Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:738

Afwijzing aanvraag om een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een aanbouw aan de woning. Terecht geoordeeld dat een traplift de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening is. Geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van Factum als adviesorgaan. Het rapport van Factum geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inhoude...

Centrale Raad van Beroep 8 June 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:738 text/xml public 2026-06-08T07:31:26 2026-06-05 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-06-04 24/2802 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:738 text/html public 2026-06-08T07:26:32 2026-06-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:738 Centrale Raad van Beroep , 04-06-2026 / 24/2802 WMO15
Afwijzing aanvraag om een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een aanbouw aan de woning. Terecht geoordeeld dat een traplift de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening is. Geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van Factum als adviesorgaan. Het rapport van Factum geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inhoudelijk inzichtelijk en consistent.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

24/2802 WMO15

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 november 2024, 23/2012 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [plaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (college)

Datum uitspraak: 4 juni 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming voor een aanbouw aan de woning. Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de afwijzing standhoudt.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2026. Voor appellant zijn verschenen mr. Wevers, [persoon 1] en [persoon 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Diepeveen, mr. V.S. Grootkerk en Y.E. Jansen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is bekend met een autismespectrumstoornis, depressieve klachten en angstklachten. Verder heeft hij last van een hoge spierspanning, stokken van handelen (freezing), een verminderde coördinatie, een vertraagd reactievermogen en gewrichtsklachten die passen bij artrose.
1.2.
Met een besluit van 17 augustus 2022, gehandhaafd met een besluit van 27 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een aanbouw aan de woning afgewezen. Volgens het college is een traplift de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Het college heeft daarbij verwezen naar een advies van Factum van 21 juni 2022. In dit advies heeft een arts van Factum geconcludeerd dat traplopen niet veilig en verantwoord mogelijk is, gezien de beperkingen van appellant. Er zijn geen medische redenen waardoor het gebruik/het leren omgaan met een traplift gecontra-indiceerd is. Het college heeft aangeboden het bedrag voor een passende traplift beschikbaar te stellen indien appellant een andere, duurdere, woonvoorziening realiseert.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van Factum als adviesorgaan. Het rapport van Factum geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inhoudelijk inzichtelijk en consistent. Uit het rapport volgt dat alle beschikbare informatie in de beoordeling is betrokken. Appellant stelt weliswaar dat zijn behandelaars hadden moeten worden geraadpleegd, maar heeft niet concreet gemaakt wat de onderzoekers van Factum met betrekking tot zijn mentale gezondheid hebben gemist. De beoordeling van psychische klachten valt buiten de expertise van de fysiotherapeut en de begeleider van appellant en hij heeft zelf geen verdere informatie van zijn behandelaars in het geding ingebracht. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies in het rapport van Factum dat de psychische beperkingen van appellant geen medische reden vormen om het gebruik van de traplift af te raden. Het college heeft zich daarom mogen baseren op het rapport van Factum. Dat de traplift feitelijk niet kan worden geplaatst of gebruikt door de wijze waarop de trap in de woning van appellant is aangelegd heeft het college gemotiveerd betwist. Volgens het college heeft een geraadpleegde specialist van ‘Handicare’ bevestigd dat aanleg en gebruik van een traplift mogelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Appellant heeft zijn stellingen op dit punt ook niet verder onderbouwd.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft Factum onvoldoende onderzocht of hij de traplift veilig kan gebruiken, gelet op zijn beperkingen en angsten. De adviseur van Factum had aanvullende informatie moeten opvragen bij zijn behandelaren. De fysiotherapeut en de begeleider van appellant hebben aangegeven dat hij geen gebruik kan maken van een traplift. Verder betwist appellant de onafhankelijkheid van Factum en voert hij aan dat niet is onderzocht of de traplift wel realiseerbaar is in de woning.
Het oordeel van de Raad 4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep in de kern herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, zoals die hiervoor onder rechtsoverweging 2 zijn weergegeven. De Raad voegt hieraan toe dat uit het dossier blijkt dat het college onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke realiseerbaarheid van een traplift in de woning van appellant. In het kader daarvan heeft onder meer de leverancier van de traplift een huisbezoek verricht. Wat appellant heeft aangevoerd is in het licht hiervan onvoldoende om te oordelen dat de trap niet geschikt is voor een traplift.
Conclusie en gevolgen 4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) S. Ploum

Artikel delen