Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2020:4144

Veroordeling voor in totaal 12 feiten, waaronder mishandelingen, belagingen, feitelijke aanranding, diefstallen en meer. Oplegging van TBS met voorwaarden en gevangenisstraf van 6 maanden. Beslissing op twee vorderingen van benadeelde partijen.

Gerechtshof Amsterdam 29 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2020:4144 text/xml public 2026-07-29T16:03:35 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2020-06-30 23-002114-18 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:6615 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:4144 text/html public 2026-07-29T16:02:57 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2020:4144 Gerechtshof Amsterdam , 30-06-2020 / 23-002114-18
Veroordeling voor in totaal 12 feiten, waaronder mishandelingen, belagingen, feitelijke aanranding, diefstallen en meer. Oplegging van TBS met voorwaarden en gevangenisstraf van 6 maanden. Beslissing op twee vorderingen van benadeelde partijen.

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002114-18

datum uitspraak: 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-741153-17 (zaak A) en 13-684620-16 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

thans gedetineerd in [gevangenis] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

22 juni 2020 en 29 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

Zaak A:

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) eenmaal of meermalen in/tegen zijn gezicht/gelaat te slaan en/of te stompen;
2 hij op of omstreeks 29 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) eenmaal of meermalen in/tegen zijn gezicht/gelaat te slaan en/of te stompen; 3 hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 juli 2017 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 7] (wonende aan de aan [adres 1] en/of [adres 2] , te Rotterdam), met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 7] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte aldaar in genoemde periode
- voornoemde [slachtoffer 7] zestig maal, althans meerdere malen (per dag), gebeld en/of geappt en/of voicemail-berichten ingesproken en/of foto's toegestuurd en/of

- eenmaal of meermalen (per dag) aangebeld bij de woning van voornoemde [slachtoffer 7] en/of de woning van de vader van voornoemde [slachtoffer 7] (in de wijk [plaats] ) en/of

- voornoemde [slachtoffer 7] eenmaal of meermalen (per dag) in/bij/voor het portiek van haar woning en/of op straat voor haar woning en/of de woning van haar vader opgewacht en/of

- eenmaal of meermalen (per dag) postgevat en/of gepost voor de woning van voornoemde [slachtoffer 7] en/of de woning van de vader van voornoemde [slachtoffer 7] en/of

- voornoemde [slachtoffer 7] elders in Rotterdam opgewacht en/of gevolgd en/of opgezocht;
4
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 11 april 2017 tot en met 3 juli 2017 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] ( [geboortedatum 1] ) en/of [slachtoffer 5] ( [geboortedatum 2] ) (allen wonende aan [adres 1] te Rotterdam), met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte aldaar in genoemde periode

- eenmaal of meermalen (per dag) aangebeld bij de woning van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] eenmaal of meermalen (per dag) in/bij/voor het portiek van de woning en/of op straat voor de woning opgewacht en/of

- eenmaal of meermalen (per dag) postgevat en/of gepost voor de woning van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of

- eenmaal of meermalen (per dag) door de [adres 4] gefietst en/of

- eenmaal of meermalen (per dag) voor de woning van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] naar voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] geschreeuwd en/of geroepen, onder andere inhoudende dathij, verdachte, van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] was en/of dat zij van hem was/waren en/of dat hij, verdachte voor [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] kwam en/of wanneer zij/hun zwanger (van hem, verdachte) zouden worden en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] elders in Rotterdam opwacht en/of gevolgd en/of opgezocht en/of

- voornoemde [slachtoffer 4] op straat (bij haar arm) vastgepakt en/of vastgehouden;
5 5.hij op of omstreeks 11 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] , door gebruik te maken van de omstandigheid dat voornoemde [slachtoffer 6] daarop niet bedacht was, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 6] (onverhoeds) (met beide handen) bij haar billen vastgepakt en/of vastgehouden en/of op/tegen haar billen getikt en/of de billen van voornoemde [slachtoffer 6] aangeraakt en/of betast; 6 hij op of omstreeks 09 juni 2017 te 01.30 uur te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 en/of 2.6B van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden; 7 hij op of omstreeks 19 juni 2017 te 21:28 uur te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan, krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -, om zich uit het overlastgebied Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden; 8 hij op of omstreeks 09 mei 2017 te 13.25 uur te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 en/of 2.6B van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;
Zaak B:
<nr>1</nr> <?linebreak?>hij op of omstreeks 15 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een zakje noten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
<nr>2</nr>primair:<?linebreak?>hij op of omstreeks 19 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk: HTC 10) en/of een pinpas (ING bank), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
2subsidiair:hij op of omstreeks de periode van 19 januari 2017 tot en met 31 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een mobiele telefoon (merk: HTC 10) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
<nr>3</nr> <?linebreak?>hij op of omstreeks 29 november 2015 te Amsterdam, wederrechtelijk is binnengedrongen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal gelegen aan [adres 3] en wederrechtelijk aldaar vertoevendezich niet op de vordering(en) van en/of vanwege en/of namens de bevoegde ambtenaar aanstonds heeft verwijderd;
4.

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles wijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bespreking van verweren

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5 en het in zaak B onder 1, onder 2 primair en subsidiair alsmede het onder 4 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Zaak A

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde is er weliswaar wettig, maar geen overtuigend bewijs. De aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen zich hebben vergist. Er zijn geen getuigen gehoord en er zijn geen camerabeelden waarop te zien is dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Het onder 4 ten laste gelegde kan niet worden bewezen, omdat geen sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk. De verdachte heeft weliswaar contact gezocht met de aangeefsters [slachtoffer 4] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , maar dit is hoogstens elf keer in een periode van drie maanden geweest.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde kan het opzet van de verdachte op het vastpakken van de billen van de aangeefster [slachtoffer 6] niet overtuigend worden bewezen. De verdachte heeft [slachtoffer 6] , om haar te kunnen passeren, slechts een tikje op haar hand gegeven, die langs haar zij hing.

Zaak B

Het onder 1 ten laste gelegde kan niet worden bewezen. De verdachte heeft het doosje pistachenoten eerder die dag bij de Albert Heijn op de Wibautstraat gekocht. Het enkele feit dat de verdachte daarvan geen bonnetje had, is onvoldoende bewijs voor de diefstal van de pistachenoten. Bovendien heeft de verbalisant niet gezien dat de verdachte het doosje uit het schap bij de Albert Heijn pakte.

Het onder 2 primair ten laste gelegde kan niet worden bewezen. De aangever [naam 1] heeft immers niet gezien dat de verdachte zijn telefoon (en pinpas) heeft weggenomen.

Ook het onder 2 subsidiair ten laste gelegde kan niet worden bewezen. De verdachte heeft de telefoon in een coffeeshop gekocht voor 230 euro, wat geen onredelijke prijs is. Hij wist niet dat de telefoon van diefstal afkomstig was en kon dit ook niet redelijkerwijs vermoeden.

Het onder 4 ten laste gelegde kan niet worden bewezen. De verdachte heeft de kassa weliswaar gepasseerd met de fles wijn in zijn handen, maar hij wilde de fles wijn laten zien aan twee minderjarige toeristen die buiten de Albert Heijn op hem stonden te wachten en die hem hadden gevraagd een fles wijn voor hen te kopen, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zaak A

Feit 1 en feit 2

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandelingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daartoe overweegt het hof dat de mishandelingen vlak na elkaar hebben plaatsgevonden op het Amstelstation. Door een verbalisant die ter plaatse kwam, is gezien dat [slachtoffer 1] een rode en gezwollen wang had. Beide aangevers hebben ter plaatse de verdachte als de dader aangewezen.

Feit 4

Het hof acht de belaging van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft in de periode van 11 april 2017 tot en met 3 juli 2017 meermalen bij de woning van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] aangebeld, meermalen voor die woning staan wachten en staan schreeuwen en tevens meermalen in een korte tijdspanne door hun straat gefietst. Door in een periode van een ongeveer drie maanden op deze wijze inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van deze personen, waarvan de intensiteit duidelijk naar voren komt in hun verklaringen daarover, is voldaan aan het criterium van stelselmatigheid.

Feit 5

Het hof acht eveneens de aanranding van [slachtoffer 6] bewezen. De aangeefster [slachtoffer 6] heeft verklaard dat de verdachte haar met zijn handen van achteren heeft geknepen. Uit de wijze waarop zij dat tijdens de aangifte heeft voorgedaan begrijpt het hof dat zij in haar billen is geknepen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] , inhoudende dat hij zag dat de verdachte zijn linkerhand naar de bil van [slachtoffer 6] bracht en haar aanraakte, en dat [slachtoffer 6] vervolgens erg emotioneel werd. Op grond van het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte, dat hij [slachtoffer 6] slechts wilde passeren en daarbij een tikje op haar hand gaf, ongeloofwaardig.

Zaak B

Feit 1

Uit het proces-verbaal van bevindingen komt naar voren dat de verbalisant [naam 5] heeft gezien dat de verdachte met lege handen de Albert Heijn op het Centraal Station binnenliep, het winkelpersoneel observeerde, in een gangpad van de Albert Heijn liep, waarna hij een doorzichtig goed met een gele kleur in zijn hand had dat hij vervolgens in zijn linker jaszak stopte en zonder iets af te rekenen de winkel verliet. Staande gehouden door de verbalisant en geconfronteerd met diens waarnemingen haalt de verdachte vervolgens een doorzichtig doosje pistachenoten met een geel etiket, afkomstig van Albert Heijn, uit zijn linker jaszak. Voornoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs van de ten laste gelegde diefstal. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte dat hij het doosje noten eerder die dag bij de Albert Heijn op de Wibautstraat had gekocht niet aannemelijk geworden. Hij heeft daarvan geen bonnetje overgelegd noch is anderszins aannemelijk geworden dat zijn verklaring juist is. Het hof acht de diefstal van de pistachenoten derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 primair

Het hof acht de diefstal van de telefoon en pinpas van [naam 1] wettig en overtuigend bewezen. Uit de aangifte van [naam 1] blijkt dat hij op 19 januari 2017 na een kort gesprek met de verdachte bij de Burger King op Amsterdam Centraal Station zijn telefoon niet meer in zijn jaszak voelde en het vermoeden kreeg dat de verdachte zijn telefoon (met pinpas) had gestolen. [naam 1] heeft de volgende dag aangifte gedaan van de diefstal van zijn telefoon en pinpas. De verdachte heeft bevestigd dat hij op 19 januari 2017 kort in gesprek is geweest met [naam 1] bij de Burger King op Amsterdam Centraal Station. Op 31 januari 2017 zag [naam 1] zijn telefoon, een zeldzame telefoon met een opvallende kleur, in handen van de verdachte. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte degene is geweest die de telefoon met pinpas van [naam 1] op 19 januari 2017 heeft gestolen. De verklaring van de verdachte dat hij de telefoon voor 230 euro in een coffeeshop heeft gekocht, acht het hof ongeloofwaardig.

Feit 4

Uit het aangifteformulier winkeldiefstal blijkt dat de verdachte een fles wijn in zijn zak stopte en zonder te betalen de winkel uit liep. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met de fles wijn een stap over de drempel deed. De verklaring van de verdachte dat hij de fles wijn slechts wilde tonen aan twee jonge mensen is, mede gelet op het feit dat hij de fles in zijn zak had gestopt, niet geloofwaardig. Het hof acht de ten laste gelegde winkeldiefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De verweren worden dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1.

hij op 29 juni 2017 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] in zijn gezicht te stompen;
2 hij op 29 juni 2017 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] in zijn gezicht te stompen;
<nr>3</nr> <?linebreak?>hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 juli 2017 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van V.C. [slachtoffer 7], wonende aan de aan [adres 1] en/of [adres 2] , te Rotterdam, met het oogmerk [slachtoffer 7] te dwingen iets te doen en te dulden, immers heeft hij, verdachte aldaar in genoemde periode
- [slachtoffer 7] meerdere malen per dag gebeld en geappt en berichten ingesproken en foto’s toegestuurd, en

- meermalen aangebeld bij de woning van [slachtoffer 7] en de woning van de vader van [slachtoffer 7] (in de wijk [plaats] ), en

- meermalen postgevat voor de woning van [slachtoffer 7] en de woning van de vader van [slachtoffer 7], en

- [slachtoffer 7] elders in Rotterdam opgewacht.
<nr>4</nr>
hij in de periode van 11 april 2017 tot en met 3 juli 2017 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] ( [geboortedatum 1] ) en [slachtoffer 5] ( [geboortedatum 2] ),allen wonende aan [adres 1] te Rotterdam, met het oogmerk [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte aldaar in genoemde periode

- meermalen aangebeld bij de woning van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , en

- [slachtoffer 4] meermalen per dag voor de woning opgewacht, en

- meermalen postgevat voor de woning van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , en

- is hij meermalen door de [adres 4] gefietst, en

- heeft hij meermalen voor de woning van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] naar [slachtoffer 4] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] geschreeuwd, onder andere inhoudende dat hij, verdachte, van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] was en dat zij van hem waren en dat hij, verdachte, voor [slachtoffer 5] kwam en wanneer zij zwanger van hem, verdachte zou worden, en

- [slachtoffer 5] elders in Rotterdam opgezocht, en

- [slachtoffer 4] op straat bij haar arm vastgepakt;
<nr>5</nr> <?linebreak?>hij op 11 mei 2017 te Amsterdam, door een feitelijkheid [slachtoffer 6] , door gebruik te maken van de omstandigheid dat [slachtoffer 6] daarop niet bedacht was, heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij, verdachte, [slachtoffer 6] onverhoeds bij haar billen vastgepakt;
<nr>6</nr> <?linebreak?>hij op 9 juni 2017 te 01.30 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden;
<nr>7</nr> <?linebreak?>hij op 19 juni 2017 te 21:28 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan eenkrachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden;
<nr>8</nr> <?linebreak?>hij op 9 mei 2017 te 13.25 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;<?linebreak?> Zaak B:
<nr>1</nr> <?linebreak?>hij op 15 december 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen noten, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn;
<nr>2</nr>primair:<?linebreak?>hij op 19 januari 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk: HTC 10) en een pinpas (ING bank), toebehorende aan [naam 1] ;
<nr>3</nr> <?linebreak?>hij op 29 november 2015 te Amsterdam, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal gelegen aan [adres 3] en wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds heeft verwijderd;
4.

hij op 18 december 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles wijn, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn.

Hetgeen in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

telkens: mishandeling.

Het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op:

belaging, meermalen gepleegd.

Het in zaak A onder 5 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het in zaak A onder 6, 7 en 8 bewezen verklaarde levert op:

telkens: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Het in zaak B onder 1, 2 primair en 4 bewezen verklaarde levert op:

telkens: diefstal.

Het in de zaak B onder 3 bewezen verklaarde levert op:

wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5 bewezen verklaarde de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Voor het in eerste aanleg in zaak A onder 6, 7, 8 en in zaak B onder 1, 2 primair en 4 bewezen verklaarde heeft de rechtbank geen straf of maatregel opgelegd. De rechtbank heeft de verdachte voor het in zaak B onder 3 ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 3 en 4 ten laste gelegde de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden zal worden opgelegd, met de voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies Voorbereiding TBS met voorwaarden van 17 juni 2020 van Reclassering Nederland. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde inhoudende het contactverbod met aangeefster V.C. [slachtoffer 7] heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat [slachtoffer 7] heeft aangegeven slechts telefonisch contact met de verdachte te willen in verband met hun kind.

De advocaat-generaal acht het van groot belang dat de verdachte direct vanuit het Huis van Bewaring wordt geplaatst bij FPK De Woenselse Poort, waar hij inmiddels is geaccepteerd, en heeft toegezegd daarvoor de nodige inspanningen te zullen verrichten. Zij heeft verzocht als aanvulling op de bijzondere voorwaarden te stellen dat de verdachte mee zal werken aan transport door DV&O vanuit het Huis van Bewaring naar FPK de Woenselse Poort.

De advocaat-generaal heeft gevorderd te bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de Pro Justitia rapportage van 25 februari 2020, verzocht de verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De verdachte is bereid mee te werken aan de voorwaarden die worden gesteld in eerdergenoemd reclasseringsadvies. Ten aanzien van een eventuele op te leggen straf heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van hof.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling. Daarbij heeft hij de slachtoffers zonder enige aanleiding in hun gezicht gestompt. Aldus heeft hij de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en hen pijn en letsel toegebracht.

Daarnaast heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan belaging. De verdachte heeft gedurende een periode van 18 maanden zijn ex-vriendin lastig gevallen door haar meerdere malen per dag te bellen, te appen, berichten in te spreken en foto’s te sturen, en meermalen bij haar woning en de woning van haar vader aan te bellen. Voorts heeft de verdachte gedurende een periode van een aantal maanden de tante en de nichtjes van zijn ex-vriendin lastig gevallen door meermalen bij hun woning aan te bellen, voor hun woning te wachten en naar de nichtjes van zijn ex-vriendin te schreeuwen dat “zij van hem waren” en “wanneer zij zwanger van hem zouden worden”. De verdachte heeft hiermee maandenlang een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De verdachte lijkt zich de ernst van deze gedragingen nog steeds onvoldoende te realiseren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij slechts contact zocht met zijn ex-vriendin en haar familie, omdat zijn ex-vriendin zwanger van hem zou zijn en hij met haar wilde praten. Door zijn ex-vriendin en haar familie tegen hun uitdrukkelijke wens in op deze wijze herhaaldelijk lastig te vallen, heeft de verdachte de grens van het toelaatbare ver overschreden. Bovendien hebben de slachtoffers de gedragingen van de verdachte als beangstigend en bedreigend ervaren.

De verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan aanranding. De verdachte heeft daarbij het slachtoffer, dat op dat moment aan het werk was in een winkel, onverhoeds bij haar billen vastgepakt. Het slachtoffer is door deze aanranding enorm van slag geweest. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Voorts heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan overtreding van een gebiedsverbod. Dergelijke verboden hebben tot doel het verstoren van de openbare orde en overlast voor bewoners, bedrijven en toeristen binnen een bepaald gebied tegen te gaan. Door een dergelijk bevel te negeren frustreert de verdachte het door de gemeente gevoerde beleid op dat gebied.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door zich niet uit een politiebureau te verwijderen hoewel hem was gesommeerd het politiebureau te verlaten.

De verdachte heeft zich tevens meermalen schuldig gemaakt aan diefstal. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Diefstal is bovendien een ergerlijk feit, dat in het algemeen naast financiële schade, ook hinder en overlast voor de gedupeerde veroorzaakt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 juni 2020 is hij eerder veelvuldig ter zake van vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk tot langdurige vrijheidsstraffen veroordeeld. De verdachte heeft een groot deel van zijn leven doorgebracht in detentie. Het hof weegt de recidive in het nadeel van de verdachte.

In de onderhavige zaak is de verdachte tweemaal (in 2018 en in 2019/2020) onderzocht in het Pieter Baan Centrum (PBC). Op 25 februari 2020 is door [naam 2] (GZ-psycholoog) en [naam 3] (psychiater), deskundigen van het PBC, gerapporteerd over de geestvermogens van de verdachte. Uit voornoemde rapportage komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een disharmonisch intelligentie profiel met prestaties variërend van licht verstandelijk beperkt tot zwakbegaafd niveau. Hetzelfde geldt voor de sociaal emotionele ontwikkeling, deze is eveneens beperkt. Psychotische symptomen zijn tijdens de huidige observatie in het PBC (2019/2020) niet waargenomen. De verdachte was ten tijde van zijn vorige PBC opname (in 2018) ernstig psychotisch. De verdachte voldoet niet volledig aan de criteria van schizofrenie, en omdat andere oorzaken uitgesloten zijn, kan (in DSM 5 termen) gesproken worden van een andere schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Naast deze beperkte ontwikkeling (intelligentie) en ziekelijke stoornis (psychotische stoornis) heeft de verdachte een voorgeschiedenis met verschillende opvoeders, waarschijnlijk een onveilige hechting en verschillende psychotraumata in zijn leven. Hij voldoet aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, waarbij er sprake is van een moeilijk te veranderen patroon van gedrag, dat verankerd is in de persoonlijkheid. Alle drie de stoornissen waren actueel in de periode van de ten laste gelegde feiten.

De deskundigen adviseren het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde de verdachte ten minste in een verminderde mate toe te rekenen. Met betrekking tot het in zaak A onder 3 en 4 ten laste gelegde zijn er volgens de deskundigen aanwijzingen voor een pathologische preoccupatie voor de twee slachtoffers en mogelijk zelfs een psychotische beleving ten tijde van deze feiten, en adviseren zij deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen. Ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde is geen delictscenario mogelijk en kunnen de deskundigen geen uitspraak doen over de mate van toerekenen. Voorts adviseren de deskundigen het in zaak A onder 6, 7 en 8 ten laste gelegde de verdachte volledig toe te rekenen, omdat hij op de hoogte was van de gebiedsverboden. De deskundigen hebben zich niet uitgelaten over het in zaak B ten laste gelegde.

De deskundigen concluderen dat sprake is van een hoog gevaar voor recidive met algemeen gewelddadig gedrag. Positief hierbij is dat de verdachte in detentie het antipsychoticum Olanzapine is gaan gebruiken. Daar komt wel bij dat de verdachte geen probleembesef, ziektebesef en ziekte-inzicht heeft. Als de verdachte buiten detentie komt of zonder een juridisch kader, zal hij naar alle waarschijnlijkheid de medicatie stoppen en terugvallen in oud gedrag, terugvallen in cannabisgebruik en snel overvraagd worden.

Gezien het marginale functioneren van de verdachte, zijn beperkte intelligentie en de waarschijnlijk slechte responsiviteit op behandeling, zal gekozen moeten worden voor behandeling/begeleiding voor licht verstandelijk beperkten (LVB). Medicatie is daarbij, gezien het effect dat het heeft gehad op psychose, onontbeerlijk. Gezien het effect van de medicatie en het gedrag van de verdachte dat in detentie is veranderd, maar ook omdat hij mee zou willen werken aan behandeling/begeleiding om zijn leven op de rit te krijgen, adviseren de deskundigen de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden door de reclassering te laten onderzoeken. Gedacht moet worden aan een SGLVG-setting (categorale setting voor patiënten met gedragsproblemen en een licht verstandelijke beperking) of een FPA met kennis van LVB.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies Voorbereiding TBS met voorwaarden van 17 juni 2020 van Reclassering Nederland, opgemaakt door reclasseringswerker

[naam 4] . In voornoemd advies wordt door de reclassering het volgende geconcludeerd en geadviseerd.

De verdachte is verstandelijk beperkt, gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een andere schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. De verdachte maakte zich al vanaf jonge leeftijd schuldig aan ernstige delicten zoals diefstal met geweld en afpersing. De verdachte is geregistreerd als zeer actieve veelpleger. Reclasseringstoezicht en intensieve samenwerking door instanties in het kader van de Top600-aanpak mocht niet baten. Begeleiding en behandeling kwamen niet van de grond. Er was bij de verdachte sprake van een ontwikkeling van overlast gevend, gevaarlijk en oninvoelbaar delictgedrag, waarbij er geen andere manier meer mogelijk lijkt om in te grijpen in de hoge risico’s op recidive en geweld, dan middels een maatregel terbeschikkingstelling, al dan niet met voorwaarden.

In mei 2018 leidde een klinisch persoonlijkheidsonderzoek Pro Justitia door het PBC tot de conclusie dat een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging diende te worden opgelegd. Nu de verdachte is ingesteld op medicatie en er geen sprake meer is van psychotische belevingen heeft er meer diepgaande diagnostiek kunnen plaatsvinden en komt het PBC tot de conclusie dat een maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden haalbaar kan worden geacht. De reclassering staat hier kritisch tegenover omdat de verdachte vrijwel alle ten laste gelegde feiten ontkent, het hem nog steeds ontbreekt aan probleembesef en ziekte-inzicht en hij bovendien zijn eigen mogelijkheden overschat. Op basis daarvan meent de reclassering te kunnen inschatten dat de uitvoering van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden onder druk zal komen te staan doordat de verdachte waarschijnlijk telkens de grenzen zal opzoeken en er telkens discussies met de verdachte zullen ontstaan. Desalniettemin is de reclassering bereid, indien dit wordt opgelegd, uitvoering te geven aan het reclasseringstoezicht behorende bij deze maatregel.

Voor wat betreft de klinische behandeling heeft de reclassering op 22 mei 2020 bericht ontvangen dat de verdachte door DIZ is toegeleid naar FPK De Woenselse Poort. Op 16 juni 2020 heeft FPK De Woenselse Poort laten weten de aanmelding in het intakeoverleg te hebben besproken en dat de verdachte daar is geaccepteerd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting op 29 juni 2020 medegedeeld dat de opname van de verdachte in FPK De Woenselse Poort per 1 juli 2020 kan plaatsvinden.

Het hof verenigt zich met de bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, neemt de inhoud van de Pro Justitia rapportage van 25 februari 2020 over en maakt de conclusies tot de zijne.

Voorts is het hof van oordeel dat de bevindingen, gelet op de ernst en duur van de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, hebben te gelden ten aanzien van de in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten. Op grond daarvan komt het hof tot de slotsom dat de in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De in zaak A onder 6, 7, 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten worden de verdachte volledig toegerekend.

Met betrekking tot het advies verenigt het hof zich met het reclasseringsadvies Voorbereiding TBS met voorwaarden van 17 juni 2020 van Reclassering Nederland.

Het hof is, op grond van het bovenstaande, van oordeel dat voor het in zaak A onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde de maatregel terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd. Bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van deze feiten een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De door de verdachte begane feiten in zaak A onder 3 en 4 zijn feiten die zijn genoemd in artikel 37a Sr, terwijl op het feit in zaak A onder 5 een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts eist de veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel. Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 37a Sr is derhalve voldaan.

Het hof zal daarbij voorwaarden stellen zoals opgenomen in het reclasseringsadvies Voorbereiding TBS met voorwaarden van 17 juni 2020 van Reclassering Nederland, met inachtneming van hetgeen de advocaat-generaal heeft opgemerkt ten aanzien van het contactverbod met V.C. [slachtoffer 7]. De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden, daaronder mede begrepen het meewerken aan het vervoer van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van zijn detentieadres naar de behandelingsinstelling.

Het hof zal bevelen dat de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Naast de maatregel tot terbeschikkingstelling zal het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De verdachte heeft deze straf reeds in voorarrest uitgezeten.

Het hof acht het van het groot belang dat de verdachte direct vanuit het Huis van Bewaring bij FPK De Woenselse Poort zal worden geplaatst en gaat ervan uit dat hiervoor de nodige inspanningen zullen worden verricht. Het hof zal dan ook tevens de bijzondere voorwaarde stellen dat de verdachte mee zal werken aan transport door DV&O vanuit het Huis van Bewaring naar FPK de Woenselse Poort.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (zaak A onder 2)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 352,98, bestaande uit € 52,98 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade. Voorts is door de benadeelde partij verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 175,48, bestaande uit

€ 25,48 aan materiële schade en € 150,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen conform het vonnis.

De raadsman heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden voor een bedrag van € 25,48. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar de maatstaf van billijkheid schatten op € 150,00.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 175,48 zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijk rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (zaak A onder 4)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 605,16, bestaande uit € 5,16 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade. Voorts is door de benadeelde partij verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 255,16, bestaande uit

€ 5,16 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen conform het vonnis.

De raadsman heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden een bedrag van € 5,16. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar de maatstaf van billijkheid schatten op € 250,00.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 255,16 zal worden toegewezen.

Het hof zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijk rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 57, 63, 139, 184, 246, 285b, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 en in zaak B onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden dat de verdachte:

1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. medewerking verleent aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

3. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en meewerkt aan het samenwerkingsconvenant van de reclassering en de politie;

4. medewerking verleent aan het verstrekken van een pasfoto en het verstrekken van informatie, zoals bedoeld in het kader van het landelijk opgestelde opsporingsbeleid ten aanzien van de TBS-gestelden en volgens het convenant tussen de politie en reclassering;

5. op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling meewerkt aan opname en behandeling in FPK De Woenselse Poort of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, ook als dat betekent medicatie inname dan wel toe laten dienen;

6. na afloop van de intramurale behandeling meewerkt aan het voorgeschreven ambulante dan wel intramurale nazorgtraject, ook als dat betekent een behandeling bij een ambulante forensische polikliniek door IFZ aan te wijzen en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

7. zich op het gebied van drugs- en alcoholgebruik houdt aan de aanwijzingen en richtlijnen van de behandelaars van de kliniek en de reclassering, ook in geval dit inhoudt volledige abstinentie. De controle op de naleving van deze voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urineonderzoeken en/of blaastesten;

8. indien geïndiceerd, de voorgeschreven medicatie inneemt, zolang als zijn behandelaars nodig achten en zich hierop laat controleren;

9. zich gedurende de opname zoals genoemd in voorwaarde 5 houdt aan de huisregels van de kliniek en de behandelafdeling;

10. zich begeleidbaar en controleerbaar opstelt en toestemming geeft aan de reclassering om met alle personen en instellingen die van belang zijn voor de controle op de naleving van de voorwaarden, contact te kunnen opnemen en informatie te mogen uitwisselen;

11. zich gedurende de terbeschikkingstelling onthoudt van het contact, op welke manier dan ook, direct of indirect, met de aangever [slachtoffer 7] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt, met uitzondering van telefonisch contact;

12. zich gedurende de terbeschikkingstelling onthoudt van contact, op welke manier dan ook, direct of indirect, met [slachtoffer 4] , S.-D.S. Renfurm en [slachtoffer 5] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

13. meewerkt aan het vinden van passend werk, dan wel een zinvolle door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;

14. openheid geeft over zijn sociale netwerk en met name de relaties die hij aangaat of als hij gaat samenwonen;

15. inzage geeft in zijn financiën en, indien geïndiceerd, meewerkt aan schuldhulpverlening en bewindvoering;

16. zich tijdens de terbeschikkingstelling niet begeeft buiten het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden;

17. meewerkt mee aan een Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT, ook als dit betekent een time-out opname van maximaal 14 weken in een nader te bepalen instelling (FPC);

18. meewerkt aan transport door DV&O vanuit het Huis van Bewaring naar FPK De Woenselse Poort.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 175,48 (honderdvijfenzeventig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 25,48 (vijfentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 150,00 (honderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 175,48 (honderdvijfenzeventig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 25,48 (vijfentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 150,00 (honderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

29 juni 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak A onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 255,16 (tweehonderdvijfenvijftig euro en zestien cent) bestaande uit € 5,16 (vijf euro en zestien cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak A onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 255,16 (tweehonderdvijfenvijftig euro en zestien cent) bestaande uit € 5,16 (vijf euro en zestien cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

3 juli 2017.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 1 juli 2020.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. H.A. van Eijk en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juni 2020.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002114-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 30 juni 2020.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.L.M. van der Voet, raadsheer,

mr. S.K. van Eck, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.C.A. Bakker, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Artikel delen