op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien door middel van in vrijheid gekozen of aanvaard werk op een arbeidsmarkt en in een werkomgeving die open zijn, waarbij niemand wordt uitgesloten, en die toegankelijk zijn voor personen met een handicap. De Staten die Partij zijn waarborgen en bevorderen de verwezenlijking van het recht op werk, met inbegrip van personen die gehandicapt raken tijdens de uitoefening van hun functie, door het nemen van passende maatregelen, onder meer door middel van wetgeving, teneinde onder andere:

a. discriminatie op grond van handicap te verbieden met betrekking tot alle aangelegenheden betreffende alle vormen van werkgelegenheid, waaronder voorwaarden voor de werving, aanstelling en indiensttreding, voortzetting van het dienstverband, carrièremogelijkheden en een veilige en gezonde werkomgeving;

Zie Stb 2005, 622, p. 11.

Zie Stb 2005, 622, p. 15.

Zie Stcrt 2005, 249, p. 4.

Zie Stcrt 2005, 249, p. 5.

Vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1579.

Artikel delen