Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:667

Toekenning van bijstand. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het Uwv heeft de aanvraag om een WW-uitkering, wat een voorliggende voorziening is, op 1 november 2021 afgewezen. Appellante heeft zich pas op 15 maart 2022 ...

Centrale Raad van Beroep 28 May 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:667 text/xml public 2026-05-28T15:24:51 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-12 23/14 PW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:667 text/html public 2026-05-21T19:17:37 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:667 Centrale Raad van Beroep , 12-05-2026 / 23/14 PW
Toekenning van bijstand. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het Uwv heeft de aanvraag om een WW-uitkering, wat een voorliggende voorziening is, op 1 november 2021 afgewezen. Appellante heeft zich pas op 15 maart 2022 gemeld voor bijstand. Zij heeft dus niet zo spoedig mogelijk bijstand aangevraagd na de afwijzing van haar aanvraag om een voorliggende voorziening. Dat appellante verwachtte dat haar bezwaar bij het Uwv gegrond zou worden verklaard komt voor haar risico.

23/14 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2022, 22/4816 en 22/4573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)

Datum uitspraak: 12 mei 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de ingangsdatum van de verleende bijstand. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of er in het geval van appellante bijzondere omstandigheden zijn die verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad komt tot het oordeel dat die omstandigheden er niet zijn. Appellante krijgt geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Wernik, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Voor appellante is mr. Wernik verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam in loondienst en is met ingang van 1 oktober 2021 werkloos geworden. Met een besluit van 1 november 2021 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de aanvraag van appellante om een WW-uitkering afgewezen. Met een besluit van 25 maart 2022 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2021 ongegrond verklaard.
1.2.
Appellante heeft zich op 15 maart 2022 gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen en heeft de aanvraag op 16 maart 2022 ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellante als gewenste ingangsdatum 1 september 2021 ingevuld.
1.3.
Met een besluit van 28 april 2022 heeft het college aan appellante bijstand toegekend met ingang van 15 maart 2022. Het college heeft de aanvraag voor de periode van 1 september 2021 tot 15 maart 2022 afgewezen op grond van artikel 44, eerste lid, van de PW. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, voor zover daarbij niet met terugwerkende kracht bijstand is verleend.
1.4.
Met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2022 ongegrond verklaard. Het college stelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

Uitspraak van de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter heeft het beroep tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de voorzieningenrechter niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de voorzieningenrechter terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In artikel 44, eerste lid, van de PW staat dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.2.
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als de betrokkene zich na afwijzing van een aanvraag om een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de PW zo spoedig mogelijk meldt om bijstand aan te vragen. Dit is vaste rechtspraak.
4.3.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, is in haar geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Het Uwv heeft de aanvraag om een WW-uitkering, wat een voorliggende voorziening is, bij besluit van 1 november 2021 afgewezen. Appellante heeft zich pas op 15 maart 2022 gemeld om bijstand aan te vragen. Zij heeft dus niet zo spoedig mogelijk bijstand aangevraagd na de afwijzing van haar aanvraag om een voorliggende voorziening. Dat appellante verwachtte dat haar bezwaar bij het Uwv gegrond zou worden verklaard komt voor haar risico. Zoals de Raad eerder heeft overwogen vormt het afwachten van een bezwaarprocedure over een voorliggende voorziening geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigt. Appellante stelt dat zij zelfredzaam wilde zijn en slechts alleen wanneer dit echt noodzakelijk was een beroep wilde doen op de bijstand. Daarom heeft zij gewacht met het indienen van de aanvraag om bijstand. Ook dit is geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Dat appellante niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, is een bewuste keuze van appellante geweest. De stelling van appellante dat zij aanspraak op bijstand had vanaf het moment dat zij werkloos is geworden, treft geen doel, alleen al om de reden dat het college dit niet heeft beoordeeld.
4.4.
Appellante heeft een beroep op het evenredigheidsbeginsel gedaan. De Raad is van oordeel dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval niet noopt tot verlening van bijstand met terugwerkende kracht. Artikel 44, eerste lid, van de PW โ€“ zoals uitgelegd in 4.2 met verwijzing naar vaste rechtspraak over dat artikellid โ€“ schrijft als wet in formele zin dwingend voor dat, behoudens bijzondere omstandigheden, geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Zoals de Raad eerder heeft overwogen staat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd en die bijzondere omstandigheden meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De essentie van een dwingend geformuleerde termijnbepaling als artikel 44, eerste lid, van de PW is dat degene die niet of niet tijdig zijn aanvraag indient zijn rechten verspeelt, ook als hij daardoor financieel of anderszins wordt gedupeerd. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van deze wetsbepaling, mede gelet op de ondubbelzinnige tekst ervan, niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever deze gevolgen heeft bedoeld en voorzien. Dat de wetgever in deze context niet expliciet de situatie van appellante en de daarbij betrokken belangen heeft afgewogen, maakt niet dat die situatie niet in de wetgeving is verdisconteerd.
Conclusie en gevolgen 4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de ingangsdatum van de bijstand in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A.T. Dannenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Participatiewet

Artikel 44, eerste lid,

Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2407 en van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2511.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4215.

Zie de uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.

Zie de uitspraak van 4 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1701.

Artikel delen