Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:1697

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, identiteitsfraude en valsheid in geschrift. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, openheid van zaken gegeven over zijn motieven voor de door hem gepleegde strafbare feiten, hetgeen in zijn voordeel meeweegt. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een p...

Gerechtshof Amsterdam 29 June 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:1697 text/xml public 2026-06-29T10:14:02 2026-06-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-06-25 23-003355-22 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1697 text/html public 2026-06-29T10:08:46 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1697 Gerechtshof Amsterdam , 25-06-2026 / 23-003355-22
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, identiteitsfraude en valsheid in geschrift. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, openheid van zaken gegeven over zijn motieven voor de door hem gepleegde strafbare feiten, hetgeen in zijn voordeel meeweegt. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. Toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003355-22

datum uitspraak: 25 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-139059-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij ING Bank Nederland N.V., [persoon] , naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het verkort vonnis waarvan beroep, inclusief de aanvulling verkort vonnis, en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

in bewijsmiddel 7 van de aanvulling verkort vonnis de zin “Op 17 juni 2020 is de creditcardovereenkomst beëindigd” wijzigt in de zin “Op 18 juni 2020 is de ING Creditcardovereenkomst beëindigd”;

bewijsmiddel 12 toevoegt aan de bewijsmiddelen van de rechtbank in de aanvulling verkort vonnis, te weten: de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: “Ik beken de feiten zoals deze door de rechtbank bewezen zijn verklaard”.
Oplegging van straffen
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 tot en met feit 6 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 tot en met feit 6

tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren.

De raadsman heeft verzocht een forse taakstraf op te leggen en daarnaast niet ook een (voorwaardelijke) gevangenisstraf. Een gevangenisstraf zou, aldus de verdachte, grote impact hebben op zijn werk, zijn financiën en zijn thuissituatie. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdachte first offender is en dat hij deze strafbare feiten heeft gepleegd in een moeilijke periode in zijn leven. De verdachte heeft zich na deze strafzaak niet opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat hij inmiddels in staat is nieuwe problemen op de juiste manier op te lossen. Verder is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, identiteitsfraude en valsheid in geschrift. Dat zijn ernstige strafbare feiten, waarbij de verdachte zijn eigen financiële gewin heeft laten prevaleren boven de negatieve gevolgen die zijn gedrag voor anderen zou kunnen hebben. Zijn gedrag heeft ook daadwerkelijk tot problemen voor anderen geleid. Met name slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben deze negatieve gevolgen ondervonden. Door op naam van [slachtoffer 1] een betaalrekening te openen, creditcards aan te vragen en daarvan gebruik te maken, heeft [slachtoffer 1] aanmaningen ontvangen en stelt hij te zijn belemmerd bij de aanvraag van een hypotheek. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] konden geen aanspraak maken op een compensatieregeling van de gemeente voor burgers die door de coronacrisis in financiële nood terecht waren gekomen, doordat de verdachte al op hun naam woonkostentoeslag had aangevraagd en deze op zijn eigen rekening heeft laten overmaken. De verdachte was bij de gemeente Amsterdam werkzaam bij het Team Armoedebestrijding Voorzieningen in de functie van Inkomensconsulent. Gelet op de inhoud van zijn functie, moet hij zich ervan bewust zijn geweest dat deze slachtoffers, tot wiens gegevens hij door zijn werkzaamheden toegang had, zich in een financieel kwetsbare positie bevonden. Dat heeft hem er niet van weerhouden hun gegevens te gebruiken. De verdachte heeft daarbij bewust misbruik gemaakt van zijn positie bij de gemeente in een tijd waarin de werkdruk zo hoog lag dat het vierogen-principe nauwelijks werd nageleefd. Bovendien heeft de verdachte, door de identiteit van anderen te gebruiken, schade toegebracht aan het vertrouwen dat in het bankwezen en de overheid moet kunnen worden gesteld. Ook heeft hij het vertrouwen in de echtheid van identificerende persoonsgegevens, die door bank- en overheidsinstanties worden verstrekt, geschaad. Dit alles neemt het hof de verdachte kwalijk.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, openheid van zaken gegeven over de door hem gepleegde strafbare feiten. Het hof heeft begrepen dat de thuissituatie van de verdachte op jonge leeftijd instabiel en onveilig was en dat hij daardoor op straat terechtkwam. De verdachte kreeg een huurhuis aangeboden en zou ‘uit paniek’ hebben gehandeld toen hij zijn baan verloor en een huurachterstand ontstond. Hij heeft zich pas achteraf gerealiseerd welke impact zijn strafbare handelen heeft gehad op het leven van de slachtoffers en ter terechtzitting zijn spijt betuigd. Inmiddels leidt de verdachte een ander leven; hij is getrouwd en ondernemer.

Het weegt in het voordeel dat de verdachte – zij het op een laat moment in de procedure, namelijk 5 jaar nadat hij voor het eerst door de politie is verhoord – openheid van zaken heeft gegeven over zijn motieven voor het plegen van de strafbare feiten. Het hof heeft het voorzichtige vertrouwen dat de verdachte inmiddels heeft geleerd dat dergelijk gedrag absoluut niet de manier is om zijn eventuele toekomstige financiële problemen op te lossen. Het voorgaande maakt echter niet dat het hof in deze zaak, anders dan de raadsman heeft betoogd, kan volstaan met de oplegging van een (forse) taakstraf. Daarvoor is de hoeveelheid en het type strafbare feiten, en de periode van ruim 15 maanden waarin deze feiten zijn gepleegd, te ernstig. Het hof zal daarom, in aanvulling op een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. De verdachte zal de impact van een gevangenisstraf niet hoeven ervaren op voorwaarde dat hij zich niet opnieuw aan een strafbaar feit schuldig maakt, hetgeen correspondeert met de manier waarop hij inmiddels in het leven zegt te staan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Redelijke termijn

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is aangevangen met het eerste politieverhoor van de verdachte op 10 juni 2021. De

redelijke termijn van 2 jaren is in eerste aanleg niet overschreden, omdat vonnis is gewezen op 8 december 2022. In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 19 december 2022 en is deze termijn geëindigd met dit arrest op 25 juni 2026, waarmee de redelijke termijn van 2 jaren met ruim 1 jaar en 6 maanden is overschreden.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 220 uren passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren opgelegd en een taakstraf voor de duur van 200 uren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 225, 231, 231b en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij International Card Services B.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.258,40 bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft zich wat betreft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar verzocht de gevorderde schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. In de rechtspraak wordt een dergelijke maatregel niet opgelegd als de benadeelde partij een rechtspersoon is.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het Wetboek van Strafrecht maakt wat betreft de schadevergoedingsmaatregel geen uitzondering waar het rechtspersonen betreft en ook vanuit de jurisprudentie van de Hoge Raad is er geen beletsel deze maatregel op te leggen ten gunstige van banken, ook al zijn dit ‘kapitaalkrachtige bedrijven’.
Vordering van de benadeelde partij ING Bank Nederland N.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.137,20 bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft zich wat betreft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar verzocht de gevorderde schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. In de rechtspraak wordt een dergelijke maatregel niet opgelegd als de benadeelde partij een rechtspersoon is.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat

de schade door de verdachte wordt vergoed. Zoals hiervoor reeds overwogen bij International Card Services B.V., kan een schadevergoedingsmaatregel ook worden opgelegd als de benadeelde partij een rechtspersoon is. De vertegenwoordiger van ING Bank Nederland N.V. heeft bovendien ter terechtzitting in hoger beroep het belang van deze maatregel voldoende gemotiveerd en heeft hierbij toegelicht dat zij tevergeefs diverse pogingen heeft ondernomen om de schade op de verdachte te verhalen.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij International Card Services B.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij International Card Services B.V. ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.258,40 (tweeduizend tweehonderdachtenvijftig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd International Card Services B.V., ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.258,40 (tweeduizend tweehonderdachtenvijftig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 januari 2021.

Vordering van de benadeelde partij ING Bank Nederland N.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ING Bank Nederland N.V. ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.137,20 (zevenduizend honderdzevenendertig euro en twintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd ING Bank Nederland N.V., ter zake van het onder 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.137,20 (zevenduizend honderdzevenendertig euro en twintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 juni 2020.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. A. Eichperger, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2026.

=========================================================================

[…]

Artikel delen