Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:CRVB:2026:867

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant. Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen beperkingen. Appellant wordt geschikt geacht voor de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

Centrale Raad van Beroep 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:CRVB:2026:867 text/xml public 2026-07-09T16:19:38 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-07-01 25/1305 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:867 text/html public 2026-07-09T16:08:21 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:867 Centrale Raad van Beroep , 01-07-2026 / 25/1305 WIA
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant. Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen beperkingen. Appellant wordt geschikt geacht voor de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

25/1305 WIA, 25/1306 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 4 juni 2025, 24/704 en 24/2315 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgever B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgever)

Datum uitspraak: 1 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv terecht appellant per 8 augustus 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend en per 31 oktober 2023 terecht heeft geweigerd een ZWuitkering toe te kennen. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering en geen ZW-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroepen ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Voor appellant is mr. Grégoire verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.L.H. Coenen. Werkgever is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst bij werkgever gewerkt als assemblagemedewerker voor 40 uur per week. Op 10 augustus 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 augustus 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 25 augustus 2023 (besluit 1) geweigerd appellant met ingang van 8 augustus 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Appellant heeft zich op 31 oktober 2023, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziekgemeld. Op 27 november 2023 heeft een telefonisch spreekuur plaatsgevonden met een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellant geschikt geacht voor de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Bij besluit van 29 november 2023 (besluit 2) heeft het Uwv geweigerd per 31 oktober 2023 aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 1 februari 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het tegen besluit 1 door appellant gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.4.
Bij besluit van 19 maart 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het tegen besluit 2 gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraken van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft in de uitspraak met nummer 24/704 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsartsen onvoldoende aandacht hebben besteed aan de psychische en fysieke problematiek van appellant en de daarmee samenhangende klachten, of dat de klachten te licht zijn ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 januari 2024 gemotiveerd uiteengezet waarom hij niet tot een wezenlijk andere belastbaarheid is gekomen dan is vastgelegd in de FML van 15 augustus 2023. De rechtbank heeft geoordeeld dat er is ingegaan op de gronden van appellant en de onderliggende stukken van de huisarts van 26 oktober 2018 en van de bedrijfsarts van 22 april 2022. Dat appellant het op alle levensvlakken moeilijk heeft en medisch, financieel en sociaal veel hulp en aansporing nodig heeft van de Wmo-begeleider, zoals ter zitting ook door [naam] is toegelicht, is besproken op het spreekuur van 7 december 2023 en meegewogen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat de bevindingen van de bedrijfsarts afwijken van het oordeel van de verzekeringsarts geeft volgens de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. Een verzekeringsarts is niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval de beperkingen niet overeenkomen met het standpunt van de bedrijfsarts. Uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt dat de bedrijfsarts beperkingen opstelt in het kader van re-integratie. Dat is een ander soort beoordeling, met een ander doel, dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit betekent dat aan de gestelde (duur)beperkingen van de bedrijfsarts niet die waarde kan worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts in het rapport van 15 januari 2024 overtuigend heeft onderbouwd dat geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de voor appellant geselecteerde functies passend zijn.
2.2.
De rechtbank heeft in de uitspraak met nummer 24/2315 het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 2 in stand gelaten.

Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een zorgvuldige en duidelijke manier alle naar voren gebrachte klachten besproken en betrokken bij zijn medische beoordeling. Er is geen grondslag voor de conclusie dat hij aspecten van de medische situatie van appellant heeft gemist. Hij heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanleiding gezien voor het standpunt dat de medische situatie anders is dan die per einde wachttijd WIA. Evenmin heeft hij in een uitbreiding van het aantal uren ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geen aanleiding gezien om tot een andere belastbaarheid te komen, omdat de ondersteuning niet ziet op werk, maar op gezonder leven en zelfzorg, waaronder het grip krijgen op financiële zaken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de ZW-uitkering per 31 oktober 2023 terecht heeft geweigerd.

Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat uit onder meer de hulp die hij op grond van de Wmo ontvangt, volgt dat hij primair, volledig arbeidsongeschikt en subsidiair, veel zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Dit wordt bevestigd door de overgelegde informatie van de Wmo-begeleider, de werkcoach, de burgemeester, de bij de situatie van appellant betrokken voormalig journaliste en de uitspraak van de vreemdelingenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 december 2014. Ook de bedrijfsarts heeft appellant zwaarder beperkt geacht en heeft de door de werkgever ingeschakelde registerarbeidsdeskundige op soortgelijke wijze als het Uwv getoetst nu het zogenaamde tweede spoor is aangewezen. Appellant heeft daarom verzocht de bedrijfsarts en registerarbeidsdeskundige als getuige te horen. Indien daaraan niet wordt voldaan is volgens appellant geen sprake van equality of arms. Ter zitting van de Raad heeft gemachtigde van appellant ook nog aangevoerd dat indien wordt afgeweken van de bevindingen van de bedrijfsarts, op de verzekeringsarts van het Uwv een verzwaarde motiveringsplicht rust. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat ook uit de stukken van de behandelend sector volgt dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen.
3.2.
Appellant heeft over de geweigerde ZW-uitkering aangevoerd dat zijn situatie op 8 augustus 2023 niet identiek was aan de situatie op 31 oktober 2023. Uit onder meer de aangepaste Wmo-indicatie volgt dat hij toegenomen beperkt is. De rechtbank heeft daarbij miskend dat appellant op alle leefgebieden steun en begeleiding vanuit de Wmo ontvangt en dus niet alleen hulp krijgt bij het regelen van zijn financiële zaken.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de weigering van de WIA- en de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.3.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én

2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.4.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

Verzoek horen getuigen
5.5.
Appellant heeft de Raad verzocht om bedrijfsarts F. Jungbauer en registerarbeidsdeskundige T. Stokking als getuigen op te roepen. Dit verzoek wordt afgewezen. Hiertoe bestaat namelijk geen aanleiding omdat een verklaring van deze bedrijfsarts en registerarbeidsdeskundige niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten. Uit vaste rechtspraak waaronder niet alleen de uitspraak van de Raad van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039 maar bijvoorbeeld ook de uitspraken van 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2581, 1 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1558, 27 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2949, 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:266, 28 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2092 en 1 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:675 volgt dat de bedrijfsarts beperkingen opstelt in het kader van re-integratie. Dat is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een ander soort beoordeling, met een ander doel, dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Dit betekent dat aan de FML van de bedrijfsarts niet die waarde kan worden gehecht die appellant daaraan hecht. Uit de genoemde vaste rechtspraak volgt ook dat, anders dan appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, de verzekeringsarts bij het in kaart brengen van de beperkingen in de FML niet gehouden is tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts opgestelde FML. Overigens heeft de bedrijfsarts in zijn FML van 6 januari 2022 ook vermeld dat de FML is opgesteld in het kader van het opbouwen van uren. Verder volgt uit de hiervoor genoemde uitspraken dat ook in (re-integratie)situaties zoals die van appellant, de hierboven genoemde vaste rechtspraak van toepassing is.
5.6.
Van een schending van het beginsel van equality of arms, zoals gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, is geen sprake nu geen reden bestaat om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt. Appellant heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om ter onderbouwing van zijn standpunt (medische) stukken in te dienen en hij heeft van die ruimte ook gebruik gemaakt.

Weigering WIA
5.7.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies over de belastbaarheid van appellant. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Hieraan voegt de Raad nog het volgende toe.

Medische beoordeling
5.8.
Appellant heeft in beroep stukken overgelegd over de hulp die hij ontvangt vanuit de Wmo, van voormalig burgemeester van Maastricht O. Hoes , van een voormalig journaliste en van de vreemdelingenrechter. Met deze stukken vraagt appellant aandacht voor de vele problemen in zijn leven. Appellant heeft aangevoerd dat de omvang van de lang bestaande problematiek maakt dat hij meer beperkt is dan aangenomen door het Uwv. De Raad volgt appellant hierin niet. De brief van Hoes stamt uit 2014 en ziet niet op de data hier in geding. Alleen al om deze reden kan deze brief niet bijdragen aan de beoordeling van dit geschil. Uit de overige stukken blijkt dat appellant, zoals ook het Uwv en de rechtbank hebben geoordeeld, op alle fronten in het leven veel problemen ervaart. Aan appellant is dan ook een Wmo-indicatie verstrekt in de vorm van individuele begeleiding met als doel zijn zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden te verbeteren. Anders dan appellant heeft betoogd, is niet in geschil dat deze hulp ook ziet op de zelfzorg en het activeren van appellant. Appellant heeft aangevoerd dat uit deze overgelegde stukken volgt dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen maar een medische onderbouwing en concretisering van deze geclaimde beperkingen ontbreekt. In de gedingstukken zijn ook geen medische gegevens aanwezig die aan de maatwerkvoorziening ten grondslag hebben gelegen. Uit de informatie van Mens GGZ van 30 augustus 2023 volgt dat appellant is aangewezen op hulp vanuit het sociaal domein en maatschappelijk werk waarbij mogelijk zelfzorg en activatie gestimuleerd kunnen worden. Verdergaande medische problematiek op grond waarvan mogelijk zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen, blijkt hieruit niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 januari 2024 overtuigend gemotiveerd dat geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden of van zwaardere beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Hij heeft daarbij ook aan de hand van de in de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid genoemde criteria overtuigend onderbouwd dat geen aanleiding bestaat om een verdergaande urenbeperking op grond van een medisch objectiveerbare aandoening aan te nemen.

Arbeidskundige beoordeling
5.9.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant. Wat de rechtbank hiertoe heeft overwogen wordt door de Raad onderschreven.

Weigering ZW
5.10.
Ten slotte wordt ook het oordeel van de rechtbank over de geweigerde ZWuitkering onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat op 31 oktober 2023 geen toename van beperkingen aan de orde is ten opzichte van de WIA-beoordeling per 8 augustus 2023. Appellant heeft in hoger beroep wederom verwezen naar de aan hem verstrekte maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Een verhoging van het aantal uren begeleiding op grond van de Wmo leidt evenwel, nog daargelaten dat in dit geval onderliggende medische stukken ontbreken, niet zonder meer tot het aannemen van meer beperkingen. Verder kan aan de opmerking van een werkcoach dat de fysieke en mentale belastbaarheid van appellant erg laag is, niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Een werkcoach is geen arts die een beoordeling op grond van de ZW verricht. Daarbij is tevens van belang dat appellant te kennen heeft gegeven dat hij geen toename van medische klachten ervoer maar dat hij zich op advies van de werkcoach opnieuw heeft ziekgemeld.
Conclusie en gevolgen 5.11.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering en ZW-uitkering toe te kennen in stand blijft. Voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente bestaat daarom geen grond, zodat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

6. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) De Vries

(getekend) Van ‘t Hol

22 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:17019.

23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.

Artikel delen