Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:860

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Centrale Raad van Beroep 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:860 text/xml public 2026-07-09T16:00:11 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-07-01 25/13 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:860 text/html public 2026-07-09T15:57:27 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:860 Centrale Raad van Beroep , 01-07-2026 / 25/13 WIA
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

25/13 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 december 2024, 24/3232 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam stichting] (ex-werkgever)

Datum uitspraak: 1 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 19 oktober 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens de ex-werkgever heeft H.E. Wonnink, artsgemachtigde, een zienswijze ingediend.

Het Uwv heeft een aanvullend stuk ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak via videobellen behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Smit. Ex-werkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door Wonnink en C. Varna.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als huishoudelijke hulp voor 24,16 uur per week. Op 21 oktober 2021 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 oktober 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 oktober 2023 geweigerd appellante met ingang van 19 oktober 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 6 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten op voldoende zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De verzekeringsarts heeft het dossier van appellante bestudeerd en heeft appellante tijdens een spreekuur gezien en gesproken en psychisch en lichamelijk onderzocht. Hij heeft alle medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts heeft ook informatie opgevraagd bij de behandelend sector. Tijdens de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep eveneens het dossier van appellante bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht, haar geobserveerd en met haar gesproken tijdens de hoorzitting. Ook hij heeft alle medische informatie, waaronder de nadere gegevens van de huisarts en de specialist, bij zijn beoordeling betrokken.
2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 19 oktober 2023 terecht heeft vastgesteld op 10,87%. De FML van 18 oktober 2023 bevat psychische en fysieke beperkingen, die zich bij appellante voordoen op 19 oktober 2023, en er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante een aandoening heeft doorgemaakt. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben deze ziekte voldoende bij hun beoordeling betrokken en afdoende toegelicht waarom deze aandoening op 19 oktober 2023 niet tot meer beperkingen leidt. De brief van de behandelend orthopedagoog en therapeut drs. B. J. Van der VeerTeesink leidt niet tot een ander oordeel. Volgens Van der VeerTeesink heeft appellante al jaren de bedoelde aandoening, wat leidt tot mentale klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in zijn nadere rapport van 11 november 2024 echter op gewezen dat het hier niet gaat om informatie van een arts (huisarts en/of medisch specialist), (GZ)psycholoog of psychotherapeut. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarom van mening dat hiermee geen medische gegevens zijn ingebracht van een arts die een ander licht werpen op de eerdere overwegingen over de aandoening, waar volgens appellante sprake van is. De rechtbank heeft overwogen dat in de verzekeringsgeneeskundige rapporten toereikend is toegelicht dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de fysieke beperkingen van appellante. De knieklachten zijn in de beoordeling betrokken. Op preventieve grond zijn in verband daarmee enige beperkingen voor kniebelastende werkzaamheden opgenomen. Bij lichamelijk onderzoek hebben de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep een normale hand- en vingerfunctie met een goede kracht in beide handen vastgesteld. Dat de overige lichamelijke klachten van appellante worden veroorzaakt door een andere aandoening heeft appellante niet met medische gegevens aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is in de verzekeringsgeneeskundige rapporten ook inzichtelijk toegelicht dat de psychische klachten van appellante voldoende terugkomen in de FML. In verband daarmee heeft de verzekeringsarts enige beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de urenbeperking van gemiddeld ongeveer acht uur per dag en gemiddeld ongeveer 40 uur per week voldoende toegelicht. Vanwege een aandoening is geen werk in de nacht mogelijk en vanwege een andere aandoening zijn regelmatige werktijden aangewezen. De bij appellante geobjectiveerde aandoeningen en de fysieke beperkingen zijn bij de beoordeling betrokken.
2.4.
Naar aanleiding van wat appellante heeft gesteld over de FML van de bedrijfsarts heeft de rechtbank verwezen naar vaste rechtspraak. Volgens deze rechtspraak is het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Er kan niet aan worden voorbijgegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen, wat een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Volgens de informatie van de bedrijfsarts van 28 juli 2023 was op dat moment sprake van psychische klachten, een behandelde aandoening, knieklachten en klachten in het hele lichaam. De verzekeringsgeneeskundige rapporten gaan hier voldoende op in.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat in de FML van 18 oktober 2023 onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Een verdergaande urenbeperking is aan de orde. Uit de informatie van haar huisarts en haar behandelaar blijkt steeds haar vermoeidheid. Ook uit het dagverhaal van appellante komt de recuperatiebehoefte naar voren, met name als gevolg van haar klachten van vermoeidheid, angst- en depressie. Ook is een verdergaande urenbeperking op preventieve gronden en vanwege beschikbaarheid aangewezen. Appellante heeft dagelijks behandeling door middel van contact met lotgenoten. Ten onrechte wordt voorbijgegaan aan de informatie van Van der Veer-Teesink. Van der VeerTeesink heeft feitelijke waarnemingen in therapeutische context weergegeven. Zij is de behandelaar van appellante en derhalve bekend met haar klachten en beperkingen. Dat sprake is geweest van een adequate behandeling betekent niet dat er geen beperkingen meer aanwezig zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uit de informatie van de neuroloog ten onrechte geconcludeerd dat er geen medische objectivering is voor de klachten en beperkingen van appellante. Daarnaast heeft appellante herhaald dat bij de beoordeling van de belastbaarheid niet alleen moet worden uitgegaan van objectief medische gegevens, maar ook van consistente en plausibel geuite klachten en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dient te motiveren waarom hij van oordeel is dat bepaalde beperkingen die wel in de FML van de bedrijfsarts staan niet gelden in het kader van de keuring voor de WIA.

Het standpunt van het Uwv
4.1.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het standpunt van de (ex-)werkgever
4.2.
De (ex-)werkgever stelt zich op het standpunt dat appellante niet heeft onderbouwd dat haar beperkingen per datum in geding zijn onderschat.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling
5.2.
Wat appellante in hoger beroep over haar medische situatie en vastgestelde belastbaarheid heeft aangevoerd, is in feite een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd of nieuwe medische argumenten genoemd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. Er zijn geen aanknopingspunten voor haar standpunt dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuiste conclusies zijn getrokken uit de informatie van de neuroloog en dat daardoor onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 21 januari 2026 nogmaals nader en meer uitvoerig toegelicht dat voor het aannemen van zwaardere of andere beperkingen op de datum in geding geen aanleiding bestaat. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geven onvoldoende aanknopingspunten om de overtuigend gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Uit de brief van Van der Veer-Teesink komt geen informatie naar voren over de medische situatie van appellante op de datum in geding die ander licht werpt op de belastbaarheid van appellante. De stelling van appellante dat er aanleiding is voor een verdergaande urenbeperking omdat bij de beoordeling van de belastbaarheid niet alleen moet worden uitgegaan van objectief medische gegevens, maar ook van consistente en plausibel geuite klachten, die passen binnen het ziektebeeld, slaagt niet. Het Uwv heeft rekening gehouden met alle door appellante en haar behandelaars gestelde diagnoses en benoemde klachten en daarvoor beperkingen aangenomen. Uit de medische gegevens van appellante valt echter niet af te leiden, dat appellante niet gemiddeld ongeveer acht uur per dag belastbaar zou zijn.
5.4.
Omdat er geen aanleiding wordt gezien te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv bestaat er, ook in hoger beroep, geen reden om een deskundige in te schakelen.

Arbeidskundige beoordeling
5.5.
Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen 5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

De rechtbank noemt als voorbeeld de uitspraken van de Raad van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039, CRvB 21 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2215 en 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2828.

Artikel delen