Beëindiging ZW-uitkering van appellant omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Zorgvuldige medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.
Centrale Raad van Beroep 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:992
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
25/1438 ZW
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:992text/xmlpublic2026-08-05T16:46:392026-07-31Raad voor de RechtspraaknlCentrale Raad van Beroep2026-07-2225/1438 ZWUitspraakHoger beroepNLBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:992text/htmlpublic2026-08-04T11:48:562026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:CRVB:2026:992 Centrale Raad van Beroep , 22-07-2026 / 25/1438 ZW Beëindiging ZW-uitkering van appellant omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Zorgvuldige medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer 25/1438 ZW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juni 2025, 24/3851 (aangevallen uitspraak) Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 juli 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 8 maart 2024 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. Ü. Ögüt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. OVERWEGINGENInleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als pakketbezorger voor 39,77 uur per week. Vervolgens heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 8 april 2022 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZWbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 januari 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 7 februari 2024 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 8 maart 2024 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. 1.2. Bij besluit van 3 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Er zijn geen aanwijzingen dat informatie mist of dat onvolledig onderzoek is gedaan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat met wat appellant heeft aangevoerd hij geen twijfel heeft doen ontstaan over de juistheid van de besluitvorming door het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plausibel gemotiveerd dat zijn beperkingen voor wat betreft de psychische problematiek niet zijn onderschat. De rechtbank heeft de redenering van de arts bezwaar en beroep kunnen volgen dat uit het overzicht met mogelijke bijwerkingen van de gebruikte medicatie niet blijkt van welke bijwerkingen appellant last heeft. Appellant heeft zijn stelling dat hij door zijn medicatiegebruik meer beperkt is niet met medische gegevens onderbouwd. Ook heeft de rechtbank de toelichting kunnen volgen dat de agressieregulatieproblematiek van appellant niet tot een zwaardere beperking leidt voor het hanteren van emotionele problemen van anderen en dat op grond van de basisinformatie van het CBBS enkel een beperking op vervoer wordt aangenomen wanneer iemand niet in staat is om zelfstandig en zonder specifieke vervoersvoorzieningen binnen de daarvoor gebruikelijke tijd het werk te bereiken. Voor wat betreft de fysieke klachten heeft de rechtbank de arts bezwaar en beroep eveneens kunnen volgen dat de nek- en schouderklachten niet worden bevestigd door de aanwezige medische informatie en dat ook uit het dagverhaal niet blijkt dat hij fysiek zwaar beperkt is. Daarom is er geen reden om te concluderen dat de fysieke klachten van appellant zijn onderschat. Ook heeft de rechtbank de arts bezwaar en beroep kunnen volgen in de conclusie dat geen aanleiding is voor een verdergaande urenbeperking. 2.1. Nu de verzekeringsartsen de belastbaarheid juist hebben weergegeven, mochten de arbeidsdeskundigen bij het bepalen van de functies uitgaan van deze beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft plausibel toegelicht dat de signaleringen niet tot overschrijdingen leiden van de belastbaarheid. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat van een verhoogd persoonlijk risico bij het werken met een soldeerbout of een naald geen sprake is. Dit betekent dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 8 maart 2024 heeft beëindigd. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. De rechtbank heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de medische informatie over zijn psychische klachten. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de rugklachten: de cumulatieve impact van de objectieve slijtageverschijnselen en voortdurende pijnklachten zijn onvoldoende vertaald in beperkingen. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de MRI-uitslag, waaruit blijkt dat sprake is van een zwelling in de kaakholte. Dit leidt tot hoofdpijn, drukgevoel en concentratieproblemen. Tot slot is onvoldoende rekening gehouden met de bijwerkingen van de medicatie. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de geduide functies geschikt zijn, gelet op zijn beperkte belastbaarheid. De klachten van appellant zullen toenemen als hij fysiek zwaar werk moet doen. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 5.2. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe. 5.3. De door appellant in hoger beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel over de juistheid van de medische beoordeling. Deze informatie was al bekend bij het Uwv en is betrokken bij de beoordeling. Het rapport van psychiater dr. Keles van 12 januari 2024 is al in de primaire fase overgelegd en de verzekeringsarts heeft mede op basis hiervan beperkingen als gevolg van het medicatiegebruik van appellant aangenomen, zoals voor persoonlijk risico en beroepsmatig vervoer. In bezwaar is vervolgens gebleken dat de medicatie pas ruim na de datum in geding is verhoogd. Ook de uitslag van de MRIscan is al in bezwaar overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze kenbaar betrokken bij de beoordeling en in beroep is hierover opgemerkt dat er slechts lichte minimale degeneratieve veranderingen te zien waren waarmee al voldoende rekening was gehouden in de FML. Ook heeft appellant de brief van de neuroloog van 24 december 2021, waaruit onder meer blijkt dat sprake is van een zwelling in de kaakholte, eerder overgelegd in bezwaar en beroep. De arts bezwaar en beroep en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben hierop gereageerd en geen aanleiding gezien voor meer beperkingen. In beroep is daarbij nog opgemerkt dat appellant niet eerder melding heeft gemaakt van hoofdpijnklachten. De informatie uit de wetenschappelijke literatuur over lage rugpijn, die appellant heeft ingebracht is algemene informatie die niet ziet op de specifieke situatie van appellant. Er zijn geen aanknopingspunten om de conclusies van het Uwv niet te volgen. Conclusie en gevolgen5.4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) F.M. Gerritsen Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.